Het darmmicrobioom bij eeneiige tweelingen met autisme

Twee kinderen groeien tegelijk op, in hetzelfde gezin, met dezelfde ouders, dezelfde keuken, dezelfde huisdieren en meestal ook hetzelfde dagritme. En dan zijn het óók nog eens eeneiige tweelingen, dus genetisch bijna kopieën.

Toch kan autisme zich bij de ene twin duidelijk zwaarder uiten dan bij de ander. Meer moeite met sociale afstemming, meer herhaling en rigiditeit, meer vastlopen. Dat is interessant, maar ook een beetje raar want als de genen (bijna) gelijk zijn, hoe kan dat dan?

Een plek waar onderzoekers de laatste jaren steeds vaker naar kijken is de darm. Niet omdat autisme “in de darmen zit”, maar omdat je darmen vol leven zitten. En dat leven, je microbioom, maakt stoffen aan, traint je immuunsysteem, praat mee over ontstekingsreacties, beïnvloedt je stofwisseling en staat in verbinding met je zenuwstelsel. Het is geen afstandsbediening van je brein, maar eerder een extra kanaal dat soms net hard genoeg ruis geeft om een verschil te maken.

In een recente studie keken onderzoekers bij eeneiige tweelingen met autisme of het microbioom anders is wanneer autisme zich bij de ene twin zwaarder uit dan bij de ander. En ze gingen nóg een stap verder: niet alleen “welke bacteriën zitten erin?”, maar ook “wat zou dit microbioom functioneel kunnen doen?”

De darm-hersen-as

Het woord darm-hersen-as klinkt voor sommigen alsof je quinoa moet gaan knabbelen in een meditatiekring. Maar het idee is eigenlijk heel nuchter. Je darmen:

  • bevatten miljoenen zenuwcellen (enorm veel communicatie richting je brein via onder andere de nervus vagus),
  • vormen een belangrijke barrière tussen “buitenwereld” en je lichaam,
  • zijn een trainingsruimte voor je immuunsysteem,
  • hebben een microbioom dat stoffen kan produceren of afbreken (bijvoorbeeld korte-keten vetzuren uit vezels).

En je brein reageert op signalen uit je lichaam. Op ontstekingsstoffen, op stresshormonen, op slaap, op voeding, op pijn. Als je autisme hebt en je prikkelverwerking is al gevoelig, dan kan gedoe in het lichaam extra hard binnenkomen. Niet als oorzaak van autisme, maar als versterker van hoe zwaar iets voelt, hoe snel je overloopt en hoe lang je nodig hebt om te herstellen.

Waarom eeneiige tweelingen zo’n slim onderzoeksmodel zijn

Het grote probleem in microbioomonderzoek is ruis. Iedereen eet anders, slikt andere medicatie, leeft anders, slaapt anders, heeft een andere geschiedenis met infecties, stress, roken, alcohol, enzovoort. Dus als je “groep A” met “groep B” vergelijkt dan zie je vooral verschillen in leefwijze.

Eeneiige tweelingen halen een hoop van die ruis weg. Je houdt nog steeds verschillen over (want het zijn twee mensen, geen klonen), maar je staat veel sterker als je zoekt naar factoren die naast genen bijdragen aan verschillen in gedrag en functioneren.

In deze studie werden tweelingen geselecteerd waarbij minstens één twin autisme had. Vervolgens keken de onderzoekers binnen elk tweelingpaar wie hoger scoorde op autisme-ernst en wie lager. Zo ontstonden twee groepen: de “hogere ernst”-twin en de “lagere ernst”-twin.

Hoe het onderzoek werd opgezet

De deelnemers waren eeneiige tweelingen van 2 tot 6 jaar oud. Uiteindelijk bleven 19 tweelingparen over (38 kinderen), omdat één paar afviel door een fecesmonster van te lage kwaliteit. De diagnose autisme werd klinisch gesteld volgens de DSM-5. De ernst werd gemeten met de Childhood Autism Rating Scale (CARS). Daarnaast werd ook de ADI-R afgenomen (een uitgebreide ouderinterview-vragenlijst die veel in autismeonderzoek wordt gebruikt).

Kinderen die in de drie maanden vóór deelname antibiotica, probiotica of andere “darm-regulerende” middelen hadden gebruikt, werden uitgesloten. De onderzoekers analyseerden vervolgens de ontlasting.

De totale diversiteit was ongeveer gelijk

Als je aan microbioom denkt, hoor je vaak: meer diversiteit = beter. Maar in dit onderzoek zat het verschil niet in “hoeveel soorten” of “hoe rijk” het geheel was.

De alfa-diversiteit (een maat voor diversiteit binnen een monster) verschilde niet betekenisvol tussen de hogere-ernst en lagere-ernst groep. Met andere woorden: de darmflora van de kinderen met zwaarder autisme was niet simpelweg “armer” of “minder divers”.

Dat is interessant, omdat het je dwingt om anders te kijken. Het gaat blijkbaar niet om een leeggelopen ecosysteem, maar om een andere mix: Twee afspeellijsten kunnen even lang zijn en evenveel artiesten hebben, maar tóch compleet anders klinken. De ene is vooral rustige ambient. De andere is snelle hardcore. Zelfde lengte, andere beleving.

De samenstelling verschoof

Hoewel de totale diversiteit vergelijkbaar was, zagen de onderzoekers wel aanwijzingen dat de samenstelling van het microbioom anders lag tussen de hogere-ernst en lagere-ernst groep. In hun analyses zagen ze een scheidingstendens tussen de groepen: niet keihard “twee eilanden”, maar wel genoeg om te denken: hier speelt iets. Vervolgens gingen ze inzoomen op specifieke bacteriegroepen.

  • Met een strengere correctie voor “we testen heel veel tegelijk” bleef vooral één genus overeind als statistisch verschil: Alloprevotella.
  • Met een andere methode (LEfSe, die kijkt naar welke taxa het beste “onderscheid” maken tussen groepen) kwam Porphyromonas naar voren als genus dat vooral in de hogere-ernst groep meer aanwezig was.

Alloprevotella en Porphyromonas

Alloprevotella hoort bij een grotere familie van bacteriën die vaak gekoppeld worden aan slijmvlies, immuunreacties en metabole processen. Wat dat precies betekent in autisme is nog onduidelijk. Het kan iets zeggen over voeding, over vezelverwerking, over de darmbarrière, over ontstekingsreacties… maar het kan ook gewoon een “meeloper” zijn die meebeweegt met iets anders (bijvoorbeeld selectief eten).

Porphyromonas is bekender uit een andere context: sommige soorten komen veel voor bij tandvleesontstekingen. Maar bacteriën reizen niet netjes met een paspoort; wat in je mond leeft, kan soms ook in je darmprofiel opduiken of gekoppeld zijn aan ontstekingsprocessen. De onderzoekers speculeren dat een hogere hoeveelheid Porphyromonas bij de hogere-ernst groep mogelijk samenhangt met meer laaggradige ontstekingsactiviteit.

Dat is geen bewijs van oorzaak. Je kunt het immers ook andersom lezen: kinderen die zwaarder vastlopen hebben vaker stress, slechtere slaap, selectiever eten, meer buikklachten, meer medicatie in de geschiedenis, andere mondhygiëne, enzovoort. Al die dingen kunnen óók het microbioom beïnvloeden.

Toch is het patroon interessant, omdat het niet gaat om “één autisme-bacterie”, maar om een verschuiving die past bij een bredere hypothese: dat immuunactiviteit, barrièrefunctie en stofwisseling soms bijdragen aan hoe zwaar autisme in het dagelijks leven uitpakt.

Wat zou dit microbioom doen?

De studie keek niet alleen naar bacterienamen, maar voorspelde ook functionele verschillen. Ze gebruikten hiervoor een methode die op basis van 16S-profielen inschat welke genfuncties waarschijnlijk meer of minder aanwezig zijn.

Dat is geen directe meting van echte activiteit. Het is alsof je een foto van een werkplaats ziet en op basis daarvan schat welke klussen er gedaan kunnen worden. Zie je veel zagen en schuurmachines, dan denk je: hier wordt houtbewerking gedaan. Maar je weet niet of ze vandaag wel of niet gaan zagen. Met die kanttekening vonden de onderzoekers verschillen in functies die te maken hebben met:

  • koolhydraatverwerking en transport (dus: omgaan met complexe suikers en vezels),
  • onderdelen van bacteriële celwand en onderhoud,
  • stressresponsen en regulatiesystemen.

Er werden verschillen beschreven in genfuncties rond transport van bepaalde oligosachariden (raffinose/stachyose/melibiose). In de samenvatting van het artikel staat dat deze functies bij de hogere-ernst groep lager uitkwamen (minder “capaciteit” voor prebiotische koolhydraten). In een later deel van de resultatentekst staat juist dat ze hoger zouden zijn. Het artikel zelf geeft daar dus gemengde signalen. Maar de conclusie van de auteurs blijft consistent: bij de hogere-ernst groep zien ze een functioneel profiel dat wijst op minder gunstige metabole balans en meer verstoring in processen rond koolhydraatmetabolisme en regulatie.

Het microbioom lijkt mee te bewegen met hoe zwaar autisme zich uit en dat is het onderzoeken waard.

