Maar jij hebt toch autisme, dan heb je zeker weinig empathie?

Als je autisme hebt, heb je die zin waarschijnlijk vaker gehoord dan je lief is. En het irritante is: hij klinkt voor buitenstaanders logisch. Autisme gaat vaak samen met sociale misverstanden. Dus: weinig empathie. Klaar.

Alleen… zo simpel werkt het niet. Empathie is geen aan/uit-knop. Het is eerder een mengpaneel met minstens twee schuifjes. En precies daar zit voor veel mensen met autisme de crux: niet per se te weinig empathie, maar een ander evenwicht.

Onderzoekers keken naar dat evenwicht: wanneer “snappen wat iemand voelt” en “meevoelen” niet lekker in balans zijn. Dat noemen onderzoekers empathische disbalans (in het Engels empathic disequilibrium). En dat idee is verrassend bruikbaar om de empathie-mythe rond autisme te ontrafelen.

Twee smaken empathie

Empathie wordt in onderzoek vaak opgesplitst in twee onderdelen:

  • Cognitieve empathie: je kunt (redelijk) goed inschatten wat iemand anders voelt en waarom. Je leest de situatie, de gezichtsuitdrukking, de context. Je denkt: aha, dit is verdriet, of schaamte, of spanning.
  • Affectieve empathie: je voelt iets mee. Niet per se dezelfde emotie, maar je lichaam reageert: je krijgt een brok in je keel, je hartslag schiet omhoog, je voelt onrust of spanning als je iemand ziet huilen.

Veel mensen denken bij empathie vooral aan het tweede: meevoelen. Maar in het dagelijks leven heb je ze allebei nodig. Als je alleen meevoelt zonder te snappen wat er speelt, kun je overspoeld raken. Als je alleen snapt zonder mee te voelen, kom je over als koel of afstandelijk.

OnderdeelWat is het?Voorbeeld in het dagelijks levenWaar kan het misgaan?
Cognitieve empathieSnappen wat iemand voelt en waaromJe ziet dat iemand kortaf doet en denkt: die is overprikkeld of gestrestJe mist hints, sarcasme, verborgen agenda’s of context
Affectieve empathieMeevoelen; je lichaam reageert op de emotie van de anderJe krijgt een brok in je keel als je iemand ziet huilenJe raakt overspoeld, klapt dicht, vermijdt contact of wordt gespannen

Bij autisme zie je regelmatig dat die twee schuifjes niet gelijk oplopen.

Empathische disbalans

De onderzoekers in de studie waarop dit artikel leunt keken niet alleen naar “hoe empathisch is een kind gemiddeld?”, maar vooral naar het verschil tussen de twee vormen. Heel simpel gezegd:

  • Als affectieve empathie hoger is dan cognitieve empathie, dan is er affectieve dominantie: het kind voelt veel, maar snapt minder goed wat die gevoelens bij de ander betekenen.
  • Als cognitieve empathie hoger is dan affectieve empathie, dan is er cognitieve dominantie: het kind snapt het wel, maar voelt minder mee.

Disbalans betekent niet automatisch “weinig”. Het betekent: de twee schuifjes staan niet gelijk. En dat kan verschillende effecten hebben, afhankelijk van hoe groot het verschil is en in welke situaties het optreedt.

Callous-unemotional (CU)

Callous-unemotional (CU) is een Engelse term die je in onderzoek en jeugdhulp regelmatig tegenkomt. Letterlijk betekent het iets als “hard en emotioneel ongevoelig” en gaat over een patroon van kenmerken waarbij iemand minder lijkt te reageren op emoties van anderen en minder last lijkt te hebben van schuld of spijt. Het is een beschrijving van gedrag en emotionele signalen, niet automatisch een oordeel over iemands karakter.

Onderzoekers doelen vaak op drie dingen die samen kunnen voorkomen (maar niet altijd allemaal).

  • Weinig schuld of spijt: Na iets doen wat een ander pijn doet: weinig zichtbaar berouw, weinig “ik voel me rot”-signalen.
  • Weinig betrokkenheid bij het welzijn van anderen: Minder “mee” zijn met hoe het met iemand gaat, of weinig motivatie om te troosten of te helpen.
  • Emoties lijken vlak of ‘uit’: Minder expressie van gevoelens, minder ontroering, minder zichtbare stress bij nare gebeurtenissen.

Als gedrag op CU lijkt, maar er iets anders speelt

Bij autisme (en ook bij AuDHD) kan gedrag soms op CU lijken, terwijl er iets anders speelt. Bijvoorbeeld:

  • Iemand toont weinig emotie, maar voelt wél veel vanbinnen (alleen: je ziet het niet).
  • Iemand reageert “koel” omdat het brein nog bezig is met verwerken, niet omdat het niets doet.
  • Iemand lijkt onverschillig omdat prikkels, stress of vermoeidheid alles dempen.

Daarom is het verstandig om CU niet te snel te plakken op basis van één indruk. In onderzoek kijk je naar patronen over tijd en in meerdere situaties. In het echte leven helpt het vooral om te vragen: wat gebeurt er vanbinnen, wat is de context en wat maakt dit gedrag waarschijnlijk?

Wat onderzoek bij jonge kinderen laat zien

Ouders van 163 kinderen van 4 tot 10 jaar vulden vragenlijsten in over kenmerken van autisme, callous-unemotional en cognitieve en affectieve empathie.

Wat bleek?

  • Bij meer kenmerken van autisme zag je vaker affectieve dominantie. Met andere woorden: relatief meer meevoelen dan kunnen plaatsen/duiden. De onderzoekers zagen geen duidelijke link tussen “totaal empathisch zijn” en kenmerken van autisme, maar wél tussen het evenwicht en kenmerken van autisme.
  • Bij hogere CU-kenmerken zagen ze juist minder disbalans én lagere empathie in het algemeen. Dit is interessant, want je zou kunnen denken: CU-kenmerken = weinig affectieve empathie, maar misschien nog wel cognitieve empathie (snappen zonder meevoelen). In deze studie leek het anders: zowel affectieve dominantie als cognitieve dominantie hing samen met juist lagere CU-kenmerken. En hogere CU-kenmerken hingen samen met gemiddeld lagere empathie.
  • Leeftijd en sekse speelden hier nauwelijks een rol. In deze leeftijdsgroep (4–10 jaar) vonden ze geen duidelijke sekseverschillen in deze patronen, en leeftijd verklaarde maar weinig in empathische disbalans.

En nog iets: kenmerken van autisme en CU-kenmerken hingen in dit onderzoek positief samen. Dat betekent niet dat ze “hetzelfde” zijn, maar wel dat ze in sommige kinderen samen kunnen voorkomen. De auteurs noemen dit in de literatuur vaak het idee van een double hit: twee profielen die elkaar kunnen overlappen, maar niet samenvallen.

Overweldigd raken: Als je lichaam eerder reageert dan je hoofd kan volgen

Stel je dit voor: iemand vertelt dat hij een nare brief van de gemeente heeft gekregen. Jij ziet meteen spanning in het gezicht, hoort de trilling in de stem, voelt de onrust in de kamer. Je lichaam “pakt” het op. Je wordt zelf ook gespannen. Maar tegelijk lukt het minder om razendsnel te duiden: Is dit vooral angst? Schaamte? Boosheid? Wil die persoon troost, praktisch advies, rust, grapjes, stilte?

Als je autisme hebt en die cognitieve puzzel kost je net wat meer tijd, kan er een vreemd effect ontstaan:

  • Van binnen gaat het volume omhoog (meevoelen).
  • Van buiten gaat de expressie omlaag (je klapt dicht, je bevriest, je kijkt weg, je gaat heel rationeel praten, of je loopt letterlijk weg).

Voor de ander kan dat lijken op “geen empathie”. Maar ondertussen reageert je lichaam juist heel sterk. Dit is precies het soort misverstand dat empathische disbalans begrijpelijk maakt.

Autisme en CU-kenmerken kunnen samen voorkomen

Dat kenmerken van autisme en CU-kenmerken in het onderzoek samenhingen, betekent niet dat autisme “een route naar kilheid” is. Het betekent vooral: in een deel van de populatie zie je overlap in gedragskenmerken zoals sociale moeite, misverstanden en emotionele afstemming.

En juist daarom is het nuttig om niet te snel te roepen: “autisme = weinig empathie.” Want dan stop je twee totaal verschillende routes in dezelfde doos:

  • Route A (vaak herkenbaar bij autisme): veel voelen, maar het sociale duiden gaat stroever of trager, waardoor gedrag aan de buitenkant koel kan lijken.
  • Route B (meer passend bij hogere CU-kenmerken): gemiddeld minder empathie, en minder emotionele betrokkenheid.

In begeleiding en opvoeding maakt dat verschil enorm uit. Bij route A help je iemand vooral met vertalen, structureren, ontprikkelen, en tijd geven. Bij route B gaat het eerder om het ontwikkelen van prosociaal gedrag, grenzen en consequenties, en soms intensieve behandeling als er ook gedragsproblemen spelen.

Leeftijd en sekse

In populaire verhalen zie je vaak: meisjes voelen meer mee, jongens zijn rationeler, en empathie groeit vanzelf met de leeftijd.

Empathie ontwikkelt inderdaad, maar niet altijd gelijkmatig. Affectieve empathie is vaak vroeg aanwezig. Cognitieve empathie ontwikkelt later en hangt meer samen met leren, sociale ervaring en executieve functies (plannen, perspectief nemen, remmen).

In de studie zagen de onderzoekers in deze specifieke leeftijdsgroep geen duidelijke sekseverschillen in het patroon. Dat zegt niet dat sekse nooit uitmaakt, maar wel: verwacht geen simpele “jongens zo, meisjes zo”-regel in hoe empathie en autisme samenhangen.

Wat je met dit inzicht kunt

Als je dit idee van empathische disbalans eenmaal ziet, vallen er vaak kwartjes. Zeker bij autisme. Een praktische vertaling is: stop met “meer empathie aanleren” alsof het één ding is. Ga kijken welk schuifje vooral moeite kost. Als je autisme hebt (of met autisme werkt), kunnen deze strategieën helpen:

  • Geef meer context, minder hints: Veel miscommunicatie komt niet door onwil, maar door te weinig informatie. Zeg dus liever: “Ik ben van slag en ik wil even dat je luistert” dan: “Laat maar…”
  • Maak keuzes expliciet: Vraag niet: “Wat vind jij?” als je eigenlijk bedoelt: “Kun je me troosten?” Zeg liever: “Ik heb nu troost nodig” of “Ik wil even praktisch advies.”
  • Zet een pauzeknop in gesprekken: Als je merkt dat je lichaam al op 80% staat (spanning, onrust, dichtklappen): pauze. Even drinken halen. Even adem. Even een minuut stilte. Dat is geen ongeïnteresseerdheid. Dat is onderhoud aan je zenuwstelsel.
  • Normaliseer “later terugkomen”: Sommige mensen met autisme reageren pas empathisch “op tijdvertraging”. Niet omdat ze later pas gaan geven om je, maar omdat het verwerken langer duurt. Zeg gerust: “Ik ben nu wat stil, maar ik denk erover na en ik kom er straks op terug.”
  • Let op overprikkeling: Als affectieve empathie hoog staat, kan emotionele input ook prikkelinput zijn. Dan helpt het om prikkelbronnen te verminderen (drukke omgeving, meerdere mensen, harde geluiden) als je een gevoelig gesprek hebt. Voor ouders en leerkrachten is dit vaak de grootste shift: niet “hij geeft niet om mij”, maar “zijn lichaam voelt veel, en het snappen/plaatsen loopt achter of kost extra moeite”.

Kritische noot

Belangrijke beperkingen die de auteurs zelf noemen:

  • Alles kwam van ouderrapportage. Dat is nuttig, maar ouders zien niet alles, en hun interpretatie kleurt mee. Bovendien kan “zelfde bron”-bias relaties tussen schalen groter laten lijken.
  • Het ging om een community-sample (geen klinische diagnoses). De resultaten zeggen dus niet automatisch iets over kinderen met een formele diagnose autisme of kinderen met ernstige gedragsproblemen.
  • Ze gebruikten totaalscores. Dat kan subtypen verbergen: iemand kan bijvoorbeeld hoog scoren op “uncaring” maar niet op “unemotional”, of andersom.

Tot slot

Als je één zin uit dit verhaal zou meenemen, laat het dan deze zijn: Bij autisme is empathie vaak niet afwezig, maar anders verdeeld.

Soms voelt iemand met autisme veel, maar kost het meer tijd en energie om dat gevoel te vertalen naar “wat heeft de ander nu nodig?” En als die vertaling te langzaam gaat, kan het gedrag aan de buitenkant afstandelijk lijken. Empathische disbalans is daarmee geen stempel, maar een bruikbaar model: het haalt de morele lading weg (“je bent koud”) en vervangt die door iets praktisch (“welk schuifje heeft hulp nodig?”). En dat is precies het soort uitleg waar mensen met autisme, hun omgeving én hulpverlening meestal iets aan hebben.

  • Georgiou, G., Shalev, I., Fanti, K. A., & Uzefovsky, F. (2026). Empathic disequilibrium in autistic traits and CU traits: Investigating empathy imbalance in children. Research on Child and Adolescent Psychopathology. https://doi.org/10.1007/s10802-025-01405-y
  • Dadds, M. R., Hunter, K., Hawes, D. J., Frost, A. D. J., Vassallo, S., Bunn, P., Merz, S., & Masry, Y. E. (2008). A measure of cognitive and affective empathy in children using parent ratings. Child Psychiatry & Human Development, 39, 111–122. https://doi.org/10.1007/s10578-007-0075-4
  • Bruni, T. P. (2014). Test review: Social Responsiveness Scale–Second Edition (SRS-2). Journal of Psychoeducational Assessment, 32(4), 365–369. https://doi.org/10.1177/0734282913517525
  • Frick, P. J. (2004). The Inventory of Callous-Unemotional Traits (ICU). (Meetinstrument; oorspronkelijke beschrijving en materialen via de onderzoeksgroep). (faculty.lsu.edu)
  • Byrd, A. L., Kahn, R. E., & Pardini, D. A. (2013). A validation of the Inventory of Callous-Unemotional Traits in a community sample of young adult males. Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment, 35, 20–34. (PMC)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.