Wie krijgt een ADHD-diagnose?

Twee leerlingen zitten in dezelfde klas. Beiden vergeten regelmatig hun spullen. Ze verliezen de draad tijdens uitleg, stellen opdrachten uit en hebben moeite om overzicht te houden. De ene leerling is druk, praat veel en trekt zichtbaar de aandacht. De andere zit stil bij het raam, levert haar werk vaak nét op tijd in en compenseert thuis met uren extra werk.

Wie van de twee wordt het eerst onderzocht op ADHD? Dat lijkt misschien een simpele vraag. Toch raakt ze aan een belangrijk probleem. Een ADHD-diagnose hangt niet alleen samen met de kenmerken die iemand heeft. Ook zichtbaarheid, schoolprestaties, gezinssituatie en de weg naar zorg kunnen een rol spelen.

Een grote Zweedse studie onder bijna 300.000 scholieren laat zien hoe sterk het beeld verandert wanneer onderzoekers niet alleen kijken naar wie een ADHD-diagnose heeft, maar óók naar hoe leerlingen op school presteren. De uitkomsten verrassen hier en daar. Vooral onder meisjes, kinderen van hoogopgeleide ouders en leerlingen met een migratieachtergrond.

Een ADHD-diagnose ontstaat niet in een vacuüm

ADHD wordt niet vastgesteld met een bloedtest of hersenscan. Een diagnose ontstaat op basis van gedrag, ontwikkeling en functioneren in het dagelijks leven. Daarbij wordt gekeken naar verschillende omgevingen. Thuis bijvoorbeeld, maar zeker ook naar school.

Op school wordt nogal wat gevraagd van vaardigheden waarmee mensen met ADHD juist moeite kunnen hebben. Den aan aandacht vasthouden, plannen, beginnen aan saaie taken, spullen onthouden, stilzitten, opdrachten afronden en deadlines bewaken. Een leerling die daarop vastloopt, valt dus eerder op.

Maar daarmee ontstaat ook een ingewikkelde situatie. Want dezelfde ADHD-kenmerken kunnen er bij verschillende leerlingen heel anders uitzien. Bovendien reageert de omgeving niet op iedereen hetzelfde. Wie voor de omgeving zichtbaar vastloopt, wordt sneller gezien dan iemand die geruisloos kopje-onder gaat.

School is vaak de plek waar ADHD zichtbaar wordt

Lage schoolprestaties kunnen een signaal zijn dat er iets speelt. Maar ze zijn natuurlijk geen ADHD-test. Een leerling kan ook slecht presteren door dyslexie, spanningen thuis, slaapproblemen, depressie, taalproblemen, pesten, onvoldoende onderwijs of simpelweg omdat de opleiding niet goed past.

En andersom kan iemand met duidelijke ADHD juist uitstekende cijfers halen.

Dorien van 15 vergeet voortdurend wat ze moet doen, begint drie keer opnieuw aan haar huiswerk en zit tot elf uur ’s avonds te leren. Op school haalt ze zevens en achten. Op papier gaat het allemaal prima, maar niemand ziet dat haar schooldag thuis nog vijf uur doorgaat. Juist daarom is het interessant om schoolprestaties niet als bewijs voor ADHD te gebruiken, maar als één stukje van een veel grotere puzzel.

Een onderzoek onder bijna 300.000 leerlingen

De Zweedse onderzoeker Björn Högberg gebruikte landelijke registers van 296.380 leerlingen die tussen 2015 en 2017 de middelbare school verlieten, dus rond hun zestiende jaar. Hij keek naar geregistreerde ADHD-diagnoses en ADHD-medicatie. Daarnaast waren gegevens beschikbaar over schoolresultaten, geslacht, migratieachtergrond en het opleidingsniveau van de ouders.

Eerst keek de onderzoeker naar de gebruikelijke verschillen tussen groepen. Daarna vergeleek hij leerlingen opnieuw, maar hield hij rekening met hun schoolprestaties.

Jongens krijgen vaker ADHD op hun dossier

Zoals verwacht kwam een ADHD-diagnose vaker voor bij jongens dan bij meisjes. Dat patroon kennen we al uit andere onderzoeken. Maar toen schoolprestaties werden meegenomen, werd het verschil tussen jongens en meisjes ongeveer twee derde kleiner.

Dat betekent niet dat jongens en meisjes “eigenlijk even vaak ADHD hebben”. Zo’n conclusie kan deze studie helemaal niet trekken. De onderzoekers beschikten namelijk niet over een directe meting van ADHD-kenmerken bij alle leerlingen. Wel laat het resultaat iets anders zien: een flink deel van het verschil in diagnoses hangt samen met verschillen in schoolprestaties.

Jongens presteren gemiddeld minder goed op school dan meisjes. En juist slecht functioneren op school is een belangrijke aanleiding om te denken: misschien moeten we verder kijken. Wie zichtbaar vastloopt, komt eerder op de radar.

Bij meisjes komt herkenning vaak later

Jongens krijgen gemiddeld eerder een ADHD-diagnose dan meisjes. Toen de onderzoekers ook rekening hielden met dat verschil, veranderde het beeld opnieuw.

Onder adolescenten die nog niet eerder waren gediagnosticeerd, hadden meisjes bij vergelijkbare schoolprestaties uiteindelijk zelfs een grotere kans op een nieuwe ADHD-diagnose dan jongens. Dat past bij het idee dat ADHD bij meisjes later wordt herkend.

