Een kind dat thuis honderduit praat, maar op school geen woord uitbrengt. Een leerling die wél antwoord weet, maar letterlijk vastloopt zodra iemand hem aankijkt. Voor de buitenwereld lijkt het soms koppigheid, verlegenheid of “gewoon niet willen”. Van binnen voelt het vaker als iets anders: bevriezen.
Selectief mutisme (ook wel selectieve spraakstilte genoemd) staat meestal bekend als angstprobleem. Tegelijkertijd zien veel ouders en hulpverleners iets dat er óók op lijkt: kenmerken van autisme, maar dan verstopt achter die stilte. En daar wringt het, want in een belangrijk diagnostisch systeem (ICD) geldt autisme nog steeds als een soort “uitsluiter” voor selectief mutisme. Alsof je niet allebei tegelijk kunt hebben.
Een Noors onderzoek gooit een stevige steen in die vijver. Het laat zien dat selectief mutisme en autisme in de praktijk regelmatig samen voorkomen, juist bij kinderen die in specialistische zorg belanden. En dat heeft gevolgen: voor herkenning, voor doorverwijzen en vooral voor passende hulp.
Wat is selectief mutisme en hoe ziet dat er in het dagelijks leven uit?
Selectief mutisme betekent niet dat iemand niet kán praten. Het betekent dat praten in bepaalde situaties niet lukt, terwijl het in andere situaties wel gaat. Vaak zie je het patroon:
- thuis praten gaat meestal prima
- op school, bij onbekenden, in een groep of bij “prestatiemomenten” valt de stem weg
- de stilte houdt aan (dus niet alleen de eerste schoolweek)
Belangrijk detail: veel kinderen met selectief mutisme stoppen niet ineens met praten alsof iemand op een knop drukt. Sommige kinderen trekken zich stap voor stap terug: eerst nog fluisteren, dan knikken, dan alleen nog wijzen, en uiteindelijk helemaal stil.
En het is niet alleen “stil”. Je ziet vaak ook signalen van stress: gespannen lichaam, vermijden van oogcontact, niet durven bewegen, niet naar het toilet durven op school, of volledig blokkeren zodra iemand iets vraagt. Dat past bij een bevriesreactie: het zenuwstelsel schiet in de stand “gevaar, doe niets”.
DSM versus ICD en het ‘verboden’ duo met autisme
Artsen en psychologen gebruiken grofweg twee grote “boeken” om diagnoses te beschrijven:
- DSM (in Nederland en België veel gebruikt in de GGZ)
- ICD (wereldwijd gebruikt, en vaak gekoppeld aan registratie en systemen)
In ICD-10 en ICD-11 staat dat je selectief mutisme niet moet diagnosticeren als autisme de spraakproblemen beter verklaart. Met andere woorden: als iemand autisme heeft, dan hoort die stilte “daarbij” en mag je het label selectief mutisme officieel niet plakken.
Het Noorse onderzoek noemt die relatie daarom een verboden connectie. Niet omdat die combinatie zeldzaam zou zijn, maar omdat de regels doen alsof die combinatie niet hoort te bestaan.
En dat heeft een praktische bijwerking: als hulpverleners strak langs die regel werken, dan kijken ze minder makkelijk naar beide kanten tegelijk. Dan kan het gebeuren dat iemand lang blijft hangen in één verklaringsmodel:
- alles is angst, dus we doen vooral exposure en sociale training
- of: alles is autisme, dus we missen de angstcomponent en de bevriezing
Terwijl juist de mix vaak bepaalt wat wel en niet helpt.
Hoe vaak komen selectief mutisme en autisme samen?
De onderzoekers gebruikten gegevens uit het Noorse patiëntregister (de specialistische zorg). Ze selecteerden kinderen en jongeren met een registratie voor selectief mutisme over een lange periode (2008–2023). In totaal ging het om 1.682 kinderen van 3 tot 18 jaar. Wat vonden ze?
- 11,7% van deze kinderen met selectief mutisme had óók een autismediagnose.
- In de hele groep kwamen meisjes vaker voor dan jongens: ongeveer 2,13 meisjes per jongen.
- Autisme kwam relatief vaker voor bij jongens binnen deze selectief-mutismegroep (16,0%) dan bij meisjes (9,7%).
Dat zijn geen kleine getallen. En let op: dit gaat niet over “hoe vaak het in de bevolking voorkomt”, maar over kinderen die in specialistische zorg terechtkomen. Juist daar zie je vaak de complexere gevallen.
Later herkend, later geholpen
Het onderzoek laat nog iets opmerkelijks zien: autisme duikt vaker op bij oudere kinderen met selectief mutisme. In de jongste leeftijdsgroep zie je weinig autisme-registraties, en naarmate kinderen ouder worden, neemt dat toe.
Dat wijst op iets dat veel ouders herkennen: de stilte kan autisme in de weg zitten, in plaats van het zichtbaar te maken. Hoe dan?
- Op school ziet een kind er “alleen maar stil” uit. Leerkrachten en hulpverleners focussen dan logischerwijs op angst of sociale spanning.
- Thuis zie je vaak meer: sterke behoefte aan voorspelbaarheid, moeite met veranderingen, sensorische overbelasting, intense interesses, of juist terugtrekgedrag na een schooldag.
- Als school het hoofdprobleem als “niet praten” ziet, dan komen vragen over autisme soms pas later. Zeker als een kind daarnaast slim is, braaf lijkt en niet “opvalt” met druk gedrag.
Daar komt nog een extra laag bij: maskeren. Kinderen (en later volwassenen) kunnen kenmerken van autisme bewust of onbewust camoufleren om erbij te horen. Bij selectief mutisme gebeurt bijna het omgekeerde: de stilte maskeert alles. Je kunt moeilijk “vreemd praten” als je niet praat.
De onderzoekers leggen een verband met diagnostische overschaduwing: één opvallend probleem (stilte) trekt alle aandacht weg van het bredere profiel.
Bevriezen door angst versus shutdown bij autisme
Voor veel mensen voelt selectief mutisme als een extreme versie van sociale angst: je wílt praten, maar het systeem blokkeert. Bij autisme zie je daarnaast shutdowns: momenten waarop het brein “uit” gaat door overprikkeling of overbelasting.
Die twee kunnen op elkaar lijken. In beide gevallen zie je stilte, terugtrekken en weinig respons. Hieronder een praktische vergelijking:
| Situatie | Selectief mutisme (vaak angst/bevriezing) | Shutdown bij autisme (vaak overbelasting/overprikkeling) |
|---|---|---|
| Typische trigger | Sociale verwachting: praten, antwoord geven, beoordeeld worden | Te veel prikkels, te veel schakelen, te veel tegelijk |
| Wat je ziet | Stilte vooral in specifieke sociale settings | Stilte kan overal ontstaan, vaak na opbouw van stress |
| Lichaamstaal | Bevroren, gespannen, “op slot” | Terugtrekken, leeg, uitgeput, soms prikkelbaar |
| Wat helpt meestal | Veiligheid, kleine stapjes, druk eraf, voorspelbare oefening | Prikkelreductie, rust, herstel, voorspelbaarheid |
| Wat kan averechts werken | Forceren, onverwachte “zeg eens wat”, belonen/straffen rond praten | Doorduwen, “even doorbijten”, extra sociale druk |
De onderzoekers noemen ook sensoriek als mogelijke sleutel: bij een deel van de kinderen met selectief mutisme en autisme spelen prikkelgevoeligheden waarschijnlijk een grote rol. Dan helpt het weinig om alleen “sociale moed” te trainen, terwijl het zenuwstelsel ondertussen in brand staat.
Maskeren en diagnostische overschaduwing
Selectief mutisme kan dus een soort rookgordijn vormen. Dat zie je niet alleen bij kinderen. Veel volwassenen met autisme herkennen het principe:
- In een sollicitatiegesprek functioneer je “te stil” en men denkt: onzeker of ongemotiveerd.
- In een vergadering klap je dicht en men denkt: introvert of ongeïnteresseerd.
- Thuis praat je wél, maar buiten voelt praten alsof je tegen een muur duwt.
Het lastige is: hulpverleners en scholen werken vaak met wat ze zien. En wat ze zien is stilte. Daardoor krijgt “angst” soms een logisch voorrangsetiket. Terwijl een deel van de puzzel in autisme kan zitten: moeite met snelle sociale verwerking, moeite met onverwachte vragen, letterlijke interpretaties, of sensorische overprikkeling die het spreken simpelweg onmogelijk maakt.
Dat betekent niet dat selectief mutisme “eigenlijk autisme” is. Het betekent wél dat je beide tegelijk serieus moet nemen als signalen in die richting wijzen.
Co-voorkomen is eerder regel dan uitzondering
Het onderzoeksteam laat zien dat het zelden bij één ding blijft. In hun groep van 1.682 kinderen met selectief mutisme kwamen andere diagnoses opvallend vaak voor. De meest voorkomende co-diagnoses (aantallen in deze groep):
| Co-voorkomende diagnose | Aantal | Ongeveer percentage van de groep |
|---|---|---|
| Sociale fobie | 291 | 17,3% |
| Ontwikkelings-taalstoornis | 215 | 12,8% |
| Sociale angststoornis | 207 | 12,3% |
| Autisme | 197 | 11,7% |
| Depressieve stoornis | 136 | 8,1% |
| ADHD | 93 | 5,5% |
| Gegeneraliseerde angststoornis | 35 | 2,1% |
| Gilles de la Tourette | 15 | 0,9% |
Selectief mutisme gaat dus vaak samen met een mix van angst, taalontwikkeling en neurodevelopment. Dat maakt één standaard aanpak riskant.
De onderzoekers wilden ook kijken naar kinderen met meerdere diagnoses tegelijk (bijvoorbeeld selectief mutisme + autisme + ADHD, dus mogelijk AuDHD-achtig profiel), maar registratiedata laten dat niet netjes genoeg zien. Dat is jammer, want in het echte leven komt stapeling vaak wél voor.
Meer meisjes met selectief mutisme, maar bij jongens vaker ook autisme
In de Noorse groep kreeg een veel groter deel meisjes het label selectief mutisme. Dat past bij eerdere onderzoeken: selectief mutisme duikt in registraties vaker op bij meisjes.
Tegelijkertijd vond het onderzoek iets dat je makkelijk mist als je alleen naar aantallen kijkt: binnen de groep met selectief mutisme had een groter deel jongens ook autisme.
Hier zie je de percentages per geslacht binnen de selectief-mutismegroep:
| Diagnose erbij | Meisjes (n=1.144) | Jongens (n=538) |
|---|---|---|
| Autisme | 9,70% | 15,99% |
| Ontwikkelings-taalstoornis | 10,84% | 16,91% |
| Gilles de la Tourette | 0,17% | 2,42% |
| ADHD | 5,60% | 5,39% |
| Sociale angststoornis | 12,93% | 10,97% |
| Depressieve stoornis | 10,05% | 3,90% |
| Sociale fobie | 18,71% | 14,32% |
| Gegeneraliseerde angststoornis | 2,88% | 0,37% |
Dit patroon past bij iets wat we breder zien: hulpverlening herkent autisme bij meisjes vaak later of minder snel, terwijl men bij meisjes sneller denkt aan angst en stemming. Dat betekent niet dat autisme bij meisjes zeldzamer is. Het betekent vooral dat herkenning ingewikkelder kan zijn, zeker als iemand stil is, slim is, sociaal “net genoeg” functioneert of sterk maskeert.
Wat dit betekent voor ons eigen taalgebied
Dit onderzoek komt uit Noorwegen, met Noorse registraties. Toch is de les ook hier bruikbaar, juist omdat Nederland en België óók werken met DSM en ICD in de praktijk.
Wat kun je ermee? Als ouder, partner, leerkracht of volwassene die zichzelf herkent:
- Kijk niet alleen naar praten of niet praten, maar ook naar de context: wanneer lukt het wel, wanneer lukt het niet, en wat gaat eraan vooraf?
- Let op prikkelbelasting: geluid, drukte, onverwachte vragen, sociale “spotlight”.
- Vraag bij hulpverlening expliciet om breed te kijken: zowel angst als autisme en taalontwikkeling, als daar signalen voor zijn.
Als je met hulpverlening te maken krijgt, helpt één simpele zin vaak al:
Kunnen we tegelijk kijken naar selectief mutisme én naar autisme, in plaats van het één met het ander weg te verklaren?
In Nederland loopt zo’n traject meestal via huisarts of jeugdarts (JGZ) en daarna jeugd-ggz of specialistische teams. In België zie je vaak de route via huisarts, CLB en gespecialiseerde (kinder)zorg of CGG. De precieze ingang verschilt per regio en organisatie, maar het principe blijft hetzelfde: je hebt baat bij iemand die zowel angst als neurodevelopment goed kent.
En voor volwassenen? Officieel staat selectief mutisme vooral als kinderdiagnose bekend, maar “situatief stilvallen” komt bij volwassenen ook voor. Als je als volwassene merkt dat je steeds bevriest in bepaalde settings en je herkent ook kenmerken van autisme, dan kan een bredere evaluatie zinvol zijn. Niet om labels te verzamelen, maar om beter te begrijpen wat je nodig hebt.