Anders gezegd: Als autisme zwaarder uitpakt, lijkt het microbioom niet zozeer “kleiner” of “minder divers”, maar anders ingericht. En die inrichting lijkt (volgens voorspellingen) samen te hangen met hoe bacteriën omgaan met voeding (vooral complexere koolhydraten/vezels) en met stress/onderhoud.

Van voeding naar signalen in het lichaam

Als je nu denkt: oké, maar wat zou dat in het echte leven kunnen betekenen? Dan kom je uit bij een paar routes die we vaker in onderzoek tegenkomen:

  • Selectief eten en weinig vezels: Veel mensen met autisme eten selectiever, vaak met sterke voorkeuren voor voorspelbare texturen, smaken en “veilig” eten. Dat kan betekenen: minder variatie, minder vezels, minder groente/fruit, soms meer ultrabewerkt eten. En vezels zijn juist voer voor bacteriën die korte-keten vetzuren maken.
  • Darmklachten en stress: Buikpijn, obstipatie, diarree, reflux: het komt relatief vaak voor bij autisme. Buikpijn is niet alleen “vervelend”, het is ook een continue prikkel. Als je brein al moeite heeft met filteren, kan zo’n interne prikkel je hele dag kleuren. Stress beïnvloedt vervolgens weer darmbeweging, immuunactiviteit en microbioom.
  • Ontstekingsactiviteit en barrières: Een darmbarrière die geïrriteerd is kan meer signaalstoffen doorlaten. Bij sommige mensen kan meer ontstekingsactiviteit bijdragen aan vermoeidheid, slechter slapen, meer pijngevoeligheid en meer overprikkeling.

    Deze studie bewijst die keten niet. Maar hij past wel in het idee dat autisme niet alleen “in het hoofd” wordt beleefd. Het is een hele lichaamservaring.

    Wat je absoluut niet uit dit onderzoek mag concluderen

    Microbioomonderzoek is berucht om al te enthousiaste headlines.

    • Dit onderzoek laat geen oorzaak zien. Het laat verbanden zien tussen ernst van autisme en microbioomkenmerken.
    • Het gaat om jonge kinderen (2-6 jaar) in China. Je kunt dit niet één-op-één vertalen naar kinderen en/of volwassenen in Nederland of België.
    • 16S-sequencing geeft een globaal profiel. Je ziet geen virussen, geen schimmels, en je meet niet direct metabolieten (zoals korte-keten vetzuren) die juist interessant zijn.
    • De groepen zijn klein (19 vs 19). Dat is al heel wat voor tweelingonderzoek, maar blijft kwetsbaar voor toeval en overschatting.

    Je kunt hier dan ook niet uit halen dat je autisme “minder ernstig” kunt maken door simpelweg een probioticum te slikken. En je kunt al helemaal niet zeggen: Porphyromonas is de boosdoener. Wat je wél kunt zeggen: het microbioom lijkt mee te bewegen met hoe zwaar autisme zich uit en dat is het onderzoeken waard.

    Volwassenen met autisme

    Het microbioom bij volwassenen wordt nog sterker beïnvloed door leefstijl: werkstress, slaap, alcohol, medicatie (bijvoorbeeld antidepressiva), beweging, chronische aandoeningen, en natuurlijk voeding. Dat maakt het ingewikkelder, maar ook praktischer: er zijn meer knoppen waar je aan kúnt draaien. Bij volwassenen met autisme zie je vaak combinaties die relevant zijn voor de darm:

    • prikkelgevoeligheid en stress die doorslaat in buikklachten,
    • selectief eten dat jarenlang stabiel is gebleven,
    • slaapproblemen (en slaap beïnvloedt immuunprocessen),
    • AuDHD, waarbij onregelmaat en impulsiviteit soms samen gaan met onregelmatig eten of “eerst vergeten, dan snacken”.

    Dat betekent niet dat het microbioom “de oplossing” is. Maar het betekent wel dat buikklachten en voeding geen bijzaak zijn. Als je lichaam structureel onrustig is, wordt je brein daar niet kalmer van.

    Sommige antidepressiva kunnen darmbacteriën direct remmen. Niet zoals echte antibiotica, maar wel genoeg om het evenwicht een zetje te geven. Het gevolg: bepaalde bacteriesoorten nemen af, andere krijgen meer ruimte. Je microbioom kan daardoor verschuiven.

    Verder veranderen antidepressiva soms het darmmilieu. Ze kunnen de darmbeweging sneller of juist trager maken. En dat is belangrijk, want je microbioom houdt van voorspelbaarheid. Als voedselresten langer blijven hangen, krijgen andere bacteriën de kans om mee te eten dan wanneer alles sneller door je darmen gaat. Ook serotonine speelt hier een rol: een groot deel van je serotoninehuishouding zit in de darmen, en vooral SSRI’s grijpen daar indirect op in.

    Het is lastig om in onderzoek het effect van de medicatie los te zien van het effect van depressie, stress en slaap. Die beïnvloeden je darmen namelijk óók. Iemand die door antidepressiva beter slaapt en minder stress ervaart, kan juist een gunstiger darmpatroon krijgen, terwijl iemand die bijwerkingen heeft (zoals diarree) al dan niet tijdelijk de andere kant op gaat.

    Krijg je nieuwe buikklachten na start of dosisverhoging, bespreek het met je arts. Stop niet op eigen houtje “voor je microbioom”. Vaak worden bijwerkingen minder na een paar weken en soms helpt een ander middel of een andere dosering. En zoals bijna altijd geldt: kleine, haalbare aanpassingen in ritme en voeding doen vaak meer dan grote microbioom-beloftes.

    Nederland en België

    Microbioom als onderwerp trekt ook mensen aan die houden van extreme plannen. Drie weken alleen kefir, daarna een streng eliminatiedieet, daarna supplementen ter waarde van een maand huur. Dat is zelden nodig en soms ronduit riskant, zeker als je al kwetsbaar bent voor eetproblemen. Wat wél realistisch is, zeker bij autisme:

    • Begin bij klachten, niet bij theorie: Als je geen buikklachten hebt en je energie is oké, dan is “optimaliseren” vaak vooral stress toevoegen. Heb je wel klachten (buikpijn, obstipatie, diarree, winderigheid, reflux), dan is het wél logisch om het lichaam serieuzer te nemen.
    • Maak verandering klein en voorspelbaar: Bij autisme werkt “klein, consequent en testbaar” meestal beter dan “radicaal en vaag”. Denk aan één aanpassing per keer, twee weken lang, en dan kijken wat er gebeurt.
    • Vezels opbouwen, niet in één klap erin gooien: Meer vezels kan helpen, maar te snel verhogen kan juist meer buikpijn en gas geven. Begin bijvoorbeeld met één extra vezelbron per dag (havermout, peulvruchten in kleine portie, volkoren, groenten die je verdraagt) en bouw rustig op.
    • Ritme is vaak belangrijker dan perfectie: Darmen houden van ritme. Als je vaak vergeet te eten en dan ’s avonds veel ineens, kan dat klachten versterken. Een stabieler eetritme kan soms al verschil maken, ook zonder “gezondheidsrevolutie”.
    • Schakel hulp in als het ingewikkeld wordt: In Nederland kun je via de huisarts een diëtist of MDL-zorg inschakelen. In België loopt dat via huisarts/specialist en een diëtist, afhankelijk van je situatie en terugbetaling. Zeker bij langdurige obstipatie, bloed bij ontlasting, onverklaarbaar gewichtsverlies, extreme vermoeidheid of heftige buikpijn: niet zelf blijven rommelen.

    Microbioom-vragen

    • Is er één autisme-bacterie? Nee. Autisme is geen infectieziekte. Hoogstens zie je patronen en verschuivingen die met lichaam en gedrag meebewegen.
    • Vertelt een commerciële ontlastingstest je precies wat je nodig hebt? Meestal niet. Je krijgt vaak mooie grafieken, maar weinig harde, klinische interpretatie die bewezen helpt.
    • Zijn probiotica altijd goed? Soms kunnen ze helpen bij specifieke klachten, soms doen ze niets, soms maken ze klachten erger. Zeker bij prikkelbare darm of sterke gevoeligheid is voorzichtigheid verstandig.

    Wat dit onderzoek vooral toevoegt

    De kracht van deze studie zit niet in “de perfecte conclusie”, maar in de aanpak:

    • Eeneiige tweelingen beperken ruis door genetische en gezinsfactoren.
    • De onderzoekers zagen geen verschil in totale diversiteit, maar wel in samenstelling.
    • Er kwamen specifieke genera naar voren (Alloprevotella en Porphyromonas) die mogelijk iets zeggen over barrières en ontstekingsroutes.
    • Er zijn aanwijzingen dat functionele profielen (koolhydraatmetabolisme/transport, regulatie, stressrespons) verschillen bij hogere autisme-ernst.

    Dat alles samen ondersteunt een idee dat veel mensen met autisme al lang intuïtief kennen: als je lichaam uit balans is, wordt autisme zwaarder. Niet omdat autisme “door de darm komt”, maar omdat je lichaam en brein één systeem zijn.

    Huang, Y.-Y., Li, C.-Y., Li, Y., Fang, H., & Ke, X.-Y. (2026). Characteristics and functions of the gut microbiome in monozygotic twins with autism spectrum disorders of varying severity. World Journal of Psychiatry, 16(2), 111012. https://doi.org/10.5498/wjp.v16.i2.111012

    Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.