Welkom op het Autsider Forum

Heb je autisme, ADHD of andere neurodivergente kenmerken of daarmee affiniteit? Heb je behoefte aan een plek waar je niet hoeft te maskeren?
Op het Autsider Forum kan je ervaringen delen, vragen stellen, spelletjes spelen, gespreksonderwerpen starten en herkenning vinden in een veilige en respectvolle omgeving.

Waarom lid worden?
  • Voor en door neurodivergente volwassenen
  • Herkenning, steun en inzicht
  • Anoniem als je wilt
  • Actief bijdragen wordt gewaardeerd, alleen meelezen mag natuurlijk ook
  • Ook voor studieprojecten, vacatures e.d.

Geïnteresseerd? Registreer hier je account!

Wanneer meedoen vooral volhouden wordt

Plaats hier (of link naar) relevante berichten in de media want dan hebben andere forumleden er ook wat aan.
Ook kunnen hier blogposts van Autsider worden besproken.
Gebruikersavatar
Eric
Beheerder
Topics: 695
Berichten: 2547
Lid geworden op: 04 jun 2022 13:59
Locatie: Amersfoort
1e diagnose: Autisme
Contacteer:

Wanneer meedoen vooral volhouden wordt

Ongelezen bericht door Eric »

Zo hard proberen normaal te zijn dat je opraakt

Hoe sociale uitsluiting, maskeren en onbegrip mensen met autisme kunnen uitputten

Je doet mee aan het gesprek bij de koffieautomaat. Je lacht op het juiste moment. Je kijkt iemand net lang genoeg aan. Je negeert het gezoem van de lampen, de harde stemmen achter je en het parfum van een collega. Ondertussen probeer je te onthouden wat je zelf wilde zeggen.

Aan het einde van de werkdag lijkt er weinig bijzonders te zijn gebeurd. Toch ben je thuis tot niets meer in staat.

Voor veel mensen met autisme is dat geen uitzondering. Zij proberen zich voortdurend aan te passen aan een omgeving die niet op hun manier van waarnemen, communiceren en herstellen is ingericht. Dat aanpassen kan tijdelijk helpen om erbij te horen. Maar wie dag na dag een sociale rol speelt, betaalt daar vaak een hoge prijs voor.

Een nieuw onderzoek onder jonge volwassenen met autisme uit Québec laat zien dat uitputting niet alleen ontstaat door autisme zelf. Ook sociale uitsluiting, discriminatie, pesten, ontoegankelijke omgevingen en gebrek aan passende hulp spelen een belangrijke rol.

De omgeving vraagt soms zoveel aanpassing dat meedoen vooral volhouden wordt.

Uitsluiting is meer dan buitengesloten worden

Bij sociale uitsluiting denken we al snel aan iemand die niet wordt uitgenodigd voor een feest of niet bij een groep mag zitten. Maar uitsluiting is vaak subtieler.

Het kan ook betekenen dat iemand formeel welkom is, maar in de praktijk nauwelijks kan deelnemen. Een sportclub kan bijvoorbeeld openstaan voor iedereen, terwijl de harde muziek, felle verlichting en chaotische organisatie deelname voor iemand met autisme bijna onmogelijk maken.

Ook op school of het werk kan iemand officieel dezelfde kansen krijgen, terwijl er weinig ruimte bestaat voor een andere manier van communiceren, werken of herstellen.

Sociale uitsluiting is daarom meestal geen enkel incident. Het is een proces. Kleine en grotere ervaringen stapelen zich op. Steeds opnieuw krijgt iemand de boodschap dat diens behoeften lastig, overdreven of ongewenst zijn.

Soms wordt iemand letterlijk weggestuurd. Vaker trekt iemand zichzelf uiteindelijk terug, omdat deelname te veel energie, onzekerheid of pijn oplevert.

Iedere dag kleine tikken

De deelnemers aan het onderzoek beschreven veel zogenoemde microagressies. Dat zijn opmerkingen of handelingen die op zichzelf misschien klein lijken, maar die iemands ervaringen en behoeften ontkennen.

Een bekend voorbeeld is: “Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit.”

Degene die dit zegt, bedoelt het soms als compliment. Toch kan de boodschap heel anders aankomen. Alsof autisme alleen echt is wanneer het voor anderen direct zichtbaar is. Of alsof iemand die vriendelijk praat, werkt, studeert of oogcontact maakt geen ondersteuning nodig kan hebben.

Daar komt een vreemde situatie uit voort. Wanneer iemand met autisme zich goed weet aan te passen, wordt de diagnose niet geloofd. Wanneer aanpassen niet lukt, wordt het gedrag als probleem gezien.

Het is een soort sociale goocheltruc waarbij je het eigenlijk nooit goed kunt doen.

Ook sensorische prikkels kunnen deel uitmaken van zo’n dagelijkse opeenstapeling. Denk aan een wachtkamer met tl-verlichting, een schoolkantine vol lawaai of een kantoor waar mensen voortdurend achter je langslopen.

Overprikkeling wordt nog vaak voorgesteld als een individueel probleem: iemand is nu eenmaal gevoelig. Maar de inrichting van de omgeving bepaalt voor een belangrijk deel hoeveel last iemand ervaart.

Een ruimte stiller maken, verlichting aanpassen of duidelijke rustplekken aanbieden is geen medische behandeling. Het is toegankelijkheid.

Eerst beoordeeld, dan pas gezien

Verschillende deelnemers vertelden over discriminatie op het werk. Sommigen hadden het gevoel dat anderen profiteerden van hun sterke verantwoordelijkheidsgevoel. Zij bleven doorgaan tot alles af was, ook wanneer dat ten koste ging van hun gezondheid.

Anderen ontdekten dat collega’s voor hetzelfde werk meer betaald kregen. Ook beschreven deelnemers dat zij al werden beoordeeld op hun diagnose voordat zij hun vaardigheden konden laten zien.

Dit raakt aan een hardnekkig probleem. Mensen met autisme worden soms tegelijkertijd onderschat en overvraagd.

Aan de ene kant nemen werkgevers, hulpverleners of familieleden taken over omdat zij denken dat iemand iets niet kan. Aan de andere kant wordt van diezelfde persoon verwacht dat die zich zonder veel ondersteuning aanpast aan een drukke, onduidelijke of sociaal ingewikkelde omgeving.

Werkgevers kijken bovendien nog vaak naar hoe iemand overkomt tijdens een sollicitatiegesprek. Wie snel antwoordt, gemakkelijk praat en ontspannen oogcontact maakt, lijkt geschikt. Maar zo’n gesprek meet vooral hoe goed iemand is in solliciteren. Niet hoe nauwkeurig, betrouwbaar of deskundig diegene het werk uitvoert.

Daardoor kunnen organisaties waardevolle medewerkers mislopen.

Vertel je dat je autisme hebt?

Open zijn over autisme kan toegang geven tot aanpassingen. Bijvoorbeeld een rustige werkplek, duidelijke instructies, extra tijd bij examens of de mogelijkheid om schriftelijk te communiceren.

Maar openheid kan ook risico’s opleveren.

De deelnemers wisten niet altijd hoe anderen zouden reageren. Worden zij serieus genomen? Krijgen zij minder kansen? Gaan collega’s anders met hen praten? Wordt alles wat misgaat voortaan aan autisme toegeschreven?

Niet vertellen kan beschermen tegen vooroordelen. Tegelijk maakt het passende ondersteuning moeilijker. Bovendien moet iemand dan vaak blijven doen alsof er niets aan de hand is.

Er bestaat daarom geen universeel juist antwoord op de vraag of iemand een diagnose moet delen. Het hangt af van de situatie, de veiligheid, de cultuur binnen een organisatie en de ondersteuning die iemand nodig heeft.

Belangrijk is vooral dat het een eigen keuze blijft. Een diagnose is geen bedrijfsmededeling die automatisch naar alle collega’s moet worden doorgestuurd.

Pesten stopt niet bij de schoolpoort

Een groot deel van de deelnemers vertelde over pesten tijdens de schooltijd. Het ging niet alleen om schelden of buitensluiten, maar ook om vernedering, cyberpesten, beschadiging van spullen, bedreigingen en lichamelijk geweld.

Sommige ervaringen waren extreem.

Opvallend was dat leraren en ander schoolpersoneel volgens verschillende deelnemers onvoldoende ingrepen. Soms voelde een leerling zich zelfs door een medewerker vernederd.

Wanneer een kind langdurig wordt gepest, kijken volwassenen vaak naar sociale vaardigheden. Misschien moet het kind leren weerbaarder te zijn, anders te reageren of beter aansluiting te zoeken.

Daarmee kan de verantwoordelijkheid ongemerkt verschuiven naar degene die wordt gepest.

Natuurlijk kan ondersteuning zinvol zijn. Maar het probleem is niet dat iemand onvoldoende overtuigend “stop” zegt. Het probleem is dat anderen grensoverschrijdend gedrag vertonen en dat de omgeving dit laat voortbestaan.

Pesten kan nog jaren doorwerken. Het tast vertrouwen aan. Wie vaak is uitgelachen, bedrogen of gemanipuleerd, gaat nieuwe contacten mogelijk vermijden. Dat wordt vervolgens gemakkelijk uitgelegd als een gebrek aan sociale belangstelling.

Maar terugtrekken kan ook een verstandige beschermingsreactie zijn.

Wanneer bescherming betutteling wordt

Mensen met autisme kunnen ondersteuning nodig hebben bij planning, administratie, geldzaken of het nemen van ingewikkelde beslissingen. De aard en hoeveelheid ondersteuning verschilt sterk per persoon.

Hulp wordt echter een probleem wanneer anderen zonder overleg keuzes gaan maken.

Deelnemers vertelden dat ouders, partners of begeleiders soms bepaalden welke opleiding, baan of woonvorm geschikt was. Dat gebeurde meestal vanuit bezorgdheid. Toch kan goedbedoelde bescherming de zelfstandigheid beperken.

Er is een belangrijk verschil tussen:
  • “Zal ik je helpen de mogelijkheden op een rij te zetten?”
  • “Ik heb besloten wat voor jou het beste is.”
Ondersteuning hoort iemand meer invloed op het eigen leven te geven. Niet minder.

Dat betekent niet dat iedere beslissing volledig alleen moet worden genomen. Veel mensen, met en zonder autisme, overleggen bij moeilijke keuzes met anderen. Soms is het juist prettig wanneer een partner een onbelangrijke keuze overneemt, zoals het uitkiezen van een restaurant.

Het verschil zit in toestemming. Hulp die iemand vraagt, kan ontlasten. Hulp die wordt opgedrongen, kan verstikken.

Naasten kunnen helpen én hinderen

Familie, vrienden en partners waren voor veel deelnemers belangrijke bronnen van steun. Zij hielpen bij geldzaken, dagelijkse taken, administratie en emotionele problemen.

Tegelijk voelden sommige deelnemers zich juist door naasten niet begrepen.

Een ouder kan financieel ondersteunen, maar ondertussen blijven aandringen op lange gesprekken aan tafel terwijl iemand dringend stilte nodig heeft. Een partner kan structuur bieden, maar ook te veel gaan bepalen. Een vriend kan willen helpen, maar de behoefte aan rust persoonlijk opvatten.

Goede bedoelingen garanderen dus nog geen passende steun.

Een eenvoudige vraag kan veel verschil maken: “Wat heb je op dit moment van mij nodig?”

Dat klinkt bijna te gemakkelijk. Toch wordt deze vraag verrassend weinig gesteld. Mensen springen vaak direct naar oplossingen. Zeker wanneer zij bezorgd zijn.

Luisteren zonder onmiddellijk te repareren is een onderschat talent.

Hulp vragen aan een systeem dat niet meebeweegt

Veel deelnemers ervoeren problemen bij het zoeken naar professionele hulp. Zij noemden lange wachttijden, ingewikkelde aanmeldprocedures, onvoldoende kennis over autisme bij volwassenen en het gevoel niet serieus genomen te worden.

Sommigen hadden jarenlang verschillende professionals bezocht voordat autisme werd herkend. Vooral kennis over autisme bij vrouwen werd als onvoldoende ervaren.

Een ander probleem is dat hulp vaak pas beschikbaar komt wanneer iemand volledig vastloopt. Wie nog werkt, studeert of verzorgd overkomt, lijkt het misschien redelijk te redden. De inspanning die daarvoor nodig is, blijft buiten beeld.

Daardoor ontstaat een merkwaardige hulpverleningslogica: zolang iemand met veel moeite overeind blijft, is er te weinig reden voor hulp. Zodra die persoon instort, is de situatie plotseling ernstig.

Hulp zou juist eerder beschikbaar moeten zijn. Niet pas wanneer de nooduitgang al in brand staat.

Deelnemers waardeerden professionals die rekening hielden met hun behoeften. Bijvoorbeeld door het licht te dimmen, geen onverwachte aanraking te gebruiken, vertraging vooraf te melden of helder te communiceren.

Dat zijn geen ingewikkelde behandelprotocollen. Het zijn kleine vormen van respect en voorspelbaarheid.

Jezelf uitsluiten om uitsluiting te voorkomen

Verschillende deelnemers vermeden plekken, activiteiten en relaties omdat zij bang waren opnieuw te worden afgewezen, overprikkeld of verkeerd begrepen.

Van buitenaf kan dat eruitzien als passiviteit. Iemand gaat niet naar feestjes, solliciteert niet meer of vraagt geen hulp. De conclusie ligt dan al snel klaar: die persoon wil blijkbaar niet meedoen.

Maar niet meedoen is iets anders dan niet willen meedoen.

Wie herhaaldelijk negatieve ervaringen heeft, gaat risico’s vermijden. Dat is geen typisch kenmerk van autisme, maar een menselijke reactie op onveiligheid.

Daarom is het belangrijk om niet alleen te vragen waarom iemand zich terugtrekt. Vraag ook waarvan die persoon zich probeert te beschermen.

Maskeren is sociaal acteren

Maskeren betekent dat iemand kenmerken van autisme verbergt of onderdrukt om beter aan sociale verwachtingen te voldoen.

Dat kan bijvoorbeeld door:
  • oogcontact bewust na te bootsen;
  • gezichtsuitdrukkingen van anderen te kopiëren;
  • standaardzinnen voor gesprekken te oefenen;
  • onrustige bewegingen tegen te houden;
  • overprikkeling niet te laten merken;
  • mee te doen aan sociale activiteiten ondanks ernstige vermoeidheid.
Een deelnemer beschreef hoe zij op haar werk als het ware een klantenservicemedewerker speelde. Pas thuis merkte zij hoe uitgeput zij daarvan raakte.

Maskeren kan nuttig zijn. Het kan helpen bij een sollicitatie, een gesprek met een onbekende of een situatie waarin iemand zich niet veilig voelt.

Het probleem ontstaat wanneer het masker nergens meer af kan.

Dan verandert aanpassen in voortdurend toneelspelen. Zonder pauze, zonder kleedkamer en meestal zonder applaus.

Langdurig maskeren kan leiden tot uitputting, een lager zelfbeeld en het gevoel niet meer te weten wie je bent. Bovendien ziet de omgeving alleen het eindresultaat. De inspanning blijft verborgen.

Iemand lijkt sociaal vaardig. Niemand ziet de uren herstel die daarna nodig zijn.

Bij gelijkgestemden kan het masker af

Meerdere deelnemers vertelden dat contact met andere mensen met autisme gemakkelijker kon zijn. Niet omdat iedereen met autisme hetzelfde denkt, maar omdat bepaalde ervaringen minder uitleg nodig hadden.

Een behoefte aan stilte werd sneller begrepen. Schriftelijke communicatie was vanzelfsprekender. Er was minder druk om op een gebruikelijke manier sociaal te reageren.

Contact met andere neurodivergente mensen kan daarom een vorm van herstel bieden. Het is een omgeving waarin iemand niet voortdurend hoeft te vertalen wat er in het hoofd of lichaam gebeurt.

Dat betekent niet dat mensen met autisme alleen met elkaar zouden moeten omgaan. Het betekent wel dat herkenning en gelijkwaardigheid belangrijke beschermende factoren kunnen zijn.

Wat scholen, werkgevers en hulpverleners kunnen doen

Werkelijke inclusie vraagt meer dan goede bedoelingen of een jaarlijkse bewustwordingsweek.

Een paar concrete uitgangspunten:
  • Geloof wat iemand over de eigen belasting vertelt. Niet alle problemen zijn zichtbaar.
  • Vraag welke aanpassing helpt. Bedenk niet automatisch namens de ander wat nodig is.
  • Maak communicatie voorspelbaar. Geef duidelijke informatie, concrete afspraken en tijd om te reageren.
  • Verminder onnodige prikkels. Een rustige ruimte, gedimd licht of een koptelefoon kan deelname mogelijk maken.
  • Grijp vroeg in bij pesten en vernedering. Wacht niet tot degene die wordt gepest uitvalt.
  • Respecteer autonomie. Ondersteunen is iets anders dan overnemen.
  • Bied verschillende manieren van contact aan. Niet iedereen kan onder druk mondeling uitleggen wat er speelt.
  • Kijk naar de omgeving én naar de persoon. Niet ieder probleem hoeft met training of therapie te worden opgelost.
De belangrijkste verandering is misschien wel een andere vraagstelling.

