Bij autisme denken we vaak aan kenmerken die op een bepaald moment worden vastgesteld. Een kind heeft moeite met sociale afstemming, reageert sterk op prikkels, heeft behoefte aan voorspelbaarheid of vertoont herhalend gedrag. Een onderzoeker of hulpverlener kijkt, stelt vragen en maakt een beoordeling. Zo’n onderzoek blijft echter in zekere zin een foto, maar ontwikkeling is een film.
Een kind dat op achtjarige leeftijd duidelijke kenmerken van autisme heeft, hoeft die kenmerken als baby of peuter niet op dezelfde manier te hebben laten zien. Omgekeerd hoeft een baby die sociaal wat trager op gang komt later helemaal geen autisme te hebben.
Nieuw onderzoek waarin kinderen vanaf hun eerste levensjaar jarenlang werden gevolgd, maakt dat opvallend zichtbaar. De onderzoekers vonden niet één typische ontwikkelingsroute naar autisme, maar meerdere patronen. Sommige kinderen lieten al vroeg duidelijke verschillen zien. Bij anderen namen autistische kenmerken vooral tijdens de peutertijd toe. En bij weer anderen ontstond pas geleidelijk, gedurende de kinderjaren, een duidelijker beeld.
Dat idee heeft een naam gekregen: chronogeneity. Vrij vertaald: verschillen in het tijdstip en verloop waarin kenmerken zichtbaar worden. Dat klinkt academisch. De praktische boodschap is gelukkig eenvoudiger: bij autisme is niet alleen belangrijk wat je ziet, maar ook wanneer het verschijnt en hoe het verandert.
Een diagnose is een momentopname
Autisme is een ontwikkelingsverschil. Dat woord ‘ontwikkeling’ verdient meer aandacht dan het soms krijgt. Een kind van twee leeft tenslotte in een heel andere wereld dan een kind van acht. Een peuter hoeft geen huiswerk te plannen, groepsgesprekken te volgen, vriendschappen te onderhouden of zelfstandig een druk schoolplein te overleven. Naarmate een kind ouder wordt, veranderen de eisen.
Daardoor kunnen eigenschappen die aanvankelijk nauwelijks problemen opleveren later veel belangrijker worden. Een kind kan in een overzichtelijke peuterspeelzaal prima functioneren, maar enkele jaren later vastlopen wanneer sociale situaties ingewikkelder worden en school steeds meer zelfstandigheid verlangt. Een diagnose op één leeftijd vertelt daarom niet automatisch hoe iemand zich daarvóór heeft ontwikkeld.
Kinderen jarenlang volgen
Onderzoekers volgden 384 kinderen. De meesten hadden autisme, ADHD of beide in de directe familie. Er was ook een vergelijkingsgroep zonder zo’n familiegeschiedenis. De eerste onderzoeken vonden al tijdens het eerste levensjaar plaats. Daarna werden de kinderen meerdere keren onderzocht tot ze gemiddeld ruim acht jaar oud waren.
Dat is belangrijk omdat veel onderzoek naar autisme pas begint nadat een diagnose is gesteld. Dan weet je al welke kinderen uiteindelijk aan de diagnostische criteria voldoen. In dit onderzoek begonnen de onderzoekers dus al veel eerder. Niemand wist bij een baby van vijf of tien maanden hoe diens ontwikkeling jaren later zou verlopen.
Vijf patronen
Ouders beoordeelden gedrag en sociale vaardigheden. Onderzoekers observeerden de kinderen rechtstreeks. Daarnaast werd gekeken naar het functioneren in het dagelijks leven. Vervolgens zochten de onderzoekers naar groepen kinderen bij wie die ontwikkelingen min of meer dezelfde richting volgden. Daar kwamen vijf patronen uit:
| Ontwikkelingspatroon | Wat gebeurde er? |
|---|---|
| Eerst weinig, daarna veel kenmerken | In de babytijd waren weinig autistische kenmerken zichtbaar. Tijdens de peutertijd namen ze sterk toe. Later namen ze weer enigszins af. |
| Vroeg en blijvend veel kenmerken | Verschillen waren al vroeg zichtbaar en bleven gedurende de ontwikkeling duidelijk aanwezig. |
| Langzame starters | In het begin waren wat meer autistische kenmerken zichtbaar, maar deze namen later juist af. |
| Later opkomende kenmerken | In de babytijd viel relatief weinig op. Daarna namen kenmerken geleidelijk toe tot rond de leeftijd van 8 jaar. |
| Stabiel weinig kenmerken | Tijdens de hele ontwikkeling waren weinig autistische kenmerken aanwezig. |
Het gaat niet om vijf typen autisme, maar om statistische patronen die onderzoekers in één groep kinderen vonden. Zie de groepen daarom eerder als vijf routes op een landkaart. Ze laten zien dat verschillende wegen ongeveer dezelfde bestemming kunnen bereiken.