Ondersteuning en aanpak
Bij selectief mutisme werkt “kom op, zeg gewoon iets” bijna nooit. Het zet het zenuwstelsel juist harder op slot. Je helpt meer met een aanpak die veiligheid en autonomie centraal zet.
In grote lijnen zien veel benaderingen er zo uit:
- Druk eraf: niet praten is oké, contact telt ook zonder woorden.
- Alternatieven toestaan: schrijven, typen, aanwijzen, gebaren, spraak-apps.
- Kleine stapjes: van aanwezig zijn, naar non-verbaal reageren, naar fluisteren, naar korte woorden, in een tempo dat haalbaar voelt.
- Voorbereiden: voorspelbaarheid helpt, zeker bij autisme.
- Prikkelmanagement: rustplekken, minder onverwachte vragen, duidelijke routines.
Als selectief mutisme samenvalt met autisme, vraagt dat vaak om extra aanpassingen. Een paar voorbeelden:
- Exposure kan helpen, maar alleen als je het extreem zorgvuldig opbouwt en het kind (of de volwassene) controle laat houden. Bij autisme werkt “zomaar oefenen” vaak slecht; je hebt structuur, voorspelbaarheid en sensorische afstemming nodig.
- Sociale training kan averechts werken als het vooral gaat om ‘doen alsof’ of geforceerd oogcontact. Bij autisme vergroot dat soms maskeren en uitputting.
- Taalontwikkeling verdient aandacht. Als iemand ook een taalstoornis heeft, dan vraagt “praat maar” iets wat het brein nog niet soepel kan leveren.
En ja: therapieën zoals CGT kunnen bij angst helpen, maar dan vaak in aangepaste vorm. Niet omdat iemand met autisme niet kan leren, maar omdat het brein andere ingangen kan hebben: concreter, visueler, voorspelbaarder, met meer rekening houden met prikkels en herstel.
Beperkingen van het onderzoek en wat we nog niet weten
Het Noorse onderzoek heeft sterke punten: groot aantal kinderen, lange onderzoeksperiode, diagnoses door specialisten, en een realistische blik op hoe zorg in de praktijk registreert.
Tegelijkertijd blijft het registratiewerk. Dat betekent:
- Het gaat om kinderen in specialistische zorg, niet om alle kinderen met selectief mutisme.
- Het register gebruikt ICD-10-codes, en die codes hangen af van wat clinici invoeren.
- Het register bevat geen directe metingen van bijvoorbeeld sensorische gevoeligheid of maskeren.
- Het onderzoek kan weinig zeggen over volwassenen, omdat het alleen 3–18 jaar omvat.
Met andere woorden: het onderzoek laat overtuigend zien dat de overlap bestaat en dat regels kunnen knellen, maar het geeft geen definitief antwoord op waarom de overlap ontstaat of hoe vaak die overlap in de bevolking voorkomt.
Samenvatting
- Selectief mutisme betekent: wel kunnen praten, maar in bepaalde situaties vastlopen en stilvallen.
- In een Noorse groep van 1.682 kinderen met selectief mutisme had 11,7% ook een autismediagnose.
- Meisjes kregen vaker selectief mutisme, maar binnen de selectief-mutismegroep kwam autisme relatief vaker voor bij jongens.
- Stilte kan autisme maskeren, waardoor autisme later in beeld komt en hulp later start.
- Een dubbele blik helpt: kijk tegelijk naar angst, autisme, taalontwikkeling en prikkelbelasting.
Helgesen, I., & Nordahl-Hansen, A. (2026). Breaking with the Criteria; Selective Mutism and its Forbidden Connection with Autism. Research on Child and Adolescent Psychopathology, 54, 4. https://doi.org/10.1007/s10802-025-01414-x
Steffenburg, H., Steffenburg, S., Gillberg, C., & Billstedt, E. (2018). Autism spectrum disorder in children with selective mutism. Neuropsychiatric Disease and Treatment, 14, 1163–1169. https://doi.org/10.2147/NDT.S154966
Kearney, C. A., & Rede, M. (2021). The heterogeneity of selective mutism: A primer for a more refined approach. Frontiers in Psychology, 12, 700745. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2021.700745
Ludlow, A. K., e.a. (2023). Selective Mutism in Children With and Without an Autism Spectrum Disorder: The Role of Sensory Avoidance in Mediating Symptoms of Social Anxiety. Journal of Autism and Developmental Disorders, 53(10), 3891–3900. https://doi.org/10.1007/s10803-022-05674-0



