Kinderen met autisme eten vaak selectief. Niet zomaar een beetje kieskeurig, maar structureel. Geen gemengde gerechten, geen onverwachte geuren, geen nieuwe structuren – en als het kan, elke dag hetzelfde op het bord. Voor ouders is dat soms een uitdaging. Maar voor het lichaam van het kind is het op termijn misschien een nog grotere opgave.
Een groot internationaal overzichtsonderzoek laat zien dat deze eetgewoonten gevolgen kunnen hebben voor de groei, de voedingsstatus én mogelijk ook voor de ernst van autistische kenmerken. Kinderen met autisme blijken gemiddeld kleiner dan leeftijdsgenoten, krijgen minder van een aantal belangrijke vitamines en mineralen binnen, en hebben vaker last van buikklachten. En hoewel ze niet minder wegen of opvallend dun zijn, missen ze tóch bouwstoffen die hun lichaam en brein hard nodig hebben.
In dit artikel duiken we in de resultaten van dit onderzoek. Want voeding is meer dan brandstof – zeker voor een brein dat nét even anders werkt.
het onderzoek
De studie waar dit artikel op is gebaseerd, is een zogenaamde systematische review mét meta-analyse. Dat betekent: de onderzoekers verzamelden alle betrouwbare studies van de afgelopen decennia waarin kinderen met autisme werden vergeleken met kinderen zonder diagnose (neurotypische kinderen). In totaal namen ze 32 studies mee, samen goed voor bijna 18.500 kinderen. De onderzoekers keken naar:
- lichamelijke kenmerken (zoals lengte, gewicht en BMI),
- voedingsinname (wat wordt er gegeten?),
- vitamine- en mineralenwaarden in bloed of urine (wat komt er daadwerkelijk binnen?),
- en het voorkomen van buikklachten.
De verschillen werden berekend met gestandaardiseerde maten (zoals de SMD: standaard mean difference) om appels met appels te kunnen vergelijken, ondanks dat de studies zelf vaak andere meetmethodes gebruikten.
Het bijzondere aan dit onderzoek is dat het niet alleen keek naar wat kinderen eten, maar óók naar de link tussen tekorten en autistische kenmerken. Zo ontstaat een breder beeld van hoe voeding en gedrag mogelijk met elkaar samenhangen.
Korter van stuk, maar niet per se lichter
Kinderen met autisme blijken gemiddeld iets korter dan hun leeftijdsgenoten. Geen halve kop, maar wel meetbaar. Gemiddeld zo’n 0,16 standaarddeviatie korter – wat bij een jongen van 7 neerkomt op een verschil van ongeveer anderhalve centimeter.
Opvallend: er is géén verschil in gewicht of BMI. Kinderen met autisme zijn dus niet dunner of lichter dan anderen, al suggereerden sommige eerdere onderzoeken van wel. Mogelijk komt dat doordat deze studie alleen betrouwbare, vergelijkbare gegevens meenam en alle cijfers samenwoog.
Waarom dan wel een verschil in lengte? De onderzoekers denken dat dit vooral komt door tekorten aan bepaalde voedingsstoffen, zoals eiwitten, calcium en vitamine D. Die zijn essentieel voor de groei. En als die over langere tijd onvoldoende binnenkomen, groeit een kind mogelijk iets minder hard – ook al krijgt het genoeg calorieën.
Selectief eten: Zintuigen en gewoontes
Selectief eten komt bij kinderen met autisme veel vaker voor dan bij andere kinderen. Volgens sommige schattingen zelfs vijf keer vaker. Het gaat dan niet om ‘geen zin in groenten’, maar om sterke voorkeuren en afkeuren die samenhangen met zintuiglijke prikkelgevoeligheid. Een paar voorbeelden:
- Een kind weigert alle voedsel dat gemengd is (‘vieze’ combinaties).
- Het eet alleen dingen met een bepaalde kleur of textuur (bijvoorbeeld krokant of juist zacht).
- Nieuwe smaken of geuren worden per definitie geweigerd.
- Het kind staat erop dat elke maaltijd precies hetzelfde is (en raakt van streek als dat niet zo is).
Voor het gezin betekent dit vaak stress rondom etenstijd. Voor het kind zelf kan het leiden tot eenzijdige voeding. En op de langere termijn zelfs tot tekorten, zeker als er weinig wordt gevarieerd of hele voedselgroepen worden vermeden.
Te weinig van de juiste voedingsstoffen
Uit het onderzoek blijkt dat kinderen met autisme gemiddeld minder binnenkrijgen van:
- Eiwitten
- Calcium
- Vitamine A, D en K
- Folate (vitamine B11)
- Riboflavine (B2)
- Thiamine (B1)
- Niacine (B3)
Opvallend: er was géén verschil in totale calorieën, koolhydraten of vetten. Dus het gaat hier niet om te weinig eten, maar om te weinig van het goede.
Eiwitten zijn bouwstenen voor groei en hersenontwikkeling. Vitamine D en calcium zijn belangrijk voor botten en spieren. En foliumzuur, vitamine A en B-vitamines zijn onmisbaar voor een gezonde breinontwikkeling en stofwisseling. Als die stoffen structureel ontbreken, kan dat effect hebben op zowel het lichaam als het gedrag.
Maag-darmklachten
Kinderen met autisme hebben ook vaker last van hun buik. De kans op obstipatie, buikpijn of diarree is volgens het onderzoek gemiddeld 4 keer zo groot. En hoewel dit niet nieuw is – veel ouders herkennen het – maakt dit onderzoek de omvang en ernst wel duidelijk.
Waarom dat belangrijk is? Omdat darmklachten kunnen leiden tot minder eten, minder opname van voedingsstoffen, én tot nog selectiever eetgedrag. Maar ook andersom: een eenzijdig dieet met weinig vezels of variatie kan op zichzelf al klachten veroorzaken.
In Nederland krijgen veel kinderen met autisme laxeermiddelen voorgeschreven of voedingsadviezen om dit te verhelpen. Maar structurele begeleiding door een diëtist of kinderarts gebeurt lang niet altijd. Terwijl de impact op het dagelijks leven groot kan zijn.
Minder voedingsstoffen, meer autistische kenmerken?
Een ander opvallend punt uit het onderzoek: sommige voedingstekorten hangen samen met ernstigere autistische symptomen.
Zo was er een duidelijke (negatieve) relatie tussen:
- Vitamine A en de ernst van autisme (gemeten met de CARS-score),
- Vitamine D en sociale vaardigheden (SRS-score),
- Calciumtekort en gedragsproblemen.
Let op: dit betekent niet dat tekorten autisme veroorzaken, of dat je met supplementen autisme kunt ‘genezen’. Maar het suggereert wél dat voeding invloed heeft op hoe autisme zich uit – en hoe zwaar de symptomen zijn.
Sommige vitamines (zoals A en D) spelen een rol in hersenontwikkeling, zenuwgeleiding en zelfs sociale interactie via het oxytocinesysteem. Andere helpen ontstekingen of oxidatieve stress verminderen, of ondersteunen het afvoeren van zware metalen.
Het is dus goed mogelijk dat een beter voedingspatroon bij sommige kinderen met autisme óók gedragsmatig verschil maakt – al is dat effect waarschijnlijk subtiel, en niet bij iedereen even groot.
Wat kun je als ouder, leerkracht of zorgverlener hiermee?
Wat je eet, doet ertoe – zeker als je autistisch bent. Dat geldt voor kinderen, maar net zo goed voor volwassenen. Toch blijft voeding vaak onderbelicht in de begeleiding. Wat zou kunnen helpen:
- Voedingsscreening bij diagnose, zeker bij kinderen die selectief eten of vaak buikpijn hebben.
- Samenwerking tussen ouders, artsen en diëtisten, met aandacht voor gedrag én biologie.
- Kritisch kijken naar supplementen: bij tekorten kunnen ze zinvol zijn, maar “baat het niet dan schaadt het niet” gaat helaas niet altijd op.
- Oog voor context: bij armoede, migratie, stress of trauma spelen vaak andere factoren mee in eetgedrag en gezondheid.
En misschien het allerbelangrijkste: kinderen dwingen of ‘trainen’ om iets te eten dat ze écht niet kunnen verdragen, werkt vaak averechts. Kleine stapjes, veiligheid en acceptatie zijn hier het fundament.
Samengevat in vijf punten
- Kinderen met autisme zijn gemiddeld iets kleiner, maar niet lichter dan anderen.
- Ze krijgen vaker te weinig binnen van belangrijke voedingsstoffen zoals eiwit, calcium en vitamine D.
- Ze hebben vaker last van buikklachten zoals obstipatie en buikpijn.
- Sommige voedingstekorten hangen samen met ernstigere autistische kenmerken.
- Vroege herkenning en begeleiding op maat zijn belangrijk – voeding is méér dan bijzaak.
Alhrbi A, Vlachopoulos D, Healey EM, Massoud AT, Morris C, Revuelta Iniesta R. Nutritional Status of Children Diagnosed With Autism Spectrum Disorder: A Systematic Review and Meta-Analysis. J Hum Nutr Diet. 2025 Aug;38(4):e70099. doi: 10.1111/jhn.70099. PMID: 40708203; PMCID: PMC12290316.