Autisme kan vroeg zichtbaar worden
Bij één kleine groep waren al tijdens de eerste levensjaren relatief veel kenmerken zichtbaar. Dat beeld bleef daarna grotendeels bestaan. Bijna driekwart van deze kinderen kreeg uiteindelijk een autismediagnose, meestal al rond het derde levensjaar. Deze kinderen hadden later gemiddeld ook meer problemen met dagelijkse vaardigheden. Daarnaast waren er relatief veel ADHD-kenmerken, angst en emotionele of gedragsproblemen.
Dat klinkt als het klassieke beeld van autisme: verschillen worden vroeg zichtbaar en blijven aanwezig. Maar het onderzoek laat ook zien dat dit maar één mogelijke ontwikkeling is.
Soms verandert er veel in de peutertijd
Bij een kleine groep zagen onderzoekers in de vroege babytijd juist weinig opvallends. Vervolgens veranderde het beeld snel. Tussen de babytijd en peuterleeftijd namen autistische kenmerken sterk toe en ging het dagelijks sociaal functioneren achteruit. Later namen sommige kenmerken weer wat af.

Ruim zeven op de tien kinderen in deze groep kregen een autismediagnose. Alle diagnoses werden al rond het derde levensjaar gesteld. Opvallend genoeg hadden deze kinderen in de middenkindertijd, rond de leeftijd van 8 jaar, gemiddeld een gewone cognitieve ontwikkeling. Hun intelligentieniveau vertelde dus weinig over hoeveel moeite het dagelijks functioneren hen kostte. Dat is een belangrijke les want weten wat iemand cognitief kan, zegt niet automatisch hoeveel energie het kost om dat vermogen dagelijks te gebruiken.
Een kind kan bijvoorbeeld uitstekend begrijpen wat een leerkracht bedoelt, maar toch grote moeite hebben met onverwachte veranderingen, sociale interpretatie of zelfstandig organiseren.
Soms zie je het pas veel later
Misschien is de opvallendste groep wel die van de kinderen bij wie autistische kenmerken pas geleidelijk duidelijker werden. Als baby vielen zij gemiddeld nauwelijks op, maar vanaf de peutertijd veranderde het patroon. Sociale vaardigheden bleven steeds verder achter en autistische kenmerken namen langzaam toe. Ongeveer de helft van deze kinderen kreeg uiteindelijk, vaak rond het negende levensjaar, een autismediagnose. Dit onderzoek ondersteunt dus niet dat je achteraf altijd duidelijke signalen in de babytijd zou moeten kunnen aanwijzen.
Bij sommige kinderen kan het vroege gedrag betrekkelijk weinig aanleiding geven tot zorgen, terwijl later toch een duidelijk autismepatroon ontstaat. Dat betekent niet dat autisme plotseling ‘begint’ op zeven of achtjarige jarige leeftijd. Het kan ook betekenen dat bepaalde verschillen pas zichtbaar worden wanneer de omgeving meer vraagt.
De omgeving verandert mee
Een baby hoeft sociaal gezien nog niet zoveel. Een ouder past zich bovendien voortdurend aan. Dat gebeurt vaak automatisch. DE baby houdt niet van onverwachte geluiden? Dan gaat de stofzuiger misschien pas aan tijdens het middagslaapje. Een peuter speelt liever alleen? Geen probleem.
Maar op school wordt de wereld ingewikkelder. Er komen klasgenoten, pauzes, verjaardagen, gymzalen, samenwerken, schoolreisjes, steeds langere instructies en een groeiende hoeveelheid ongeschreven sociale regels. Een eigenschap die thuis nauwelijks opvalt, kan onder zulke omstandigheden ineens een struikelblok worden.
Dat betekent niet dat de omgeving autisme veroorzaakt. Het betekent dat kenmerken pas zichtbaar kunnen worden wanneer de omstandigheden er een groter beroep op doen. Denk bijvoorbeeld aan een bril. Iemand kan prima door het leven gaan zolang alles dichtbij staat. Pas wanneer hij verkeersborden in de verte moet lezen, of het schoolbord, blijkt dat het zicht onscherp is.
Vroege verschillen voorspellen ook niet alles
Het omgekeerde gebeurde eveneens. Een vrij grote groep kinderen begon wat langzamer. In de eerste levensfase hadden zij gemiddeld iets minder sterke sociale vaardigheden en wat meer autistische kenmerken dan de grootste vergelijkingsgroep. Maar daarna haalden ze in.
In de middenkindertijd functioneerden zij gemiddeld binnen het gebruikelijke bereik. Slechts een klein deel kreeg een autismediagnose. Dat is een belangrijke tegenhanger van het verhaal over vroege herkenning. Eén opvallend kenmerk bij een baby of peuter voorspelt niet automatisch autisme.
Een kind dat weinig oogcontact maakt, laat praat, sterk op geluid reageert of liever alleen speelt, bevindt zich niet noodzakelijk op een vastgelegde route naar een diagnose. Ontwikkeling is geen trein die eenmaal op een spoor staat en daarna alleen nog maar rechtdoor kan.
Autisme en ADHD lopen door elkaar
Ook familiegeschiedenis bleek samen te hangen met sommige ontwikkelingsroutes. Dat autisme vaker voorkwam bij kinderen met autisme in de familie is niet verrassend. Interessanter was de relatie met ADHD.
Kinderen in de groep met later opkomende autistische kenmerken hadden relatief vaak ADHD in de familie. Op achtjarige leeftijd hadden zij bovendien gemiddeld meer kenmerken van zowel autisme als ADHD. Dat past bij wat uit ander onderzoek al langer naar voren komt: autisme en ADHD overlappen deels in aanleg en kenmerken.
Daar moeten we wel voorzichtig mee zijn want de kinderen kregen in dit onderzoek geen uitgebreide ADHD-diagnostiek. De onderzoekers maten vooral ADHD-kenmerken. We kunnen daarom niet zeggen hoeveel kinderen daadwerkelijk AuDHD hadden. Wel onderstreept het resultaat dat neuroontwikkeling zich weinig aantrekt van de keurige vakjes in onze classificatiehandboeken.
IQ is niet hetzelfde als functioneren
Sommige groepen met veel autistische kenmerken hadden gemiddeld een normale cognitieve ontwikkeling. Toch verschilden zij sterk in dagelijks functioneren.
Stel dat een kind een gemiddelde of bovengemiddelde intelligentie heeft. Dan ontstaat al snel de verwachting dat het zichzelf ook behoorlijk moet kunnen redden. Maar begrijpen hoe iets werkt, is iets anders dan het dagelijks uitvoeren. Iemand kan bijvoorbeeld precies weten hoe je een tas voor school inpakt en toch iedere ochtend volledig vastlopen bij het organiseren ervan
De vraag is niet alleen: kan iemand het? Minstens zo belangrijk is: wat kost het om het te kunnen?
Iemand kan uitstekende taalvaardigheden hebben en toch uitgeput raken van gesprekken. En iemand kan complexe informatie begrijpen terwijl onverwachte veranderingen enorm veel energie kosten.
Diagnostiek mag meer op een film lijken
Wanneer een kind op driejarige leeftijd niet aan de criteria voor autisme voldoet, betekent dat niet automatisch dat de vraag voor altijd is afgehandeld. Als later nieuwe problemen ontstaan, moet opnieuw gekeken kunnen worden. Niet vanuit de gedachte dat iedere moeilijke schoolperiode alsnog autisme moet blijken te zijn. Wel vanuit de wetenschap dat het beeld zich kan ontwikkelen.
Daarbij helpt het om niet alleen te vragen: Was dit vroeger ook al zo? Andere vragen kunnen minstens zo waardevol zijn:
- Wanneer werd het dagelijks leven moeilijker?
- Welke situaties gingen vroeger vanzelf en nu niet meer?
- Welke sociale eisen zijn veranderd?
- Wanneer ontstond overprikkeling?
- Hoeveel ondersteuning bood de omgeving zonder dat iemand dat als ondersteuning zag?
- Welke strategieën heeft iemand zelf ontwikkeld?
Zo ontstaat geen verzameling losse symptomen, maar een ontwikkelingsverhaal.
Ook relevant voor late diagnoses
Hoewel dit onderzoek kinderen volgde, is de achterliggende gedachte ook interessant voor volwassenen die pas laat een autismediagnose krijgen. Bij zo’n diagnose wordt vaak uitgebreid naar de jeugd gevraagd. Dat is terecht. Autisme is geen aandoening die plotseling op het veertigste levensjaar ontstaat.
Maar een probleem ontstaat wanneer we verwachten dat autisme tijdens de peuter- of kleutertijd altijd al duidelijk herkenbaar moet zijn geweest. Een volwassene kan best zeggen: “Mijn ouders zagen vroeger eigenlijk niets bijzonders.” Dat hoeft een diagnose niet automatisch onmogelijk te maken want misschien waren de eisen lager, paste de omgeving goed of leerde iemand al snel veel compenseren. Misschien werden bijzonderheden uitgelegd als verlegenheid, koppigheid, slimheid, dromerigheid of gevoeligheid.
Dat betekent niet dat ieder probleem achteraf autisme was. Wel dat ontwikkelingsgeschiedenis meer is dan zoeken naar een paar stereotypen uit de kleutertijd.
Van ‘hoeveel autisme?’ naar ‘hoe ontwikkelt iemand zich?’
Autisme wordt vaak voorgesteld als een schaal: iemand heeft weinig of veel kenmerken. Dit onderzoek voegt daar een tweede dimensie aan toe, namelijk tijd.
Twee kinderen kunnen op achtjarige leeftijd ongeveer evenveel autistische kenmerken hebben, maar daar via totaal verschillende ontwikkelingsroutes terecht zijn gekomen. En twee baby’s die aanvankelijk sterk op elkaar lijken, kunnen jaren later heel verschillend functioneren.
Charman, T., Bazelmans, T., Pasco, G., Begum Ali, J., Jones, E. J. H., Johnson, M. H., & The BASIS/STAARS Team (2026). Developmental Trajectories of Autistic Traits in Infants With Autism and/or ADHD Family History: Predictors and Mid-Childhood Outcomes. Journal of Autism and Developmental Disorders. https://doi.org/10.1007/s10803-026-07481-3.


