Een kind dat ’s avonds maar niet in slaap komt. Een peuter die midden in de nacht klaarwakker is. Of een kleuter die in het weekend eindelijk wat langer lijkt te kunnen slapen, maar toch moe blijft. Voor veel ouders van kinderen met autisme klinkt dit herkenbaar.
Slaapproblemen bij autisme zijn niet nieuw. Toch weten we nog weinig over hoe zulke verschillen er precies uitzien bij heel jonge kinderen. Veel onderzoek richt zich op schoolkinderen en pubers. Daarom is nieuw onderzoek onder kinderen jonger dan zes jaar interessant.
De uitkomst is opvallend. Jonge kinderen met autisme slapen gemiddeld niet alleen iets korter. Hun hele slaapritme lijkt wat naar achteren verschoven. Ze vallen later in slaap, worden later wakker en worden bovendien vaker midden in de nacht wakker.
Dat betekent niet dat ieder kind met autisme een slechte slaper is. Wel suggereert het dat slaap vanaf jonge leeftijd aandacht verdient. Niet om elk kind in hetzelfde slaapritme te persen, maar om te kijken waar het werkelijk misgaat: bij de klok, bij de hoeveelheid slaap, bij nachtelijk wakker worden of bij een combinatie daarvan.
Goede slaap
Bij slaap denken we vaak vooral aan één getal: hoeveel uur heeft iemand geslapen? Maar slaap heeft meerdere kanten. Het maakt bijvoorbeeld uit hoe laat iemand in slaap valt, hoe laat diegene wakker wordt en hoe vaak de slaap wordt onderbroken. Ook de plek van de slaap binnen het etmaal is belangrijk.
De onderzoekers vergeleken 246 jonge kinderen met autisme met 246 neurotypische kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd. De kinderen waren jonger dan zes jaar. Ouders vertelden hoe laat hun kind doorgaans in slaap viel en opstond, zowel doordeweeks als in het weekend. Ook werd gevraagd naar nachtelijk wakker worden. Daaruit ontstond geen beeld van kinderen die simpelweg “wat minder slapen”. Er bleek sprake van een ander patroon.
Een ander slaapritme begint al jong
Op doordeweekse dagen vielen de kinderen met autisme gemiddeld later in slaap dan de andere kinderen. Ze werden ook later wakker. Dat klinkt misschien alsof het ene verschil het andere netjes compenseert. Later slapen, later opstaan: probleem opgelost. Maar zo eenvoudig was het toch niet.
De kinderen met autisme sliepen gemiddeld iets korter. Ook in het weekend, wanneer er meestal meer ruimte is om uit te slapen, bleef dat verschil bestaan.
Dat is interessant omdat het erop wijst dat het niet uitsluitend om opgelegde bedtijden of vroege wekkers gaat. Het slaapritme zelf lijkt gemiddeld wat later te liggen. De onderzoekers keken daarvoor ook naar het zogenaamde slaapmiddelpunt. Dat is simpel gezegd het tijdstip halverwege het moment van inslapen en wakker worden.
Bij de kinderen met autisme lag dat punt duidelijk later. Daarmee ontstaat het beeld van een biologische klok die gemiddeld iets naar achteren staat afgesteld.
Ons chronotype is de natuurlijke voorkeur voor het tijdstip waarop je slaapt en wakker bent. Simpel gezegd: ben je van nature eerder een ochtendmens of juist een avondmens?
Dat heeft niet alleen met gewoonte of discipline te maken. Je chronotype hangt voor een belangrijk deel samen met je biologische klok. Die klok regelt onder meer wanneer je lichaam slaperig wordt, wanneer je temperatuur daalt en wanneer hormonen zoals melatonine worden aangemaakt.
Sommige mensen worden vroeg op de avond moe en zijn ’s morgens snel helder. Anderen komen later op gang, worden pas laat slaperig en zouden het liefst ook later opstaan. De meeste mensen zitten ergens tussen die twee uitersten.
Een chronotype is bovendien niet je hele leven hetzelfde. Kinderen zijn gemiddeld relatief vroege slapers. In de puberteit schuift het ritme vaak naar later. Op volwassen leeftijd kan het weer wat vervroegen.
Belangrijk is het verschil tussen chronotype en slaapgewoonte. Iemand kan iedere avond om elf uur naar bed gaan omdat werk of school dat praktisch maakt, terwijl het lichaam eigenlijk liever pas om één uur zou slapen. Dan past het sociale ritme niet helemaal bij het biologische ritme.
Het verschil in totale slaapduur was niet enorm, maar wel consequent. Op werkdagen sliepen de kinderen met autisme gemiddeld ongeveer een kwartier minder. In het weekend was het verschil iets groter.
Een kwartier klinkt misschien onbeduidend. Maar slaaptekort werkt niet altijd als een lege benzinetank waarbij pas iets gebeurt wanneer het lampje rood gaat branden. Kleine tekorten kunnen zich opstapelen, vooral wanneer de nachtrust regelmatig wordt onderbroken. Bovendien zijn gemiddelden verraderlijk. Het ene kind slaapt vrijwel hetzelfde als leeftijdgenoten, terwijl een ander iedere nacht uren worstelt met inslapen of wakker worden. Interessanter is dat er op groepsniveau een samenhangend patroon zichtbaar is: later slapen, later wakker worden, iets korter slapen en vaker wakker worden.
Midden in de nacht weer klaarwakker
Ongeveer een derde van de kinderen met autisme werd vaker dan één keer per week ’s nachts wakker. Bij de andere kinderen gold dat voor minder dan één op de vijf. Bijna één op de vijf kinderen met autisme werd volgens de ouders vijf tot zeven nachten per week wakker. Dat kan behoorlijk ingrijpend zijn.
Een kind dat ’s nachts wakker wordt, maakt immers vaak ook een ouder wakker. En waar het kind misschien na twintig minuten weer slaapt, ligt menig vader of moeder daarna nog een poos naar het plafond te staren. Slaapproblemen van een kind zijn daardoor vaak gezinsproblemen.
De biologische klok loopt mogelijk wat later
Waarom slapen jonge kinderen met autisme gemiddeld later? Daarop geeft dit onderzoek geen definitief antwoord. Wel noemen de onderzoekers verschillende mogelijke verklaringen. Zo zijn er aanwijzingen uit eerder onderzoek dat biologische processen die betrokken zijn bij de slaap-waakcyclus bij autisme anders kunnen verlopen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar melatonine, het hormoon dat betrokken is bij het voorbereiden van het lichaam op de nacht.
Ook verschillen in prikkelverwerking kunnen meespelen. Een tikkende verwarming, licht dat onder de deur door komt, verkeer in de straat of een krasje in het hoeslaken: iets wat de ene persoon nauwelijks opmerkt, kan voor een ander onmogelijk te negeren zijn.
Daarnaast kunnen spanning en problemen met emotieregulatie een rol spelen. Wie lichamelijk moe is maar mentaal nog op volle toeren draait, heeft weinig aan het bevel “ga nu maar gewoon slapen”. Ook sterke routines kunnen invloed hebben. Voorspelbaarheid kan juist helpen om tot rust te komen, maar een rigide slaaproutine kan kwetsbaar worden wanneer er iets verandert.
Wanneer wordt een afwijkend slaapritme een probleem?
Stel dat een kind van nature later slaapt, voldoende uren maakt en overdag goed functioneert. Moeten we dat ritme dan corrigeren omdat het afwijkt van het gemiddelde? Niet noodzakelijk. Een later chronotype is geen ziekte.
Problemen ontstaan pas wanneer het natuurlijke ritme botst met de omgeving. Een kind dat pas laat slaperig wordt maar de volgende morgen om zeven uur naar de opvang moet, krijgt simpelweg minder slaapruimte. Daar zit ook een neurodiversiteitsperspectief in. We zijn snel geneigd om te vragen hoe een kind kan worden aangepast aan bestaande schema’s. Soms is het minstens zo zinvol om te kijken of de omgeving kan meebewegen.
Liu X, Guo C, Gao CL, et al. Sleep characteristics in young children with autism spectrum disorder: a case control study. Frontiers in Pediatrics. 2026;14:1742989. Gepubliceerd 2 september 2026. doi:10.3389/fped.2026.1742989.


