Op weg naar een objectievere ADHD-diagnose

Wie ADHD heeft, weet hoe lastig het kan zijn om een goede diagnose te krijgen. Niet alleen omdat de symptomen sterk kunnen verschillen per persoon, maar ook omdat de diagnose nog grotendeels leunt op subjectieve oordelen. Vragenlijsten die ouders, leerkrachten of de persoon zelf invult, vormen vaak de basis. En dat is precies waar het wringt.

Het ene kind wordt door een drukke klas als ‘onhandelbaar’ gezien, terwijl een ander met stille concentratieproblemen nauwelijks opvalt. Leerkrachten, ouders en zelfs behandelaars verschillen in hun observaties. Dat leidt soms tot overdiagnose (een label dat niet terecht is) en soms tot onderdiagnose (problemen die jarenlang onopgemerkt blijven).

Voorbeeld? Denk aan een slimme puber met ADHD die zichzelf perfect weet te camoufleren op school, maar thuis uitgeput instort. Of aan een kind dat zich slecht kan concentreren omdat er thuis veel stress is – en daardoor onterecht het etiket ADHD krijgt.

De zoektocht naar objectieve maatstaven

Steeds meer onderzoekers proberen ADHD te begrijpen én meten met zogenaamde ‘biomarkers’. Dat zijn meetbare signalen uit het lichaam of brein die iets zeggen over een aandoening. Denk aan hersenactiviteit, bepaalde stoffen in het bloed, of zelfs de manier waarop je ogen bewegen.

Waarom dat zo belangrijk is? Omdat biomarkers – als ze goed werken – niet afhangen van de interpretatie van een leraar of ouder. Ze kunnen helpen om ADHD sneller, nauwkeuriger en eerlijker vast te stellen. En misschien zelfs voorspellen welke behandeling het beste werkt voor wie.

De zoektocht loopt via drie hoofdsporen: hersenscans, elektrische hersenactiviteit en lichamelijke stofjes. En dan zijn er ook nog een paar spannende buitenbeentjes…

Wat hersenscans wél en niet kunnen laten zien

MRI, fMRI, DTI zijn vormen van hersenscans. Ze kunnen laten zien hoe het brein eruitziet (structuur), hoe actief het is (functie) en hoe goed hersengebieden met elkaar samenwerken (verbindingen).

Bij mensen met ADHD zijn er gemiddeld veranderingen te zien in het voorste deel van de hersenen: de prefrontale cortex. Dat is het gebied dat verantwoordelijk is voor plannen, concentreren en impulsen onderdrukken.

Maar… dit zegt nog niets over het individu. Niet iedereen met ADHD laat zulke afwijkingen zien. En sommige mensen zonder ADHD hebben ze óók. Dus voorlopig zijn hersenscans vooral een hulpmiddel in onderzoek, niet in de spreekkamer.

Hersenactiviteit meten met elektroden

Een andere veelbelovende methode is het meten van hersengolven via een EEG (elektro-encefalogram). Daarmee kun je bijvoorbeeld de verhouding tussen trage (theta) en snelle (beta) hersengolven meten. Bij mensen met ADHD is die verhouding vaak hoger, wat wijst op moeite met aandacht vasthouden.

Ook de zogenoemde P300 – een elektrische piek die optreedt als je hersenen iets opmerken – is bij ADHD vaak vertraagd. Dat kan duiden op tragere informatieverwerking.

Deze technieken zijn goedkoop, veilig en goed te combineren met computerspelletjes of tests. Maar ook hier geldt: ze zijn (nog) niet precies genoeg om als enige basis voor een diagnose te dienen.

Speeksel, bloed en vitamine D

Kun je ADHD ook terugvinden in je bloed of speeksel? Er zijn aanwijzingen dat dat kan. Bijvoorbeeld via het stresshormoon cortisol: bij sommige mensen met ADHD is dat verhoogd, vooral bij wie snel overprikkeld raakt of zich slecht kan concentreren onder druk.

Ook zijn er ontstekingsstofjes (zoals IL-6 en TNF-α) die vaker voorkomen bij ADHD. Die zouden kunnen wijzen op een rol voor neuro-inflammatie, oftewel ‘ontsteking’ in de hersenen.

En dan is er nog vitamine D. Lage spiegels komen vaker voor bij mensen met ADHD, maar of dat een oorzaak of gevolg is, is nog onduidelijk.

Oogbewegingen

Sommige onderzoekers kijken verder dan het brein. Letterlijk. Met eye-tracking kun je zien hoe iemand kijkt tijdens een taak. Mensen met ADHD blijven bijvoorbeeld vaker hangen met hun blik of slaan juist snel en chaotisch heen en weer. Dat zegt iets over hun aandachtssysteem.

Pupillometrie meet hoe je pupil reageert op inspanning. Kinderen met ADHD hebben vaak grotere en langduriger pupilreacties bij lastige taken – een teken dat ze meer moeite doen om zich te concentreren.

Darmflora

En dan is er de darmflora. Steeds meer studies suggereren dat het microbioom – de bacteriën in je darmen – invloed heeft op gedrag en hersenfunctie. ADHD lijkt samen te hangen met een andere samenstelling van darmbacteriën. Sommige diëten of probiotica veranderen zowel de darmflora als de ADHD-symptomen. Fascinerend, maar voorlopig nog vooral voer voor verder onderzoek.

Gametaken en neuropsychologische toetsen

Geen zin in ellenlange vragenlijsten? Er bestaan inmiddels computerspelletjes die je aandacht, geheugen en impulscontrole testen. Tools zoals CANTAB en Cogmed zijn wetenschappelijk onderbouwd en worden steeds vaker ingezet.

Ze hebben een paar voordelen: ze meten gedrag in actie, ze zijn leuker om te doen dan standaardtests, en ze geven informatie over hoe snel en accuraat iemand reageert. Dat maakt ze ook geschikt voor mensen die minder verbaal zijn of moeite hebben met traditionele testen.

Niet iedereen met ADHD is gelijk

ADHD uit zich anders bij kinderen dan bij volwassenen. Waar jonge kinderen vooral opvallen door druk gedrag, hebben volwassenen vaak moeite met organiseren, concentreren en het vasthouden aan structuur – ook al hebben ze daar juist veel behoefte aan. En die verschillen zie je ook terug in hersenscans en biomarkerprofielen.

Daarnaast zijn er grote verschillen tussen mannen en vrouwen. Vrouwen met ADHD worden vaak later of helemaal niet gediagnosticeerd, omdat hun symptomen minder opvallen. Ze piekeren meer, vertonen minder impulsiviteit en passen zich vaker sociaal aan – maar dat betekent niet dat ze minder last hebben.

Tot slot zijn er veel mensen met ADHD die óók te maken hebben met angst, depressie of leerproblemen. Dat maakt het stellen van een duidelijke diagnose nóg lastiger, en vergroot de behoefte aan objectieve meetmethoden.

Hoe sociale steun het verschil kan maken

ADHD gaat zelden over alleen ‘niet stil kunnen zitten’. Het raakt álle domeinen van het leven: school, werk, relaties, zelfbeeld. En sociale steun is daarin vaak de beslissende factor.

Kinderen met ADHD die zich gesteund voelen door ouders en leerkrachten, doen het vaak beter – zelfs als hun symptomen fors zijn. Ze ontwikkelen meer zelfvertrouwen, voelen zich minder buitengesloten en lopen minder risico op bijkomende problemen zoals depressie of verslaving.

Ook in volwassen leven kan een begripvolle partner, werkgever of vriendengroep het verschil maken tussen vastlopen en floreren.

Wat kunnen we straks met al die nieuwe kennis?

Biomarkers zijn geen tovermiddel, maar kunnen wel helpen bij vroegtijdige signalering, nauwkeuriger diagnosticeren en het kiezen van de juiste behandeling. Denk aan specifieke medicatie of coaching op basis van je cognitieve profiel.

Daarnaast openen de inzichten over voeding, microbioom en hersenplasticiteit de deur naar meer leefstijlgerichte therapieën. Bijvoorbeeld supplementen, aangepaste diëten, of beweging als ‘medicijn’.

De uitdaging zit ‘m nu vooral in vertaling naar de praktijk. Want veel tests zijn nog duur, tijdrovend of onvoldoende betrouwbaar. En: hoe zorgen we dat we niet iedereen gaan labelen op basis van een afwijkend hersengolfje of een scheve pupildiameter? Objectiever meten mag nooit ten koste gaan van de menselijke maat.

De belangrijkste zaken opgesomd

  • ADHD wordt vaak nog subjectief vastgesteld; dat kan beter.
  • Biomarkers zoals hersenscans, EEG, bloedwaarden en oogmetingen bieden nieuwe mogelijkheden.
  • Er zijn grote verschillen tussen mensen met ADHD; één test is nooit genoeg.
  • Gamificatie en real-time monitoring maken testen leuker én beter.
  • Sociale steun is minstens zo belangrijk als technologie.

Hurjui IA, Hurjui RM, Hurjui LL, Serban IL, Dobrin I, Apostu M, Dobrin RP. Biomarkers and Neuropsychological Tools in Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder: From Subjectivity to Precision Diagnosis. Medicina (Kaunas). 2025 Jul 3;61(7):1211. doi: 10.3390/medicina61071211. PMID: 40731840; PMCID: PMC12300379.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *