Sporten voor je darm-hersen-as?

Beweging en autisme: die combinatie roept vaak twee soorten reacties op. De ene helft denkt aan sport als “nuttig maar lastig” (drukke sportschool, gedoe met plannen, prikkels, omkleden). De andere helft kent het effect van bewegen juist als iets opvallend mentaals: na een wandeling voelt je hoofd stiller, je lontje langer, je stress minder plakkerig.

Kan de darmflora een deel van die verandering verklaren? Onderzoekers gebruikten een ratmodel met autisme-achtig gedrag. Ze gaven een deel van de ratten zes weken lang een loopwiel (vrijwillig, dus geen “hardlopen of anders straf”). Daarna maten ze sociaal gedrag en angstachtig gedrag. En ze keken naar drie lagen eronder:

  1. welke bacteriën in de darm relatief meer of minder werden,
  2. welke korte-keten vetzuren (zoals butyraat) veranderden,
  3. welke signaalstoffen in de prefrontale cortex verschoven (een hersengebied dat vaak meedoet bij planning, remmen, afwegen en sociaal gedrag).

Daarna gaven ze andere ratten een “poeptransplantatie” van de sportende ratten. Als je dan vergelijkbare gedragsveranderingen ziet, wordt het idee sterker dat de darmflora geen bijrol speelt maar echt meedoet.

Ratten, valproaat en een loopwiel

De ratten kregen autisme-achtig gedrag door een veelgebruikte onderzoeksroute: zwangere ratten kregen op dag 12,5 van de zwangerschap valproaat (een medicijn dat in dit soort studies vaker wordt ingezet om bij nakomelingen kenmerken te krijgen die op autisme-achtig gedrag lijken).

Daarna verdeelden de onderzoekers de jongen in vier groepen:

  • een groep zonder interventie (autisme-achtig gedrag, geen extra’s),
  • een groep met zes weken vrijwillig rennen in een loopwiel,
  • een groep die vier weken fecestransplantatie kreeg van de sportende groep,
  • een groep die vier weken “nep-transplantatie” kreeg (zoutoplossing via dezelfde methode).

Ze maten gedrag met twee testen die je in dit veld vaak ziet:

  • de open field test: een grote bak waarin je o.a. kijkt of een dier het midden durft op te zoeken (grofweg: minder midden = meer angstachtig gedrag);
  • de three-chamber test: een opstelling met drie compartimenten waarin je meet of een dier liever bij een onbekende soortgenoot zit dan in een lege ruimte (sociale interesse), en daarna of het liever een nieuwe soortgenoot onderzoekt dan de “oude” (sociale nieuwigheid).

Daarnaast analyseerden ze de darmflora.

Wat veranderde er in gedrag

De grootste winst zat in sociaal gedrag. In de three-chamber test liet de groep met autisme-achtig gedrag zonder interventie minder duidelijke voorkeur zien voor een soortgenoot boven een lege kamer. Ook de “social novelty” (kiezen voor een nieuwe soortgenoot boven de al bekende) bleef achter. Dat past bij hoe onderzoekers dit ratmodel vaak beschrijven: sociaal gedrag en sociale nieuwsgierigheid nemen af.

De ratten die zes weken vrijwillig renden, lieten een gedeeltelijk herstel zien. Ze kozen vaker voor de kamer met de andere rat en toonden meer voorkeur voor sociale nieuwigheid. Niet elk cijfer schoot naar “controle-niveau”, maar de richting was vrij consequent: meer sociale interesse, meer sociale nieuwigheid.

Angstachtig gedrag veranderde minder overtuigend. In de open field test bleef de autisme-achtige groep meer “langs de randen hangen” (minder tijd in het midden, minder bezoekjes aan het midden). De sportende groep schoof wat op richting verbetering, maar kwam niet helemaal gelijk met de controlegroep.