Niet: “Hoe krijgen we deze persoon zover dat die beter meedoet?”

Maar: “Wat maakt meedoen hier onnodig moeilijk?”

Wat je zelf kunt proberen

Sociale uitsluiting is nooit de schuld van degene die wordt uitgesloten. Toch kan het helpen om patronen te herkennen.

Let bijvoorbeeld op situaties waarin je structureel veel meer energie verbruikt dan anderen lijken te doen. Schrijf op welke prikkels, verwachtingen of contacten daarbij een rol spelen.

Misschien ontdek je dat vooral onverwachte vergaderingen, groepsgesprekken, klantcontact of drukke pauzeruimtes zwaar zijn. Dat maakt het gemakkelijker om een concrete aanpassing te vragen.

Het kan ook helpen om onderscheid te maken tussen noodzakelijk en automatisch maskeren. Soms kies je bewust voor aanpassen omdat een situatie belangrijk is. Op andere momenten speel je een rol uit gewoonte, terwijl dat niet nodig is.

Probeer daarnaast plekken en mensen te vinden bij wie minder uitleg nodig is. Dat kan een vriend zijn, een lotgenotengroep, een collega of een hulpverlener die neurodiversiteit begrijpt.

En misschien het belangrijkste: vermoeidheid na sociaal contact is geen bewijs dat je tekortschiet. Het kan betekenen dat je heel hard hebt gewerkt aan iets wat voor anderen grotendeels vanzelf gaat.

Eén onderzoek vertelt niet ieders verhaal

Het onderzoek waarop dit artikel is gebaseerd, had 23 deelnemers van 19 tot 31 jaar. Zij woonden in Québec en hadden allemaal een professionele diagnose van autisme.

De meeste deelnemers studeerden of werkten. Er deden meer vrouwen dan mannen mee. Veel deelnemers kregen hun diagnose relatief laat.

De gesprekken vonden schriftelijk en online plaats. Dat gaf deelnemers tijd om in hun eigen tempo na te denken en te reageren. Tegelijk konden alleen mensen meedoen die voldoende konden lezen en schrijven en toegang hadden tot het gebruikte platform.

De ervaringen zijn daarom niet één op één van toepassing op alle mensen met autisme. Mensen met een verstandelijke beperking, grote communicatieproblemen of een zeer intensieve ondersteuningsbehoefte waren in deze groep nauwelijks vertegenwoordigd.

Een kwalitatief onderzoek vertelt bovendien niet hoe vaak iets voorkomt. Het laat vooral zien hoe mensen ervaringen beleven en welke patronen daarin zichtbaar worden.

Die beperking maakt de uitkomsten niet onbelangrijk. De verhalen laten juist zien wat cijfers vaak missen: hoe uitsluiting voelt en hoe kleine ervaringen zich in de loop van jaren kunnen opstapelen.

Erbij horen zonder iemand anders te spelen

Mensen met autisme hoeven niet overal zonder aanpassing aan mee te doen. Niemand hoeft elk feest leuk te vinden, in een kantoortuin te floreren of tijdens de lunch gezellig te kletsen.

Inclusie betekent niet dat iedereen hetzelfde doet.

Het betekent dat mensen toegang krijgen tot onderwijs, werk, zorg, relaties en vrije tijd zonder voortdurend hun grenzen en behoeften te moeten verbergen.

Dat vraagt soms aanpassing van de persoon. Maar minstens zo vaak vraagt het aanpassing van de omgeving.

Werkelijk erbij horen begint wanneer iemand niet langer hoeft te kiezen tussen zichzelf zijn en geaccepteerd worden.

Bron

Courcy, I., Bélanger, M., Des Rivières-Pigeon, C., Guerrero, L. & Soulières, I. (2026). « J’essayais tellement fort d’être normale… J’ai fini par m’épuiser. » Les formes d’exclusion sociale vécues par de jeunes adultes autistes. Santé mentale au Québec, 51(2), 305–331. [https://doi.org/10.7202/1126816ar]
Admin heet nu Eric.
https://autsider.net/over-ons/
Plaats reactie