Bij ADHD gaat het niet alleen om snel afgeleid zijn, veel bewegen of impulsief reageren. Veel kinderen en jongeren hebben ook moeite met vaardigheden die psychologen executieve functies noemen. Denk aan informatie even vasthouden, een automatische reactie onderdrukken, de aandacht bij iets houden of soepel overschakelen wanneer een plan verandert.
Een kind kan precies weten dat het eerst zijn schooltas moet inpakken, daarna zijn schoenen aantrekken en vervolgens de fiets pakken en toch tien minuten later op één sok in de keuken staan terwijl het een vergeten koekje opeet. Niet omdat het niet wil luisteren, maar omdat plannen, werkgeheugen, aandacht en impulsremming elkaar voortdurend beïnvloeden.
Daarom is er veel belangstelling voor behandelingen en trainingen die juist deze cognitieve vaardigheden proberen te ondersteunen. Een groot nieuw onderzoek vergelijkt verschillende niet-medicamenteuze interventies bij kinderen en jongeren met ADHD.
De uitkomst is interessant. Vooral cognitieve training, combinaties van verschillende interventies en lichamelijke activiteit komen regelmatig gunstig uit de bus. De onderzoekers maten echter vooral wat kinderen konden op cognitieve tests. En beter worden op een test is niet automatisch hetzelfde als beter functioneren in het dagelijks leven.
Meer dan alleen ‘druk en afgeleid’
Executieve functies zijn een soort verzameling regelvaardigheden van de hersenen. Ze helpen ons gedrag af te stemmen op wat we willen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld:
- een impuls kunnen tegenhouden;
- informatie kort vasthouden en gebruiken;
- van strategie kunnen veranderen;
- aandacht langere tijd vasthouden;
- afleidende informatie negeren;
- vooruitdenken en plannen.
Iedereen heeft daar soms moeite mee. Bij ADHD kunnen bepaalde onderdelen gemiddeld genomen lastiger zijn.
Dat wil overigens niet zeggen dat ieder kind met ADHD hetzelfde cognitieve profiel heeft. Het ene kind vergeet voortdurend instructies, terwijl een ander daar nauwelijks moeite mee heeft maar wel bijvoorbeeld al reageert voordat een vraag is afgemaakt. Een derde kan zich uren concentreren op een computerspel, maar nog geen tien minuten op aardrijkskunde.
ADHD is geen simpel tekort aan aandacht. Het gaat eerder om problemen met het sturen en verdelen van aandacht en gedrag, waarbij motivatie, interesse, prikkels, vermoeidheid en de omgeving een grote rol kunnen spelen. Dat maakt de vraag welke behandeling ‘het beste’ is meteen ingewikkeld.
86 onderzoeken naast elkaar
Onderzoekers brachten 86 gerandomiseerde onderzoeken bij elkaar, met in totaal ruim 4.600 kinderen en jongeren met ADHD tussen 6 en 18 jaar.
Ze vergeleken acht soorten niet-medicamenteuze interventies, waaronder cognitieve training, gedragstherapie en oudertraining, neurofeedback, hersenstimulatie, beweging, voedingsinterventies en zogenoemde mind-bodymethoden. Daarnaast bekeken ze programma’s waarin meerdere technieken werden gecombineerd.
Bijzonder aan deze analyse is vooral wat er werd gemeten. Veel ADHD-onderzoek gebruikt vragenlijsten. Ouders of leerkrachten geven dan bijvoorbeeld aan of een kind minder impulsief lijkt, beter luistert of makkelijker aan het werk gaat. Dit onderzoek keek juist naar objectieve cognitieve taken.
Een kind krijgt bijvoorbeeld een scherm te zien waarop het zo snel mogelijk moet reageren op bepaalde signalen, maar juist níét op een ander signaal. Of het moet informatie onthouden terwijl ondertussen een nieuwe opdracht wordt uitgevoerd. Daarmee kun je bepaalde cognitieve prestaties relatief nauwkeurig meten.
Dat is een voordeel. Een computer heeft immers geen verwachtingen over een behandeling en denkt niet zoiets als: Volgens mij gaat het sinds die training stukken beter met Emma. Maar diezelfde aanpak heeft ook een nadeel. Een laboratoriumtaak is geen druk klaslokaal op vrijdagmiddag.
