ADHD staat voor aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Je zou dus denken dat ‘aandacht’ het hoofdprobleem is. Maar vreemd genoeg is dat minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Wetenschappers discussiëren er al decennia over: is het nou vooral een probleem met concentratie, met impulsen, met motivatie, met prikkelverwerking – of allemaal tegelijk?
Het klassieke idee was: mensen met ADHD hebben te weinig ‘arousal’ – hun brein staat als het ware op een te laag pitje. Daardoor raken ze sneller afgeleid en kunnen ze zich moeilijk richten op saaie taken. Maar er is ook een tegengesteld beeld: sommigen reageren juist overdreven sterk op prikkels, alsof hun brein overal tegelijk op wil reageren.
Dat maakt het lastig. Want hoe kun je én te weinig focus hebben én te veel reageren op afleiding? Het lijkt tegenstrijdig – maar misschien is het antwoord te vinden in hoe onze aandacht precies werkt. En vooral: hoe die werkt bij mensen met ADHD.
Hoe je brein beslist wat belangrijk is
Aandacht is geen aan-uitknop, maar eerder een soort spotlight. Je hersenen scannen voortdurend wat belangrijk is en zetten daar het licht op. Dat gebeurt deels bewust (je zoekt je sleutels), maar ook automatisch (je schrikt van een fel geluid). In de wetenschap noemen we dat top-down (doelgericht) versus bottom-up (reactief) aandacht.
Het spotlight-systeem in je hoofd werkt op veel niveaus tegelijk. Er is competitie tussen signalen – wat trekt jouw aandacht? Een taak die je moet doen? Een knal? Een herinnering? Je brein moet constant kiezen wat voorrang krijgt. Dat vraagt een goed afgestemd netwerk, waarin vooral de prefrontale cortex – de ‘dirigent’ van je denkprocessen – een centrale rol speelt.
Bij ADHD lijkt juist dát systeem anders te werken. En dat kan verklaren waarom sommige mensen met ADHD óf nergens hun aandacht bij kunnen houden, óf juist hypergefocust raken – maar dan wel op iets totaal anders dan wat de situatie vraagt.
Bottom-up en top-down: Wie stuurt wie?
Bij mensen met ADHD gaat het volgens onderzoekers vaak mis in de balans tussen twee soorten aandacht:
- Bottom-up aandacht is je automatische reactie op opvallende dingen (bijvoorbeeld iets felgekleurd of iets dat beweegt).
- Top-down aandacht is wat je bewust aanstuurt (bijvoorbeeld het lezen van een moeilijk boek zonder op je telefoon te kijken).
Veel behandelmethodes bij ADHD gaan ervan uit dat vooral die top-down kant zwak is. En inderdaad: het kost mensen met ADHD vaak veel moeite om zich bewust te concentreren of afleiding te negeren.
Maar het nieuwe onderzoek laat zien dat ook de automatische kant – de reflexmatige aandacht – minder soepel verloopt. Iemand met ADHD ziet een opvallend object misschien niet sneller, maar juist trager of minder nauwkeurig. En als iets niet belangrijk is, lukt het vaak niet om dat op tijd uit het spotlight te duwen.
Het lijkt er dus op dat bij ADHD niet zozeer de aandacht ontbreekt, maar dat het richten, vasthouden én verplaatsen van aandacht haperend verloopt – vooral als er veel tegelijk gebeurt.
Hoe onderzoek naar visuele aandacht werkt
Hoe onderzoek je zoiets als aandacht? Een slimme methode is de visuele zoektak: iemand krijgt op een computerscherm meerdere plaatjes te zien en moet zo snel mogelijk een ‘doelobject’ vinden (bijvoorbeeld de rode O tussen allemaal groene O’s en rode Q’s).
Er zijn verschillende variaties op dit spelletje:
- Pop-out zoekopdrachten: het doel springt er meteen uit (rood tussen groen).
- Conjunctie-zoekopdrachten: het doel heeft twee kenmerken en lijkt op andere items – het zoeken kost dan meer moeite.
- Preview-taken: een deel van de afleiders wordt al eerder getoond. Als je die kunt ‘markeren’ als onbelangrijk, kun je je beter richten op de nieuwe informatie.
Met dit soort taken kun je meten hoe iemand aandacht verdeelt in ruimte en tijd. En met behulp van EEG of fMRI kun je ook zien wat er in de hersenen gebeurt tijdens dat zoeken.
