Zin en onzin van sociale vaardigheidstraining bij autisme

Voor jongeren met autisme wordt de sociale wereld vaak ingewikkelder naarmate ze ouder worden. Op de basisschool kun je nog redelijk ver komen met samen spelen, een verjaardag bezoeken en weten wanneer je aan de beurt bent. In de puberteit verandert het speelveld.

Vriendschappen krijgen meer lagen. Er ontstaan groepsapps, verkeringen, conflicten, ongeschreven regels en subtiele verwachtingen. Later komen studie, stages en werk erbij. Ineens moet je niet alleen begrijpen wat iemand zegt, maar soms ook raden wat diegene bedoelt.

Sociale vaardigheidstraining lijkt daarom een voor de hand liggende vorm van ondersteuning. Jongeren oefenen gesprekken, vriendschappen en lastige sociale situaties. Zulke trainingen worden wereldwijd aangeboden. Maar werken ze ook?

Een nieuwe systematische review en meta-analyse levert een interessant antwoord op. Sociale vaardigheidstraining lijkt inderdaad iets te kunnen opleveren. Alleen is het helemaal niet zeker dat dit komt door de sociale lessen zelf. Misschien zit een belangrijk deel van de winst simpelweg in iets veel menselijkers: regelmatig samenkomen, oefenen, aandacht krijgen en ergens bij horen.

Als sociale situaties ingewikkelder worden

Veel mensen met autisme herkennen het gevoel dat anderen een sociale handleiding lijken te hebben gekregen die bij henzelf nooit in de brievenbus is gevallen.

Dat betekent niet automatisch dat iemand geen behoefte heeft aan contact. Ook betekent het niet dat mensen met autisme per definitie sociaal onvaardig zijn. Wel kunnen bepaalde situaties meer denkwerk vragen. Wanneer kun je ergens tussenkomen? Is een opmerking serieus of sarcastisch? Wanneer wordt een kennis een vriend? Hoe merk je dat iemand genoeg heeft van een gesprek? Dat soort vragen worden tijdens de adolescentie belangrijker.

Onderzoekers keken daarom specifiek naar jongeren en jongvolwassenen van 12 tot 25 jaar. Ze verzamelden 15 onderzoeken met samen 1.244 deelnemers. Vrijwel alle onderzoeken gingen over jongeren met een autismediagnose die deelnamen aan een programma om sociale vaardigheden te oefenen.

De trainingen verschilden van elkaar. Sommige werden geleid door hulpverleners, andere door leraren, ouders of leeftijdgenoten. Een groot deel maakte gebruik van PEERS, een bekend trainingsprogramma waarin onder andere gesprekken, vriendschappen en sociale problemen worden geoefend.

PEERS staat voor Program for the Education and Enrichment of Relational Skills. Het is een gestructureerd programma dat jongeren en jongvolwassenen met autisme helpt om sociale situaties beter te begrijpen en ermee te oefenen. Er bestaan aangepaste versies voor verschillende leeftijden en landen, waaronder Nederland.

De training bestaat meestal uit wekelijkse bijeenkomsten van ongeveer anderhalf uur, gedurende zo’n drie tot vier maanden. Jongeren oefenen bijvoorbeeld gesprekken voeren, contact leggen, vriendschappen onderhouden en omgaan met lastige sociale situaties. Daarbij worden uitleg, rollenspellen, herhaling en huiswerk gebruikt. In veel varianten volgen ouders tegelijkertijd een apart onderdeel. Zij leren hoe ze hun kind kunnen ondersteunen en thuis kunnen helpen oefenen.

Dat klinkt praktisch, maar er zit ook een belangrijke kanttekening aan. PEERS leert sociale regels vrij expliciet aan. Dat kan nuttig zijn voor iemand die zelf graag meer grip wil krijgen op sociale situaties. Maar het risico bestaat dat succes vooral wordt afgemeten aan hoe goed iemand zich aan gangbare sociale verwachtingen aanpast. Vanuit een neurodiversiteitsperspectief is het daarom belangrijk om de vraag te blijven stellen: helpt dit iemand om prettiger en zelfverzekerder contact te hebben, of vooral om minder autistisch over te komen?

