Autisme en ADHD op de genenkaart van psychiatrie

Als je rondloopt in de wereld van GGZ, autisme-coaching of lotgenotencontact, dan klinkt dit herkenbaar: zelden komt één diagnose alleen. Autisme en ADHD gaan opvallend vaak samen (AuDHD), autisme en angst/depressie komen geregeld in één leven voor en mensen met een verslavingsprobleem hebben niet zelden óók andere psychische klachten. Dat is geen toevalstreffer van het leven; het zegt ook iets over hoe ons brein in elkaar zit.

Een groot internationaal onderzoek in Nature zette daarom een stap terug en stelde een brutale vraag: als je alle genetische signalen van veelvoorkomende psychiatrische diagnoses naast elkaar legt, zie je dan onder die diagnoses een kleiner aantal “onderliggende routes” terug? De onderzoekers analyseerden genetische data van 14 psychiatrische aandoeningen (samen 1.056.201 mensen met een diagnose) en brachten in kaart welke delen van het genetische risico gedeeld zijn en welke delen uniek blijven.

Het idee in één zin

Niet elke diagnose heeft zijn eigen genetische eiland. Een flink deel van het genetische risico lijkt eerder op een archipel: groepjes eilanden met ondiep water ertussen.

De onderzoekers vonden vijf brede genetische “factoren” (je kunt ze zien als dimensies van gedeeld risico) die gemiddeld ongeveer twee derde van de genetische variantie van de afzonderlijke diagnoses verklaren. Ze koppelden die factoren ook aan honderden genetische plekken (loci) die bij meerdere diagnoses een rol spelen.

Wat hebben ze precies gedaan?

De studie gebruikte grote genetische associatiestudies (GWAS) van 14 diagnoses. Daar zaten acht diagnoses in die al langer vaak in genetisch onderzoek terugkomen (zoals autisme, ADHD, schizofrenie, bipolaire stoornis, depressie en OCD), plus zes extra groepen, waaronder meerdere middelenstoornissen (alcohol, cannabis, opioïden) en nicotineafhankelijkheid.

Vervolgens deden ze twee belangrijke dingen:

  1. Ze keken naar genetische overlap: in hoeverre delen twee diagnoses dezelfde genetische “richting” (globaal bekeken)?
  2. Ze bouwden daarna een model dat niet per se uitgaat van losse diagnoses, maar zoekt naar onderliggende dimensies die meerdere diagnoses verbinden. Dat leverde vijf factoren op.

Belangrijk detail: het grootste deel van de analyses draaide op data van mensen met een “EUR-like” genetische achtergrond (grofweg: genetische variatie die het meest lijkt op Europese referentiepopulaties). De auteurs keken wel beperkt naar andere groepen, maar daar was minder statistische power.

Vijf factoren

De vijf factoren die uit het model rolden, kun je lezen als vijf hoofdroutes waarlangs genetische kwetsbaarheid zich vaker clustert. Ze zijn niet “de waarheid” over een individu, maar een manier om gedeelde patronen in enorme datasets zichtbaar te maken.

Hieronder een overzicht met de diagnoses die er het sterkst (en soms wat zwakker) aan hangen.

Genetische factor (uit de studie)Welke diagnoses hangen er vooral aan?Wat hangt er ook een beetje aan?
Compulsiveanorexia nervosa, OCDTourette, angststoornissen (zwakker)
SBschizofrenie, bipolaire stoornis
Neurodevelopmentalautisme, ADHDTourette (zwakker)
Internalizingdepressie, PTSS, angststoornissen
SUDopioïdenstoornis, cannabisstoornis, alcoholstoornis, nicotineafhankelijkheidADHD (in mindere mate)

De onderzoekers beschrijven deze indeling expliciet: vijf factoren met precies deze “ladingen” (inclusief dat Tourette op twee plekken zwakker meetelt en dat ADHD ook een (kleine) link heeft met de middelenfactor).

Compulsive – de ‘controlekamer’
Stel je een controlekamer voor met een heleboel knoppen, meters en alarmen. Bij sommige breinen staat die kamer net wat gevoeliger afgesteld: “check nog even”, “zeker weten?”, “dit moet kloppen”. In de studie clustert dat genetisch vooral bij OCD en anorexia, met Tourette en angst wat zwakker in de buurt. Het gaat dus niet om “netjes zijn”, maar om een onderlaag die sneller richting dwang en controle kan trekken – soms in gedachten, soms in gedrag.

SB – de ‘mengtafel van realiteit en stemming’
Denk aan een mengtafel met schuiven voor stemming, energie, tempo van denken en het ‘filter’ waardoor je de wereld ervaart. Bij de SB-factor (schizofrenie/bipolair) lijkt genetische kwetsbaarheid vooral te clusteren rond die schuiven: ze kunnen makkelijker uitslaan, harder gaan “oversturen”, of soms ineens een andere stand kiezen dan je gewend bent. Dat zegt niets over jou als individu, maar verklaart wel waarom schizofrenie en bipolaire stoornis in genetische data zo sterk samen optrekken.

Neurodevelopmental – de ‘bouwtekening van het brein’
Zie dit als de bouwtekening die bepaalt hoe de kamers, kabels en routes in een huis zijn aangelegd. Autisme en ADHD hangen in deze studie vooral aan deze factor: het gaat om genetische invloeden die al vroeg in de ontwikkeling meespelen in hoe informatie wordt verwerkt, hoe aandacht en impuls werken, hoe prikkels binnenkomen en hoe routines ontstaan. Daarom voelt AuDHD in dit plaatje logisch: twee “kamers” in hetzelfde huis, met deels dezelfde fundering – en tegelijk genoeg eigen kenmerken om verschillend te blijven.

Internalizing – het ‘weerbericht dat te vaak op storm staat’
Bij internalizing (depressie, angst, PTSS) kun je denken aan een weerapp die net wat sneller “code geel” geeft. Niet omdat je je aanstelt, maar omdat het systeem gevoeliger kan zijn voor stresssignalen: sneller piekeren, sneller somber, sneller spanning vasthouden. Interessant is dat deze factor in het model het sterkst samenhangt met een algemene kwetsbaarheid (de p-factor): alsof internalizing het meest lijkt op “algemene gevoeligheid voor mentale ontregeling”, met allerlei mogelijke uitwerkingen.

SUD – het ‘snelle ontsnappingsluik’
Stel je een nooduitgang voor: als het te druk, te pijnlijk of te chaotisch wordt, zoekt het brein soms een kortere route naar demping of beloning. De SUD-factor bundelt genetische kwetsbaarheid rond middelenstoornissen (alcohol, cannabis, opioïden, nicotine). Opvallend: deze factor hangt genetisch relatief sterk samen met internalizing. Dat past bij het herkenbare patroon dat middelen soms worden ingezet als zelfmedicatie – zonder dat de studie zegt “dit veroorzaakt dat”. Het is eerder: bij sommige mensen liggen de routes naar stress én naar middelengebruik dichter bij elkaar op de kaart.

Dit zijn patronen in grote groepen, geen etiketten voor individuen. Je kunt kenmerken uit meerdere ‘routes’ herkennen, of uit geen van allen. Genen zijn een kwetsbaarheid, geen lotsbestemming.

Waar autisme in dit plaatje valt (en waarom AuDHD zo logisch voelt)

Autisme valt in deze studie vooral onder de Neurodevelopmental factor, samen met ADHD (en Tourette wat zwakker). Dat betekent niet dat iedereen met autisme “ook ADHD moet hebben”. Het betekent wél: als je puur naar veelvoorkomende genetische varianten kijkt, dan delen autisme en ADHD een deel van de onderliggende genetische kwetsbaarheid.

Dat helpt om AuDHD iets minder mysterieus te maken. Als twee diagnoses deels op dezelfde genetische snelweg zitten, dan krijg je vaker combinaties. In de praktijk zie je dan mensen met autisme die ook aandacht-/impulsproblemen herkennen, of mensen met ADHD die óók autisme-kenmerken ervaren (bijvoorbeeld op het gebied van prikkelverwerking, routines en sociale informatieverwerking).

Tegelijk blijft er genoeg verschil over. Dit onderzoek laat namelijk óók zien dat een deel van de genetische variantie per diagnose niet in die vijf factoren past.

Hoeveel is gedeeld, en hoeveel blijft uniek?

De factoren verklaren veel, maar niet alles.

  • De mediane (middelste) hoeveelheid “overblijvende” genetische variantie die niet door de factoren wordt verklaard, ligt op 33,5%.
  • Tourette springt eruit als relatief uniek: 87% van de genetische variantie bleef daar onverklaard door de factoren.

Met andere woorden: het model vangt een groot deel van de gedeelde structuur, maar sommige diagnoses houden een stevige eigen genetische handtekening.

Eén ‘algemene kwetsbaarheid’ boven alles?

De onderzoekers testten ook een hiërarchisch model met een hogere “p-factor”: een soort overkoepelende factor die gedeelde kwetsbaarheid voor psychopathologie samenvat. In dat model laadde de Internalizing factor (depressie/PTSS/angst) het sterkst op die p-factor (0,95), terwijl de andere vier factoren middelmatige ladingen hadden (ongeveer 0,50–0,63).

Dat past bij een intuïtief idee: er bestaat een brede, algemene kwetsbaarheid (bijvoorbeeld richting negatieve emotie en stressgevoeligheid), en daarbovenop bestaan er meer specifieke “routes” zoals neuroontwikkeling of middelengebruik.

De studie koppelt die p-factor ook aan genetische verbanden met brede kenmerken zoals neuroticisme, stressgevoeligheid en eenzaamheid, en beschrijft dat dit aansluit bij het idee van p als een algemene neiging tot negatieve emotionaliteit.

Maar: de p-factor was niet het hele verhaal. De onderzoekers zagen juist veel signalen dat je die vijf factoren nodig houdt om verschillen tussen subdomeinen goed te begrijpen. Bijvoorbeeld: in het p-factor model vonden ze méér signalen die niet netjes in dat ene overkoepelende plaatje pasten (een aanwijzing dat “alles op één hoop” belangrijke verschillen wegdrukt).

Waarom de internalizing- en middelenfactor zo dicht bij elkaar zitten

Een opvallend resultaat: de Internalizing factor en de SUD-factor hingen het sterkst samen (genetische correlatie rg = 0,60).

Dat klinkt heftig, maar in het dagelijks leven herkennen veel mensen dit patroon: wie lang met angst of depressieve klachten worstelt, kan meer risico lopen op middelengebruik als “zelfmedicatie”. Andersom kunnen middelen ook angst en stemming ontregelen. Dit onderzoek zegt niet dat het één het ander veroorzaakt, maar laat wel zien dat er gedeelde genetische kwetsbaarheid bestaat die beide kanten op kan werken.

Van ‘gen’ naar ‘brein’

Een valkuil bij genetische studies: je vindt overlap, maar je blijft zitten met de vraag “oké… en wat dóét dat dan in het brein?” De onderzoekers probeerden dat gat te dichten met functionele analyses. Twee bevindingen krijgen veel nadruk:

  • De SB-factor (schizofrenie/bipolair) liet duidelijke verrijking zien in genetische signalen die samenhangen met genexpressie in excitatoire neuronen, onder andere in hippocampus-gebieden (CA1/CA3) en in ontwikkelingsdata.
  • De Internalizing factor hing juist sterker samen met glia-achtige cellen, vooral oligodendrocyten en voorlopercellen daarvan.

Daarnaast vonden ze aanwijzingen dat breed gedeelde genetische signalen (meer “transdiagnostisch”) vaak wijzen richting vroege neurobiologische processen, zoals processen die te maken hebben met neurale voorlopercellen.

Wat je hier vooral uit mag halen: ze zien niet één “depressiegen” of één “autismegen”. Ze zien eerder patronen die wijzen op typen hersencellen en ontwikkelingsmomenten waarin risico zich kan opstapelen.

Plekken in het genoom die veel diagnoses raken

De paper beschrijft ook regionale analyses: stukken DNA waar meerdere diagnoses tegelijk “meebewegen”. Ze vonden 101 regio’s met gecorreleerde effecten, inclusief een hotspot op chromosoom 11 met associaties voor 8 diagnoses.

In die hotspot noemen ze onder andere het NCAM1–TTC12–ANKK1–DRD2 cluster, dat vaker in verband is gebracht met uiteenlopende psychiatrische uitkomsten en ook met dingen als middelengebruik en slaap.

Voor de liefhebber (maar je hoeft het niet te zijn): dit soort hotspots laat zien waarom “diagnose X versus diagnose Y” soms een beetje voelt alsof je twee Spotify-playlists vergelijkt die voor 70% dezelfde nummers hebben, maar net een andere volgorde en sfeer.

Wat betekent dit voor mensen met autisme?

Je krijgt niet morgen een andere diagnose op basis van deze studie. Maar je kunt er wel drie praktische inzichten uit halen.

Ten eerste: comorbiditeit is niet “onhandig toeval” of “je stelt je aan”. Een deel van samenhang tussen autisme, ADHD, angst, depressie en middelenproblemen past bij gedeelde kwetsbaarheden.

Ten tweede: geïntegreerde zorg loont. Als autisme vaak samenloopt met internalizing-klachten of ADHD-kenmerken, dan helpt het als zorgprofessionals niet in losse hokjes blijven denken. De paper benadrukt juist dat huidige diagnostische grenzen botsen met genetische overlap, en dat de bevindingen kunnen bijdragen aan een “neurobiologisch zinvollere” indeling.

Ten derde: het blijft maatwerk. Ook al zie je gedeelde factoren, er blijft per diagnose en per persoon een mix van gedeeld en uniek risico. Dat zie je ook terug in de flinke restvariantie die het model niet vangt.

Als je dit vertaalt naar het dagelijks leven met autisme: jouw profiel kan heel neurodevelopmental zijn (autisme + ADHD), maar óók internalizing (autisme + angst/depressie), of een combinatie. Je brein trekt zich weinig aan van beleidsmatige schotten.

Wat je niet uit dit onderzoek moet concluderen

Dit soort genetische kaarten zijn krachtig, maar ze hebben grenzen. De auteurs noemen er meerdere:

  • De analyses draaiden vooral op EUR-like datasets, omdat er nog te weinig grote datasets bestaan voor andere groepen.
  • De resultaten buiten EUR-like groepen zijn vaak onderpowered, dus je kunt niet zomaar aannemen dat elk detail wereldwijd hetzelfde werkt.
  • Genetische overlap betekent niet dat diagnoses “nep” zijn. Diagnoses blijven nuttig voor zorg en communicatie. Dit onderzoek zegt vooral: de natuur houdt zich niet strak aan onze labels.

Ook belangrijk: genen zijn geen lot. Genetisch risico is een kwetsbaarheid, geen voorspelling. Omgeving, stress, slaap, trauma, steun, behandeling en toeval spelen óók mee.

Grotzinger, A. D., Werme, J., Peyrot, W. J., Frei, O., et al. (2026). Mapping the genetic landscape across 14 psychiatric disorders. Nature, 649, 406–?. https://doi.org/10.1038/s41586-025-09820-3

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.