Belangrijk detail: de totale afgelegde afstand veranderde niet noemenswaardig. Met andere woorden: het effect zat niet in “ze werden gewoon actiever of sneller”, maar vooral in de sociale metingen.

Welke darmbacteriën schoven op?

De onderzoekers zagen dat de samenstelling van de darmflora in de autisme-achtige groep duidelijk anders was dan in de controlegroep. Door het loopwiel schoof die samenstelling deels terug richting het patroon van de controlegroep.

Op genusniveau sprongen er drie namen uit: Lactobacillus en Limosilactobacillus namen toe bij beweging. Allobaculum nam juist af.

Die eerste twee herken je waarschijnlijk als “probiotica-achtige” namen. In het bredere autisme-onderzoek duiken Lactobacillus-achtigen regelmatig op, omdat sommige stammen betrokken zijn bij fermentatieprocessen en bij producten die de darmwand kunnen ondersteunen. De auteurs koppelen dit ook aan eerder onderzoek waarin bepaalde Lactobacillus-stammen verband houden met sociale uitkomsten (vooral bij kinderen), maar dat blijft een wankele brug: stammen zijn geen genera, ratten zijn geen mensen, en sociaal gedrag in een testopstelling is geen dagelijks leven.

Wat wel interessant is: de verandering in darmflora liep gelijk op met de gedragsverandering. En dat werd later extra relevant door de poeptransplantatie.

Kleine vetzuren, groot effect

SCFA’s (short-chain fatty acids) zijn korte-keten vetzuren die darmbacteriën maken wanneer ze vezels en andere stoffen afbreken. De bekendste zijn acetaat, propionaat en butyraat.

In dit onderzoek viel vooral butyraat op. De autisme-achtige groep had lagere butyraatwaarden dan de controlegroep. De sportende groep zat weer dichter bij “normaal”. Dat is biologisch gezien een logische kandidaat-verbinding: butyraat speelt een rol bij de darmbarrière (de “darmwand”) en bij ontstekingsprocessen. Als je darmbarrière beter functioneert en je ontstekingssignalen afnemen, kan dat via allerlei routes invloed hebben op stress- en hersensystemen.

Naast butyraat zagen de onderzoekers ook lagere waarden van o.a. azijnzuur (acetaat) en hexaanzuur in de autisme-achtige groep, met een trend naar herstel door beweging (niet altijd statistisch sterk, maar wel dezelfde richting).

Beweging ging samen met een verschuiving naar een metabolisch profiel dat vaak wordt gezien als “meer gunstig voor darmgezondheid”.

Van tryptofaan tot GABA: Wat er in het brein verschoof

Nu het meest lastige deel om lekker leesbaar te houden: signaalstoffen in de prefrontale cortex.

De onderzoekers maten een hele lijst, maar rapporteren vooral een set die door beweging verschoof richting het controlegroep-profiel. Ze zagen bij de sportende groep lagere waarden (ten opzichte van de autisme-achtige groep) van onder andere:

  • tryptofaan,
  • kynurenine,
  • dopamine (ze noemen het 3-hydroxytyramine),
  • GABA (gamma-aminobutyric acid),
  • threonine,

en juist hogere waarden van epinefrine (adrenaline-achtig).

Dat klinkt misschien alsof bewegen “GABA verlaagt” en dat je daar dan iets van moet vinden. Maar zo simpel werkt het niet. De onderzoekers leggen uit uit dat deze stoffen in hun eerdere metingen een soort golfbeweging lieten zien over de ontwikkeling: in een eerdere fase lagen sommige stoffen lager, later juist hoger. Beweging lijkt dan niet “omhoog of omlaag” te duwen, maar eerder te helpen normaliseren richting een gezonder ontwikkelingspatroon.

De prefrontale cortex liet meetbare verschuivingen zien in stoffen die betrokken zijn bij remming/activatie, stressrespons en tryptofaanroutes (die weer aan serotonine-achtige systemen raken). Dat maakt het biologisch plausibel dat je via darmen en metabolieten iets kunt terugzien in hersenchemie.

Plausibel is echter niet hetzelfde als bewezen in mensen met autisme. Het blijft een ratmodel, met meetpunten in weefsel, in een strak gecontroleerde setting.

Poeptransplantatie als ‘bewijs’

Stel: beweging verandert gedrag, én darmen, én hersenstoffen. Dan blijft nog één irritante vraag hangen: wat is oorzaak en wat is bijzaak?

Daarom doen onderzoekers soms fecestransplantatie (FMT). Het idee: als je de darmflora van de sportende ratten “overzet” naar andere ratten met autisme-achtig gedrag, en je ziet dan ook gedragswinst, dan wordt het aannemelijker dat de darmflora een schakel is en niet alleen een toeschouwer.

In deze studie kregen ratten vier weken lang fecestransplantatie van de sportende groep. In de sociale test herstelde sociaal gedrag duidelijker dan in de sham-groep (die alleen zoutoplossing kreeg). Ze zagen ook verschuivingen in de darmflora van de ontvangers, en deels ook in SCFA’s en neurotransmitterprofielen richting het “sport-profiel”.

Tegelijk zag je iets belangrijks: FMT kopieerde niet alles één op één. De auteurs benadrukken dat ook. Het leek minder op “we plakken exact dezelfde bacteriesamenstelling erop” en meer op “de functies verschuiven richting dezelfde richting”. Dat is eerlijk gezegd ook realistischer: een darm is een ecosysteem, geen USB-stick.

Wat betekent dit wel en niet voor mensen met autisme

Dit is het punt waar populaire wetenschap vaak ontspoort en wat we willen vermijden. Dus eerst even wat dit niet is:

Dit onderzoek laat niet zien dat je autisme kunt behandelen met sporten. Het laat ook niet zien dat je autisme kunt behandelen met poeptransplantaties. Het laat al helemaal niet zien dat je met een probiotica-potje uit de drogist “de prefrontale cortex kunt bijstellen”.

Wat het wel laat zien:

  • In een ratmodel met autisme-achtig gedrag verbeterde sociaal gedrag na zes weken vrijwillige beweging.
  • Die verbetering ging samen met veranderingen in darmflora, SCFA’s en gemeten hersenstoffen.
  • Een deel van de winst was overdraagbaar via fecestransplantatie, wat het idee versterkt dat de darmflora een rol kan spelen in het mechanisme.

Bij mensen met (en zonder!) autisme zien we in de praktijk vaak dat bewegen helpt bij stressregulatie, slaap, piekeren en stemming. Dat betekent niet dat bewegen “autisme minder maakt”, maar wel dat bewegen symptomen eromheen kan beïnvloeden. En bij veel mensen met autisme zijn die randzaken juist bepalend voor hoe zwaar een dag voelt: prikkelbelasting, herstel, spanning, slaaptekort en het vermogen om te schakelen.

Dit onderzoek geeft een extra hypothese waarom dat soms zo kan voelen: niet alleen via endorfine of “even je hoofd leegmaken”, maar ook via je darmecosysteem en de stoffen die daaruit voortkomen.

Daarmee past het in een groter plaatje waarin de darm-brein-as geen magische snelweg is, maar wel een serieus netwerk met meerdere routes (immuunsignalen, zenuwbanen, metabolieten). En sporten is dan geen wondermiddel, maar een relatief laagdrempelige manier om meerdere routes tegelijk een zetje te geven.

Beweging in de praktijk

Als je bij autisme vooral denkt aan “discipline” en “doorzetten”, dan voelt bewegen snel als een project dat je faalt vóór je begint. Dus laten we het omdraaien: maak bewegen zo autisme-vriendelijk mogelijk, en dan pas kijken naar hoeveelheid.

In Nederland en België sluiten de algemene beweegrichtlijnen aan bij het idee “iets is al winst, meer is vaak beter”. Voor volwassenen gaat het grofweg om minimaal 150 minuten per week matig intensief bewegen, plus twee keer per week spier- en botversterkende activiteiten, en: voorkom lang stilzitten. (gezondheidsraad.nl)
Maar voor veel mensen met autisme (en zeker bij AuDHD) werkt “150 minuten” als een mentale muur. Dan helpt het om te denken in bouwstenen:

Kies een vorm met lage frictie. Wandelen, fietsen, thuis-oefeningen, traplopen, een vaste route. Hoe minder omkleed- en regelwerk, hoe beter.

Maak prikkels voorspelbaar. Een rustige route, vaste tijdstippen, noise cancelling, dezelfde kleding, dezelfde warming-up. Je brein houdt van herhaalbaarheid.

Verlaag de startdrempel tot belachelijk klein. Vijf minuten is geen grap; vijf minuten is een start. Bij AuDHD werkt het vaak beter om te mikken op “vaker starten” dan op “langer volhouden”.

Koppel het aan iets dat al bestaat. Na koffie, na lunch, na een Teams-call, na het journaal. Niet “als ik tijd heb”, maar “na X”.

Gebruik je special interest zonder schaamte. Podcast, muziek, een vaste serie die alleen tijdens wandelen mag, of een stappenteller als data-speeltje.

En misschien het belangrijkste: kies je eigen definitie van sport. Als je autisme combineert met motorische onhandigheid, sociale stress of schaamte, dan is “naar de sportschool” soms gewoon een slecht idee. Dan werkt “elke dag 12 minuten stevig wandelen” veel beter dan het perfecte trainingsschema dat je drie weken later haat.

Van rat naar mens

VraagWat dit onderzoek suggereertWat je nog niet mag concluderen
Helpt bewegen bij autisme?In een ratmodel: sociale maten verbeteren na 6 weken vrijwillige bewegingDat hetzelfde effect even groot of hetzelfde mechanisme geldt bij mensen met autisme
Speelt de darmflora een rol?Darmflora verandert mee, en FMT kan een deel van het effect overdragenDat darmflora “de oorzaak” is of dat één bacterie dé sleutel vormt
Zijn SCFA’s belangrijk?Butyraat (en enkele andere) schuift richting “normaler” profielDat je dit simpel kunt sturen met één supplement of één dieetregel
Zijn hersenstoffen “bijgesteld”?In de prefrontale cortex verschuiven meerdere gemeten stoffen richting controlegroepDat je hiermee hersenchemie bij autisme kunt “repareren” in de kliniek
Is FMT een optie?Als onderzoeksroute interessant, en mechanistisch informatiefDat FMT een veilige of bewezen behandeling is voor autisme buiten onderzoek

Zhong, J., Zhu, B., Zou, Z., Li, Y., Feng, Y., Wu, K., & Hou, X. (2026). Gut microbiota mediates the beneficial effects of exercise on autism-like behaviors. BMC Microbiology. https://doi.org/10.1186/s12866-025-04632-x (Springer)

Gezondheidsraad. (2017). Beweegrichtlijnen 2017. (gezondheidsraad.nl)

Kang, D.-W., Adams, J. B., Coleman, D. M., Pollard, E. L., Maldonado, J., McDonough-Means, S., … Krajmalnik-Brown, R. (2019). Long-term benefit of Microbiota Transfer Therapy on autism symptoms and gut microbiota. Scientific Reports, 9, 5821. https://doi.org/10.1038/s41598-019-42183-0 (Nature)

Nederlandse Donor Feces Bank. (z.d.). Informatie en screening rond feces microbiota transplantatie (FMT). (NDFB)

U.S. Food & Drug Administration. (2019–2020). Safety communications/alerts over infectierisico’s bij FMT. (U.S. Food and Drug Administration)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.