Een mogelijke verklaring is dat meisjes vaker kenmerken hebben die minder opvallen. Ze zijn bijvoorbeeld minder storend in de klas, maar wel vergeetachtig, chaotisch of snel afgeleid. Een drukke jongen die tijdens de rekenles door de klas loopt, veroorzaakt een probleem dat iedereen ziet. Een meisje dat twintig minuten uit het raam staart, veroorzaakt vooral een probleem voor zichzelf.

Daarnaast kunnen sommige meisjes hun problemen lange tijd compenseren. Ze controleren alles drie keer, vragen hulp aan vriendinnen of stoppen buitensporig veel tijd in schoolwerk. Van buiten ziet dat eruit als goed functioneren. Totdat het niet meer lukt.

Goede cijfers kunnen problemen verbergen

Daar zit ook een belangrijke les voor volwassenen met ADHD. Functioneren kun je niet volledig aflezen aan het resultaat.

Iemand kan een studie afronden en ondertussen structureel nachten doorwerken. Een werknemer kan uitstekende rapporten schrijven en thuis nergens meer energie voor hebben. Een scholier kan achten halen en iedere ochtend in paniek zoeken naar boeken, sleutels en gymspullen. De uitkomst is dan goed. Het proces ernaartoe misschien helemaal niet.

De verrassende rol van het opleidingsniveau van ouders

Op het eerste gezicht kwam ADHD vaker voor bij kinderen van lager opgeleide ouders. Maar zodra leerlingen met vergelijkbare schoolprestaties werden vergeleken, draaide het beeld om.

Bij hetzelfde prestatieniveau hadden kinderen van hoger opgeleide ouders juist vaker een ADHD-diagnose. De studie bewijst niet waarom, maar de onderzoekers noemen een aantal mogelijke verklaringen.

Hoger opgeleide ouders beschikken gemiddeld vaker over kennis van gezondheid en onderwijs. Ze herkennen problemen mogelijk eerder en weten beter waar ze terechtkunnen. Ook kunnen zij hogere verwachtingen hebben van schoolprestaties. Wanneer een kind dat volgens hen prima zou moeten kunnen meekomen ineens achterblijft, ontstaat sneller de vraag: wat is hier aan de hand?

En daarna begint iets wat iedere ouder met ervaring in jeugdzorg waarschijnlijk herkent: het vinden van de juiste ingang, formulieren invullen, gesprekken voeren, wachten, opnieuw bellen en proberen bij de juiste professional terecht te komen. Dat maakt sociale ongelijkheid relevant.

Migratieachtergrond

Leerlingen met een migratieachtergrond kregen duidelijk minder vaak een ADHD-diagnose dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Bij leerlingen die zelf buiten Zweden waren geboren was dat verschil het grootst.

Je zou kunnen denken: misschien presteren deze leerlingen gemiddeld anders op school en verklaart dat het verschil. Maar toen de onderzoekers schoolprestaties meenamen, verdween het verschil niet. Ook bij vergelijkbare schoolprestaties kregen leerlingen met een migratieachtergrond dus minder vaak een ADHD-diagnose. Dat roept vragen op over toegankelijkheid.

Als dezelfde problemen niet tot dezelfde hulp leiden

Ook hier weet de studie niet precies waar het verschil ontstaat. Misschien herkennen ouders ADHD minder snel. Misschien bestaan er andere culturele ideeën over drukte, concentratieproblemen of psychiatrische diagnoses. Taal kan eveneens een rol spelen.

Daarnaast kunnen leraren gedrag verschillend interpreteren. Een concentratieprobleem kan bijvoorbeeld worden gezien als ADHD, maar ook als ongemotiveerd gedrag of als gevolg van onvoldoende taalbeheersing.

Vervolgens moet een gezin ook nog de weg naar hulp weten te vinden. Dat maakt het diagnostische proces gevoelig voor allerlei filters.

  • Eerst moet iemand een probleem zien.
  • Daarna moet iemand denken aan ADHD.
  • Vervolgens moet iemand verwijzen.
  • Het gezin moet die verwijzing kunnen en willen volgen.
  • En pas daarna komt de eigenlijke diagnostiek.

Op iedere trede van die trap kunnen mensen afhaken of over het hoofd worden gezien.

Een diagnose mag geen kwestie van zichtbaarheid zijn

De Zweedse studie laat uiteindelijk vooral zien hoe misleidend eenvoudige cijfers kunnen zijn.

  • “Jongens krijgen vaker ADHD.”
  • “ADHD komt vaker voor in bepaalde sociale groepen.”
  • “Kinderen met een migratieachtergrond hebben minder vaak ADHD.”

Zulke uitspraken lijken helder, maar zeggen zonder context een stuk minder dan we denken. Een diagnose is namelijk niet hetzelfde als het onderliggende neurodivergente profiel.

Tussen die twee liggen ouders, leraren, schoolresultaten, verwijzingen, wachtlijsten, verwachtingen en zorgsystemen. Wie ADHD wil herkennen, moet daarom verder kijken dan degene die het hardst wiebelt op zijn stoel.

Högberg B. Academic achievement and socio-demographic differences in ADHD diagnosis: a population-based study of Swedish compulsory school pupils. Child and Adolescent Psychiatry and Mental Health. 2026. Article in Press. DOI: 10.1186/s13034-026-01176-4.

Opmerking: het onderzoek was op het moment van raadplegen gepubliceerd als ‘Article in Press’. Het artikel is citeerbaar en heeft al een definitieve DOI; de geredigeerde eindversie kan nog tekstuele wijzigingen bevatten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *