Een vlakke gezichtsuitdrukking. Weinig oogcontact. Een verhaal vol details, maar zonder duidelijke emotie. Voor een politieagent, rechter of hulpverlener kan dat al snel overkomen als ontwijkend, kil of ongeloofwaardig.
Bij iemand met autisme kan precies hetzelfde gedrag iets heel anders betekenen. Dat maakt autisme in het strafrecht tot een ingewikkeld onderwerp. Niet omdat mensen met autisme vaker crimineel zouden zijn. Daarvoor bestaat geen overtuigend bewijs. Wel kunnen kenmerken van autisme in uitzonderlijke situaties invloed hebben op hoe iemand een sociale situatie begrijpt, grenzen herkent, onder druk reageert of alternatieven bedenkt.
Een recente Italiaanse studie beschrijft zeven strafzaken waarin autisme een rol speelde. De zaken liepen sterk uiteen: van stalking en brandstichting tot huiselijk geweld, een vermeend seksueel delict en betrokkenheid bij levensdelicten.
Autisme maakt niemand crimineel
Laten we beginnen met wat dit onderzoek níét laat zien. Het bewijst niet dat autisme leidt tot criminaliteit. Het bewijst evenmin dat mensen met autisme gevaarlijker zijn dan anderen. De onderzoekers benadrukken juist dat zo’n eenvoudige koppeling niet klopt.
De meeste mensen met autisme komen nooit als verdachte met politie of justitie in aanraking. Autisme is geen verborgen ‘misdaadknop’ in het brein. Het is een neurobiologische ontwikkeling die invloed kan hebben op communicatie, prikkelverwerking, flexibiliteit, sociale afstemming en dagelijks functioneren.
In sommige bijzondere omstandigheden kunnen bepaalde kenmerken echter wel onderdeel worden van een risicovol patroon. Denk aan extreme rigiditeit, een zeer beperkt sociaal netwerk, moeite met het begrijpen van andermans angst of sterke emotionele ontregeling. Maar zulke kenmerken leiden op zichzelf nog niet tot een strafbaar feit.
Daarvoor zijn meestal meerdere ingrediënten nodig. Bijvoorbeeld langdurige stress, pesten, een verstandelijke beperking, psychiatrische problemen, een onveilige omgeving, sociale uitbuiting of gebrek aan passende begeleiding. Autisme kan dus een stukje van de puzzel zijn.
Zeven zaken zijn geen doorsnee van autisme
De Italiaanse onderzoekers bekeken zeven mannen die in aanraking waren gekomen met het strafrecht. Bij sommigen was autisme al in de jeugd vastgesteld. Bij anderen werd de diagnose pas tijdens het forensisch psychiatrische onderzoek gesteld.
De strafbare feiten verschilden sterk. Ook de mogelijke verklaringen verschilden. Bij de ene persoon leek een zeer beperkt sociaal begrip belangrijk. Bij een andere speelden afhankelijkheid van één dominante vriend en eerdere mishandeling door leeftijdgenoten een rol. In weer een andere zaak kwamen autisme, ADHD, persoonlijkheidsproblematiek en een gewelddadige sociale omgeving samen.
De studie laat zien hoeveel verschillende routes naar probleemgedrag mogelijk zijn. Tegelijk is voorzichtigheid nodig. Een casusreeks is geen groot bevolkingsonderzoek. Er waren slechts zeven deelnemers, allemaal man, allemaal onderzocht binnen één specialistische dienst in één Italiaanse regio. We kunnen er dus geen percentages of algemene risico’s uit afleiden. De zaken zijn voorbeelden, geen blauwdrukken.
Wanneer bedoeling en uitwerking botsen
Een van de opvallendste thema’s is het verschil tussen wat iemand denkt te doen en hoe dat gedrag op een ander overkomt.
Een man uit de studie raakte sterk gefascineerd door het haar van een jonge vrouw en door de weerspiegeling daarvan in een raam. Hij volgde haar herhaaldelijk en bleef in de buurt van haar huis en school verschijnen. Volgens de onderzoekers leek zijn gedrag niet voort te komen uit een romantisch of seksueel verlangen. De fascinatie had eerder een zintuiglijk karakter.
Voor de vrouw maakte dat echter weinig verschil. Zij werd bang. Het volgen was voor haar bedreigend en grensoverschrijdend, ongeacht de innerlijke bedoeling van haar volger.
Een andere man wilde naar eigen zeggen een vrouw beschermen die ruzie had met haar echtgenoot. Hij legde krantenartikelen over vrouwenmoord, Bijbelteksten en folders tegen huiselijk geweld op haar auto. Zelf zag hij dat als een behulpzame waarschuwing, maar voor de vrouw voelde het als intimidatie.
Dit zijn ongemakkelijke voorbeelden. Goede bedoelingen maken grensoverschrijdend gedrag niet goed. De angst en de grenzen van het slachtoffer zijn echt.
Toch is het belangrijk om de bedoeling wel te onderzoeken. Niet om het gedrag goed te praten, maar om te begrijpen welke straf of begeleiding nodig is. Wie handelt uit vijandigheid vraagt mogelijk om een andere aanpak dan iemand die sociale interactie niet of onvoldoende begrijpt.
Vastlopen in een gedragstunnel
De onderzoekers gebruiken bij een van de ernstige zaken het beeld van een ‘gedragstunnel’. Dat beschrijft een situatie waarin iemand door stress, rigiditeit en beperkt probleemoplossend vermogen nog maar één handelingsmogelijkheid ziet.
Van buitenaf zijn er misschien tal van uitwegen. Praten. Weglopen. Hulp vragen. Wachten. Een advocaat bellen. Een familielid inschakelen. De situatie loslaten. Maar in de tunnel verdwijnen die alternatieven uit beeld.
Mark heeft autisme en raakt in conflict met zijn werkgever. Een project waaraan hij jarenlang heeft gewerkt dreigt te stoppen. Voor anderen is dat pijnlijk, maar bespreekbaar. Voor Mark voelt het alsof zijn hele leven instort.

Hij slaapt nauwelijks. Hij blijft urenlang dezelfde e-mails herlezen. Vrienden heeft hij niet. Hulp vragen vindt hij beschamend. Steeds sterker denkt hij: “Dit is zó onrechtvaardig, zó onredelijk, dit moet worden teruggedraaid.”
Zo’n proces leidt meestal niet tot geweld. Maar het laat wel zien hoe een probleem in het hoofd steeds prominenter én smaller kan worden, terwijl de spanning blijft toenemen.
De praktische les is belangrijk: wanneer iemand vastloopt, helpt het advies “denk toch even logisch na!” vaak niet. Juist dan zijn rust, concrete alternatieven en een vertrouwd persoon nodig.
Weten dat iets fout is, is niet hetzelfde als kunnen stoppen
In de Italiaanse strafzaken werd apart gekeken naar twee vragen.
- Begreep de persoon wat hij deed?
- Kon hij zijn gedrag op dat moment voldoende sturen?
Die twee worden in gewone gesprekken vaak op één hoop gegooid. Iemand weet dat iets verboden is, dus had hij het ook kunnen voorkomen. Zo simpel ligt het niet altijd.
Welke invloed hadden de concrete kenmerken en beperkingen van deze persoon tijdens deze specifieke gebeurtenis?
Een persoon kan bijvoorbeeld begrijpen dat bedreiging strafbaar is, maar tijdens hevige ontregeling nauwelijks in staat zijn om afstand te nemen, impulsen te remmen of een ander plan te bedenken. Autisme is daarbij nooit een automatische vrijbrief. De diagnose zegt niet: “Deze persoon kon er niets aan doen.”
Een hoog IQ is geen sociaal kompas
Een veelgemaakte denkfout is dat een gemiddeld of hoog IQ betekent dat iemand ook sociaal en praktisch goed functioneert. Dat hoeft, met name bij autisme, niet zo te zijn.
Iemand kan ingewikkelde technische problemen oplossen, maar moeite hebben met het herkennen van dreiging. Een persoon kan met vlag en wimpel een HBO- of WO-diploma behalen, maar niet aanvoelen of begrijpen wanneer belangstelling overgaat in stalking. Een ander kan uitgebreid uitleggen wat de wet (of de gedragsregels op een forum) zegt, maar tijdens stress volledig vastlopen.
Intelligentie gaat over bepaalde vormen van denken. Adaptief functioneren gaat over het toepassen daarvan in het dagelijks leven. Dat omvat onder meer:
- zelfstandig problemen oplossen;
- gevaar inschatten;
- emoties reguleren;
- sociale grenzen herkennen;
- hulp inschakelen;
- gedrag aanpassen aan de situatie.
Bij autisme kan er een flinke kloof bestaan tussen wat iemand op papier kan en wat in een chaotische werkelijkheid lukt.
Dat zie je ook op werk. Een medewerker kan verbaal en analytisch zeer sterk zijn en toch vastlopen zodra drie collega’s tegelijk iets vragen. De kennis is niet verdwenen, maar de toegang ertoe raakt tijdelijk geblokkeerd.
In de rechtszaal kan die kloof grotere gevolgen hebben. Een welbespraakte en zich correct gedragende verdachte wordt al snel als volledig zelfredzaam gezien. Maar mooie zinnen zijn geen garantie voor sociaal inzicht.
De late diagnose als gemiste afslag
Bij meerdere mannen uit de studie werd autisme pas ontdekt tijdens het strafrechtelijke onderzoek. Dat betekent dat zij jarenlang geen passende uitleg, begeleiding of ondersteuning hadden gekregen. Hun problemen werden mogelijk gezien als vreemdheid, luiheid, koppigheid, kilheid of een persoonlijkheidsprobleem.
Vroege herkenning voorkomt uiteraard niet elk probleem, maar iemand kan eerder in het leven leren hoe spanning zich opbouwt. Welke situaties gevaarlijk zijn. Hoe toestemming werkt. Wanneer contact ongewenst wordt. Wie gebeld kan worden bij een conflict. Welke waarschuwingssignalen betekenen dat een pauze nodig is.
Een diagnose is dan geen eindstation, maar vooral een routebeschrijving. Zonder routebeschrijving kun je ook op je bestemming aankomen, alleen is de kans groter dat je onderweg drie keer dezelfde rotonde tegenkomt. Of de spreekwoordelijke afslagen mist.
Eén vriendschap kan te veel macht krijgen
Een van de beschreven mannen was betrokken bij een levensdelict in een ondergeschikte rol. Hij had nauwelijks sociale contacten. De hoofdverdachte was zijn enige vriend en bovendien zijn werkgever. Hun band was ontstaan in een periode waarin de man ernstig werd gepest.
Dat maakt de relatie extra betekenisvol. Wie jarenlang buitengesloten is, kan zich sterk vastklampen aan de enige persoon die wel nabijheid biedt. Ook wanneer die persoon dominant, uitbuitend of misschien zelfs gevaarlijk is.
Mensen met autisme kunnen kwetsbaar zijn voor manipulatie. Niet omdat zij goedgelovig of kinderlijk zouden zijn, maar omdat sociale bedoelingen soms moeilijker te doorgronden zijn. Ook kan loyaliteit zeer letterlijk worden genomen. We noemen het vaak ‘loyaal’, maar het is vaak tegelijk ‘naïef’.
Daarom is een sociaal netwerk meer dan alleen wat gezelligheid. Het is ook een vorm van bescherming, van reflexie, van spiegels die anderen ons voorhouden.
Wanneer iemand slechts één vertrouwenspersoon heeft, krijgt die ene relatie enorm veel gewicht. Een begeleider, collega, familielid, lotgenoot of tweede vriend kan al helpen om de wereld breder te maken.
Meer contacten zijn overigens niet automatisch beter. De kwaliteit en veiligheid van relaties tellen zwaarder dan het aantal namen in een telefoon.
Seksuele voorlichting mag niet tussen de regels staan
Een van de zaken ging over een jongeman met autisme en een verstandelijke beperking. Hij probeerde een meisje op straat te omhelzen. Zij schrok daar enorm van en deed aangifte.
Tijdens het onderzoek bleek dat hij een zeer kinderlijk en concreet begrip had van relaties en seksualiteit. Hij leek nauwelijks te beseffen welke betekenis zijn gedrag voor het meisje kon hebben. Dat onderstreept het belang van expliciete voorlichting.
Veel seksuele opvoeding bestaat uit hints, grapjes en half uitgesproken waarschuwingen. “Je voelt vanzelf wel aan wat kan.” Voor iemand die sociale signalen lastig leest, is dat ongeveer even bruikbaar als een routebeschrijving met alleen de tekst: “Je ziet het vanzelf.”
Wat is toestemming? Hoe merk je dat iemand geen contact wil? Wanneer mag je iemand aanraken? Wat is privé? Wat is openbaar? Hoe vraag je of iets prettig is? Wat betekent twijfel? Wanneer moet je stoppen?
Dit is niet alleen relevant voor mensen met een verstandelijke beperking. Ook autistische volwassenen met een gemiddelde of hoge intelligentie kunnen behoefte hebben aan duidelijke taal over daten, relaties en grenzen.
Anders communiceren kan verdacht lijken
Forensische gesprekken draaien vaak om geloofwaardigheid. Kijkt iemand de interviewer aan? Klinkt het verhaal spontaan? Past de emotie bij de gebeurtenis? Toont iemand berouw? Dat zijn riskante maatstaven.
Een persoon met autisme kan wegkijken om beter na te denken. Een vlakke stem kan spanning verbergen. Een gedetailleerd en analytisch verhaal kan een manier zijn om nauwkeurig te blijven. Lachen kan voortkomen uit zenuwen. Een late reactie kan betekenen dat de vraag nog wordt verwerkt.
Wanneer zulke kenmerken worden uitgelegd als leugenachtigheid, manipulatie of gevoelloosheid, ontstaat een oneerlijk nadeel. Omgekeerd moet een diagnose niet betekenen dat iedere tegenstrijdigheid wordt geaccepteerd. Ook mensen met autisme kunnen liegen, manipuleren of informatie achterhouden. De kunst is om afwijkende communicatie niet automatisch te verwarren met bedrog.
Een goede interviewer stelt daarom korte vragen, behandelt één onderwerp tegelijk en geeft voldoende verwerkingstijd. Ook helpt het om te controleren wat iemand onder woorden als ‘bedoeling’, ‘dreigen’, ‘relatie’ of ‘toestemming’ verstaat.
Wat politie, justitie en hulpverlening kunnen doen
Bij een vermoeden van autisme kunnen enkele praktische aanpassingen veel verschil maken:
- Stel concrete vragen zonder beeldspraak.
- Geef extra tijd om te antwoorden.
- Vermijd meerdere vragen in één zin.
- Controleer of de vraag werkelijk is begrepen.
- Plan pauzes bij overprikkeling of uitputting.
- Kijk niet alleen naar oogcontact en lichaamstaal.
- Onderzoek het dagelijkse functioneren, niet alleen het IQ.
- Betrek waar nodig iemand met kennis van autisme én forensische psychiatrie.
- Maak afspraken, voorwaarden en verboden zo letterlijk mogelijk.
Een verbod als “laat haar met rust” kan te vaag zijn. Duidelijker is: niet bellen, geen berichten sturen, niet bij huis of werk verschijnen, geen cadeaus afgeven en geen contact zoeken via anderen.
Begrijpen is niet hetzelfde als vergoelijken
Bij dit onderwerp dreigen twee uitersten.
- Stigmatisering: “Zie je wel, mensen met autisme zijn gevaarlijk.”
- Vergoelijking: “Hij heeft autisme, dus hij kan er niets aan doen.”
Beide doen de werkelijkheid ernstig tekort.
Slachtoffers verdienen erkenning, bescherming en recht. Een diagnose verandert niets aan hun angst, schade of verlies.
Tegelijk verdient een verdachte of dader een beoordeling die rekening houdt met werkelijke mogelijkheden en beperkingen. Geen extra verdenking omdat iemand vreemd kijkt. Geen automatische strafvermindering vanwege een label. Wel onderzoek naar wat er precies gebeurde en waarom. Het vraagt dat we de hele persoon zien. Ook wanneer die persoon iets heeft gedaan dat we liever niet willen zien.
Keller, R., Marino, G. & Liloia, D. (2026). Offenders with Autism Spectrum Disorder: A Clinical Case Series and Diagnostic Considerations in Forensic Psychiatry. Psychology Research and Behavior Management, 19. https://doi.org/10.2147/PRBM.S628728.