Niet alleen traag, maar ook grillig
Mensen met ADHD zijn in zulke taken meestal trager dan anderen. Ze maken ook vaker fouten, bijvoorbeeld door te klikken op een afleider. Maar het verschil zit niet alleen in gemiddelde snelheid of nauwkeurigheid – het zit vooral in variatie.
Soms gaat het goed, dan weer totaal mis. Alsof het brein af en toe uitglijdt, zelfs als de taak niet moeilijk is. En bij taken die nét saai of juist te chaotisch zijn, gaat het extra vaak mis. Dat sluit aan bij de theorie van het ‘optimale arousal-niveau’: bij te weinig of te veel prikkels functioneert het brein minder goed.
Wat ook opvalt: ADHD’ers lijken soms andere strategieën te gebruiken. Ze activeren bepaalde hersengebieden sterker dan gemiddeld, waarschijnlijk om zwakke plekken te compenseren. Dat kan de grilligheid verklaren – en het feit dat de ene ADHD’er zich ogenschijnlijk prima redt en de ander veel meer moeite heeft.
Wat zegt de hersenscanner?
Als je met hersenscans kijkt naar visuele zoektaken, zie je bij mensen met ADHD een paar opvallende dingen:
- Sommige gebieden in de achterkant van het brein (zoals de visuele cortex) reageren zwakker. Dat wijst op trager of minder precies waarnemen.
- Andere gebieden in de voorkant van het brein (zoals de prefrontale cortex) worden juist overactief. Mogelijk als compensatie.
Bij pop-out taken (waar je automatisch iets opvallends moet detecteren) zie je bij ADHD vaak een verstoord patroon in de N2pc-golf – een signaal dat normaal laat zien dat je brein een doelobject herkent. Dat signaal is zwakker of komt later, wat erop wijst dat de hersenen minder snel ‘beslissen’ waar de aandacht heen moet.
Opvallend: deze afwijkingen verdwijnen niet altijd als mensen medicatie slikken. Wel is er bij sommige taken verbetering te zien, vooral bij taken die top-down sturing vragen.
Wat betekent dit voor behandeling of begeleiding?
De meeste behandelingen voor ADHD zijn gericht op het versterken van top-down controle: plannen, organiseren, impulsen beheersen. Dat is logisch, maar het is niet het hele verhaal.
Als iemand moeite heeft met het verwerken van visuele informatie, of prikkels niet goed kan filteren, dan is het logisch dat die persoon overprikkeld raakt of afhaken bij taken met veel afleiding. Denk aan klaslokalen vol posters, geluiden en beweging. Of aan kantoortuinen waar je elk scherm ziet knipperen.
Wat je daartegen kunt doen? Denk bijvoorbeeld aan:
- Rustige visuele omgevingen creëren (weinig prikkels).
- Taken opdelen in kleine stukjes (minder overweldiging).
- Hulpmiddelen gebruiken die structuur bieden (checklists, timers).
- Werken aan zelfregulatie via CGT of mindfulness (meer grip op eigen breinreacties).
Sommige onderzoekers stellen zelfs dat problemen bij ADHD niet zozeer liggen in een tekort aan aandacht, maar in het niet goed kunnen regelen van aandacht. Dat nuanceert het standaardbeeld van ‘niet kunnen opletten’ en opent de deur naar andere benaderingen.
Samengevat
- ADHD is geen simpel aandachtstekort, maar een probleem in het sturen en verdelen van aandacht.
- Zowel reflexmatige (bottom-up) als doelgerichte (top-down) aandacht verloopt anders bij ADHD.
- Visuele zoektaken tonen dat ADHD gepaard gaat met tragere, grilligere en minder efficiënte zoekpatronen.
- Hersenscans laten zien dat ADHD-breinen harder moeten werken om aandacht te regelen.
- Behandeling kan zich beter ook richten op prikkelverwerking en zelfregulatie – niet alleen op gedrag.
Klein JL, Allen HA, Clibbens J, Cook A, Amanatidou V, Mavritsaki E. Selective Visual Attention in ADHD: A Narrative Review. Curr Neurol Neurosci Rep. 2025 Jul 24;25(1):51. doi: 10.1007/s11910-025-01435-5. PMID: 40705195; PMCID: PMC12289795.