Cognitieve training komt opvallend goed uit de bus
Een van de duidelijkste resultaten betreft cognitieve training. Daarbij worden bepaalde denkvaardigheden herhaaldelijk geoefend, vaak via computertaken of spellen. Sommige trainingen richten zich bijvoorbeeld op werkgeheugen. Andere vragen kinderen snel te reageren, afleiding te negeren of tussen verschillende regels te schakelen.
Over meerdere onderzoeken heen verbeterde cognitieve training onder andere de impulsremming en de volgehouden aandacht. Voor het werkgeheugen was cognitieve training zelfs de enige interventiecategorie die in de hoofdanalyse overtuigend beter presteerde dan de controlegroep. Dat klinkt indrukwekkend, maar er is een klassieke vraag bij cognitieve training: wat wordt er precies beter?
Wie honderd keer een bepaald geheugenspel speelt, wordt waarschijnlijk beter in dat spel. Interessanter is of die verbetering ook merkbaar wordt wanneer een kind het meenemen van zijn gymspullen moet onthouden, een rekenopdracht in verschillende stappen uitvoert of zelfstandig aan huiswerk begint.
Dat heet transfer: de aangeleerde vaardigheid moet zich als het ware verplaatsen van de training naar de echte wereld. Juist over die stap geeft dit onderzoek maar beperkt informatie. Cognitieve training kan dus daadwerkelijk cognitieve prestaties verbeteren. Maar de conclusie dat daardoor automatisch schoolresultaten, zelfstandigheid of kwaliteit van leven verbeteren, gaat verder dan het bewijs.
Combineren lijkt sterker dan één kunstje
Ook multicomponentinterventies deden het opvallend goed. Dat zijn programma’s waarin verschillende aanpakken worden gecombineerd. Bijvoorbeeld cognitieve oefeningen met beweging, ouderbegeleiding, gedragsmatige ondersteuning of neurofeedback.
Vooral bij impulsremming en langdurige aandacht kwamen dergelijke gecombineerde programma’s gunstig naar voren. Bij volgehouden aandacht was het gemiddelde effect zelfs het grootste van alle onderzochte categorieën. Dat is misschien minder verrassend dan het op het eerste gezicht lijkt. ADHD speelt zich immers ook niet op één plek af.
Een kind moet niet uitsluitend zijn aandacht ‘trainen’. Het moet die aandacht gebruiken terwijl de klas rumoerig is, de taak saai wordt, het vorige lesuur slecht ging en de docent ondertussen drie mondelinge instructies geeft. Een bredere aanpak kan daarom logisch zijn. Je kunt vaardigheden oefenen én tegelijkertijd de omstandigheden veranderen waarin die vaardigheden nodig zijn.
Dat sluit bovendien beter aan bij een neurodiversiteitsbenadering. De vraag hoeft niet uitsluitend te zijn: Hoe maken we dit kind beter in aandacht vasthouden? Minstens zo belangrijk is: Hoe richten we een taak of omgeving zo in dat het kind minder onnodige mentale energie kwijt is?
Bewegen is meer dan een gezond extraatje
Een andere opvallende categorie is lichamelijke activiteit. Onderzoekers bestudeerden onder meer hardlopen, aerobics, tafeltennis, judo, taekwondo en bewegingsspellen waarbij kinderen tegelijkertijd cognitief worden uitgedaagd.
Vooral bij impulsremming was het beeld behoorlijk consistent: bewegen had een gunstig effect. Lichamelijke activiteit lijkt daarom meer te kunnen zijn dan iets wat kinderen ‘ook nog moeten doen omdat het gezond is’. Voor sommige kinderen kan beweging bovendien praktisch aantrekkelijker zijn dan achter een beeldscherm zitten om hun concentratie te trainen.
Neurofeedback en tDCS
Ook neurofeedback liet enig positief effect zien, vooral bij volgehouden aandacht. Bij neurofeedback wordt hersenactiviteit gemeten, meestal via elektroden op het hoofd. De deelnemer krijgt daar direct informatie over en probeert bepaalde patronen te leren beïnvloeden: letterlijk leren je eigen brein te reguleren.
De onderzoeksresultaten zijn echter minder overtuigend en breed dan bij cognitieve training en gecombineerde interventies. Er is reden voor verdere studie, maar niet voor de conclusie dat neurofeedback dé oplossing voor ADHD is. Dat onderscheid is relevant omdat neurofeedback commercieel soms steviger wordt aangeprezen dan het wetenschappelijke bewijs rechtvaardigt.
Nog voorzichtiger moeten we zijn met hersenstimulatie, zoals tDCS. Hierbij wordt met een zwakke elektrische stroom geprobeerd bepaalde hersengebieden te beïnvloeden. Er zijn interessante experimenten mee gedaan, maar de studies zijn klein en de resultaten wisselend. Op basis van dit onderzoek ontstaat geen reden om hersenstimulatie als reguliere ADHD-behandeling bij kinderen te beschouwen.
Waarom een betere testscore nog geen makkelijker leven betekent
Dit is misschien wel de belangrijkste kanttekening van het hele onderzoek. Stel dat een kind na zes weken training duidelijk beter scoort op een computertaak voor impulsremming. Prachtig. Maar staat het ’s morgens daardoor ook sneller aangekleed bij de voordeur? Kan het beter omgaan met onverwachte roosterwijzigingen? Wordt het huiswerk minder uitputtend? Ontstaan er minder conflicten thuis? Voelt het kind zichzelf prettiger?
Dat weten we niet. En voor wie besluit desondanks verder te lezen: de onderzoekers benadrukken dit zelf ook. Een aandachtstaak meet bovendien nooit uitsluitend ‘aandacht’. Ook snelheid, motivatie, motoriek, begrip van de opdracht en vermoeidheid kunnen invloed hebben. Een verbeterde testprestatie vertelt ons dus iets interessants over cognitief functioneren, maar dat is lang niet het hele verhaal.
Niet-medicamenteus betekent niet ‘in plaats van medicatie’
Dit onderzoek laat niet zien dat cognitieve training, sport of neurofeedback beter of slechter is dan ADHD-medicatie. De analyse was daar niet voor ontworpen. Het onderzoek beantwoordt wel een andere vraag: welke niet-medicamenteuze interventies lijken in onderling vergelijk het meest veelbelovend wanneer we kijken naar specifieke cognitieve prestaties?
Dat is nuttige informatie voor gezinnen die naast medicatie aanvullende ondersteuning zoeken. Het kan ook relevant zijn wanneer medicatie onvoldoende helpt, ongewenste bijwerkingen geeft of om andere redenen niet wordt gebruikt. In de praktijk kunnen verschillende vormen van ondersteuning naast elkaar bestaan.
Welke hulp past bij welk probleem?
Misschien is de interessantste boodschap van dit onderzoek daarom niet welke behandeling bovenaan staat. Belangrijker is dat verschillende interventies verschillende effecten lijken te hebben.
| Als vooral dit lastig is | Wat volgens dit onderzoek interessant kan zijn |
|---|---|
| Impulsen remmen | Cognitieve training, gecombineerde programma’s, beweging |
| Informatie vasthouden | Vooral cognitieve training |
| Aandacht langere tijd vasthouden | Gecombineerde programma’s, cognitieve training, neurofeedback |
| Flexibel schakelen | Mogelijk cognitieve training en gecombineerde programma’s |
| Plannen en complexe executieve taken | Nog te weinig goed bewijs |
| Verwerkingssnelheid | Resultaten nog onzeker |
Een andere vraag over behandeling
Onderzoek naar ADHD is begrijpelijkerwijs vaak gericht op de vraag hoe cognitieve vaardigheden kunnen worden verbeterd. Maar daar hoort een tweede vraag naast te staan, namelijk: Hoeveel executieve controle vragen we eigenlijk van een kind? Een leerling met ADHD kan baat hebben bij het trainen van werkgeheugen. Maar misschien helpt het net zo goed wanneer een docent instructies op het bord laat staan.
Een jongere kan impulsremming oefenen. Maar misschien maakt een rustige werkplek het duizend keer eenvoudiger om die vaardigheid daadwerkelijk te gebruiken. Behandeling hoeft daarom geen keuze te zijn tussen het kind veranderen en de omgeving aanpassen. Waarschijnlijk hebben we iets van beide nodig.
You Z, Han R, Du Y, Cao A. Comparative efficacy of non-pharmacological interventions on executive function and attentional control in children and adolescents with ADHD: a Bayesian network meta-analysis based on task-based cognitive outcomes. Translational Psychiatry (2026). DOI: 10.1038/s41398-026-04331-9. Het betreft een geaccepteerd artikel dat op het moment van beschikbaarstelling nog niet definitief was geredigeerd voor publicatie.