Wat leer je tijdens zo’n training?

Sociale vaardigheidstraining is een verzamelnaam. De ene training richt zich vooral op gesprekken voeren. Een andere leert jongeren hoe ze contact kunnen leggen, een meningsverschil kunnen oplossen of vrienden kunnen uitnodigen. Soms wordt gewerkt met rollenspellen. Soms krijgen jongeren huiswerk. Ouders kunnen worden betrokken om thuis verder te oefenen.

Het uitgangspunt klinkt logisch: sociale situaties bestaan gedeeltelijk uit vaardigheden en vaardigheden kun je aanleren en oefenen. Dat gebeurt bovendien vaak heel concreet.

Stel dat een jongere graag vrienden wil maken, maar niet weet hoe hij van een oppervlakkig gesprek naar daadwerkelijk contact komt. Dan kan het nuttig zijn om mogelijkheden te bespreken en uit te proberen. Dat is iets anders dan iemand leren zich zo neurotypisch mogelijk te gedragen. Dat onderscheid is belangrijk.

Op het eerste gezicht werkt het

Wanneer de onderzoekers sociale vaardigheidstraining vergeleken met een wachtlijst, waren de resultaten behoorlijk positief. Jongeren die de training hadden gevolgd, lieten gemiddeld betere sociale vaardigheden zien. Dat kwam naar voren in observaties van onderzoekers en in beoordelingen door jongeren zelf en hun ouders.

Vooral de kennis over sociale situaties nam duidelijk toe. Dat is niet zo vreemd. Wie wekenlang leert hoe bepaalde sociale situaties werken, weet daarna waarschijnlijk meer over zulke situaties dan iemand die nog op een wachtlijst staat. Ook op praktisch sociaal functioneren vonden de onderzoekers verbeteringen. Ouders zagen eveneens vooruitgang. Tot zover lijkt het verhaal eenvoudig: sociale vaardigheidstraining werkt.

Een wachtlijst doet helemaal niets

Het probleem met een wachtlijst als vergelijking is namelijk dat deelnemers in de andere groep meestal geen vergelijkbare activiteit krijgen. De ene jongere volgt bijvoorbeeld veertien weken lang een programma. Er is een vaste begeleider, een groep, aandacht, structuur, contact met anderen en gelegenheid om dingen uit te proberen.

De jongere uit de controlegroep wacht. Als de eerste groep daarna vooruitgaat, weet je nog niet precies waardoor. Kwam het door de speciale oefeningen? Of doordat jongeren iedere week ergens naartoe gingen, mensen ontmoetten en zich hoe dan ook sociaal konden oefenen?

Een paar onderzoeken in de review gebruikten daarom een veel strengere vergelijking. Jongeren kregen niet óf sociale vaardigheidstraining óf niets, maar sociale vaardigheidstraining óf een andere gestructureerde groepsactiviteit. In een Australisch onderzoek kreeg de controlegroep bijvoorbeeld een kookprogramma. Dat veranderde de uitkomst behoorlijk.

Tegen een andere groepsactiviteit verdwijnt het voordeel

Wanneer sociale vaardigheidstraining werd vergeleken met zo’n actieve controlegroep, vonden de onderzoekers geen overtuigend bewijs meer dat de sociale training beter werkte! Niet bij observaties. Niet volgens de jongeren. Niet volgens hun ouders. En ook niet volgens leraren.

Dat betekent niet dat sociale vaardigheidstraining nutteloos is. Het betekent dat we niet zeker weten welk onderdeel werkzaam is. Misschien helpt de specifieke lesstof. Maar mogelijk ontstaat een flink deel van het voordeel doordat jongeren gedurende langere tijd deelnemen aan een veilige en gestructureerde activiteit dat dus net zo goed een kookprogramma kan zijn.

Ze ontmoeten mensen. Ze proberen dingen uit. Ze krijgen aandacht. Ze hebben regelmatig contact. En ze bouwen misschien langzaam zelfvertrouwen op. Een sociale training zou dan deels werken omdat ze… sociaal is. Dat klinkt bijna als een flauwe woordspeling, maar het is een belangrijk verschil.

De groep als medicijn

Denk aan iemand van zestien die iedere dinsdagavond naar een kleine groep gaat. Iedereen weet waarom hij daar is. De bijeenkomst heeft een vaste structuur. Vergissingen zijn toegestaan. Er is geen examen in gezelligheid. Na een paar maanden durft die jongere gemakkelijker iets te zeggen en merkt hij dat gesprekken minder bedreigend zijn.

Misschien hoeven betekenisvolle sociale ervaringen niet altijd in de vorm van therapie te worden aangeboden.

Is dat gebeurd doordat hij precies heeft geleerd hoeveel seconden hij oogcontact moet maken? vermoedelijk niet. Het zou ook kunnen komen doordat hij twintig keer heeft ervaren: ik kan hier gewoon zitten, praten en soms iets verkeerd zeggen zonder dat de wereld vergaat.

Een kookgroep kan óók sociaal zijn

Voor sommige jongeren kan een sociale vaardigheidstraining precies bieden wat zij zoeken, maar anderen hebben misschien meer aan toneel, bordspellen, programmeren, muziek, sport, (vrijwilligers)werk of een andere activiteit rond een gedeelde interesse.

Het voordeel daarvan is dat het gesprek niet voortdurend het doel hoeft te zijn. Wie samen een maaltijd kookt, een game speelt of iets bouwt, heeft vanzelf iets om over te praten. De activiteit draagt als het ware een deel van het sociale contact. Dat kan voor mensen met autisme een stuk prettiger zijn dan een bijeenkomst waarbij voortdurend wordt verwacht dat iedereen sociaal presteert.

De huidige review bewijst overigens niet dat hobbyclubs over de hele linie even effectief zijn als sociale vaardigheidstraining. Daarvoor is ander onderzoek nodig. Maar de resultaten geven wel reden om breder te denken dan: sociale problemen vragen om sociale les.

Weten hoe het moet is nog niet hetzelfde als het kunnen

Een andere interessante uitkomst is het verschil tussen sociale kennis en sociale uitvoering. Jongeren konden na sommige trainingen veel beter aangeven wat in een bepaalde sociale situatie van hen werd verwacht. De theorie zat er goed in. Maar kennis toepassen in het dagelijks leven, in alle verschillende settings en contexten, is iets anders.

Je kunt dan misschien uitstekend weten dat het handig is om tijdens een gesprek vragen te stellen. Dat betekent echter nog niet dat dit ook lukt wanneer je moe bent, het lokaal gonst van stemmen en je ondertussen probeert te begrijpen of iemand een grap maakt.

Dat onderscheid herkent vrijwel iedereen waarvoor dit blog bedoeld is. Je kunt honderd boeken lezen over gezond eten en toch met een zak chips op de bank eindigen. Sociale vaardigheden werken vergelijkbaar. Een regel kennen is iets anders dan die regel op het juiste moment kunnen toepassen. Of het juiste moment als zodanig herkennen…

Voor mensen met autisme blijven prikkels, onzekerheid, verwerkingstijd en de complexiteit van de omgeving een grote rol spelen.

Leraren zagen weinig verandering

Opvallend genoeg zagen leraren gemiddeld geen duidelijke verbetering. Daar kunnen verschillende verklaringen voor zijn.

School is sociaal gezien een behoorlijk veeleisende omgeving. Jongeren moeten schakelen tussen lessen, pauzes, groepen, docenten en medeleerlingen. Er is weinig tijd om rustig na te denken over een aangeleerde strategie. Een vaardigheid die in een trainingsruimte goed lukt, hoeft daarom in een volle schoolkantine niet automatisch beschikbaar te zijn.

Daarnaast is het mogelijk dat ouders andere veranderingen zien dan leraren. Ouders zien situaties buiten school. Tegelijkertijd kunnen ouders extra hopen dat een training helpt en daardoor veranderingen eerder opmerken.

Geen van beide perspectieven is automatisch fout. Het laat vooral zien dat sociale vaardigheden sterk afhankelijk zijn van de omgeving.

De omgeving mag ook iets leren

Daar zit meteen een belangrijk neurodiversiteitspunt want veel traditionele sociale vaardigheidstrainingen vertrekken vanuit de vraag: Hoe kunnen we deze persoon beter laten functioneren in onze sociale wereld? Daar hoort echter minstens één andere vraag naast, namelijk Hoe kunnen we die sociale wereld toegankelijker maken?

Als een leerling nauwelijks mee kan praten omdat een pauzeruimte extreem rumoerig is, hoeft (en kan) de oplossing niet uitsluitend uit gesprekstraining te bestaan. Een rustige plek kan ook helpen…

Als iemand moeite heeft met impliciete opdrachten op het werk, kan expliciet communiceren effectiever zijn dan proberen die werknemer beter te leren raden, al dan niet met aangeleerd zoveel seconden oogcontact…

Ondersteuning wordt pas werkelijk persoonsgericht wanneer het doel aansluit bij wat iemand zelf belangrijk vindt.

Iemand die een grondige hekel heeft aan grote groepen hoeft niet getraind te worden tot feestbeest. Integendeel, we kunnen ook gewoon met afspreken dat we elkaar in onze eigen, al dan niet eigenaardige waarde laten. Alle mensen zijn, hoewel in de basis gelijkwaardig, ongelijk. En dat is nou juist zo mooi.

Een jongere kan bijvoorbeeld zeggen: “Ik wil graag leren hoe ik iemand kan vragen om samen iets te doen.” Dat is een concreet en persoonlijk doel. Iets heel anders is: “Je moet leren meer oogcontact te maken, want dat hoort zo.”

Bij de eerste benadering krijgt iemand extra mogelijkheden. Bij de tweede wordt vooral gedrag gecorrigeerd.

Wanneer kan sociale vaardigheidstraining wél helpen?

Ondanks alle kanttekeningen hoeft sociale vaardigheidstraining zeker niet bij het grofvuil. De aanpak kan heel nuttig zijn wanneer iemand zelf tegen concrete situaties aanloopt.

Bijvoorbeeld:

  • “Ik wil graag vrienden maken, maar weet niet hoe ik contact kan onderhouden.”
  • “Ik raak steeds in conflict omdat ik niet begrijp wanneer iemand iets indirect bedoelt.”
  • “Ik wil graag daten, maar vind de ongeschreven regels verwarrend.”
  • “Ik weet niet hoe ik tijdens mijn stage aansluiting kan vinden.”

Dan kan samen analyseren, oefenen en uitproberen heel waardevol zijn.

Het helpt waarschijnlijk wanneer de doelen persoonlijk zijn, de omgeving veilig is en vaardigheden in echte situaties kunnen worden geoefend. Ook ouders, begeleiders en scholen kunnen daarbij ondersteunen. Niet door voortdurend gedrag te corrigeren, maar door ruimte te creëren om ervaringen op te doen.

In de praktijk kan het het verschil zijn tussen iemand leren voldoen aan de sociale norm en iemand ondersteunen om zijn eigen plek tussen andere mensen te vinden.

Velalagan R, Wu WT, John JR, Lin P-I, Eapen V. Effectiveness of social skills interventions in young people aged 12 to 25 years with autism spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. BMC Psychiatry, 2026. DOI: 10.1186/s12888-026-08579-9. Article in Press.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *