Neurodivergent: Talent of beperking?

Is autisme, ADHD of bijvoorbeeld dyslexie een talent of een beperking? Die vraag krijg je misschien zelf ook wel eens. Of je hoort hem bij de psycholoog, op je werk of aan de keukentafel. Het klinkt alsof er één juist antwoord moet zijn.

De psycholoog en organisatieadviseur Ludmila Praslova (zelf autistisch) beschrijft dat het echte probleem vaak niet in mensen zit, maar in de manier waarop systemen met ons omgaan. We willen simpele hokjes, terwijl echte levens rommelig, veranderlijk en vooral… context-afhankelijk zijn. (Psychology Today)

De kern van haar boodschap: dezelfde neurodivergente persoon kan zich het ene moment beperkt en in de schaduw voelen en het andere moment juist talentvol, gehoord en gezien. Niet omdat het brein ineens verandert, maar omdat de omgeving dat doet.

Twee brillen om naar dezelfde persoon te kijken

Als je het woord ‘beperking’ hoort, denk je misschien aan het medisch model. Dat is de bril die veel zorgsystemen nog gebruiken: het probleem zit in het individu. Jouw brein, jouw lijf, jouw diagnose. Jij “functioneert niet normaal” en moet aangepast, behandeld of bestudeerd worden.

Daar tegenover staat het sociale model, onder meer uitgewerkt door de Britse socioloog Mike Oliver. Zijn punt is simpel maar radicaal: niet jij bent het probleem, maar de barrières in de samenleving. Een trap is neutraal voor iemand die kan traplopen, maar wordt een blokkade voor iemand in een rolstoel. Vertaal dat naar neurodiversiteit. Dan krijg je zoiets als:

  • Je bent niet gehandicapt omdat je autistisch of ADHD’er bent.
  • Je wordt pas gehandicapt als alles om je heen eist dat je prikkels filtert, let op twintig dingen tegelijk en smalltalk voert alsof het een topsport is.

Een voorbeeld:

  • Een autistisch kind dat in het bos rondstruint, details ziet in bladeren, mieren volgt en lekker kan bewegen, functioneert prima. Er is geen probleem.
  • Datzelfde kind, in een druk lokaal met TL-licht, harde geluiden, pestgedrag en weinig bewegingsruimte, stort in. De omgeving creëert de beperking.

De neurologie is hetzelfde. De context niet.

Hetzelfde zie je bij volwassenen. Thuis of op een rustige werkplek kun je misschien excelleren: noise cancelling koptelefoon op, duidelijk takenlijstje, kennis van zaken, weinig afleiding. Maar in een open kantoor met telefoonende collega’s, verplicht sociaal gedoe, ’s morgens aan aanhikken tegen de verplchte stressvolle vrijmibo en tien keer per dag “heb je even?” schakelt je brein af. Je bent niet ineens ‘minder slim’ of beperkt geworden; de omgeving past gewoon niet bij jouw brein, het menstype dat jij bent. Een mens, niet met een betere of slechtere, maar met een andere mix van mogelijkheden en beperkingen.

Zichtbaar en onzichtbaar

Een deel van neurodivergentie zie je. Een niet-sprekend autistisch persoon. Iemand met het syndroom van Gilles de la Tourette met duidelijke tics. Iemand die een koptelefoon draagt en fel licht vermijdt.

Een ander deel speelt zich grotendeels vanbinnen af: Overprikkeling door geluid of licht. Moeite met plannen, schakelen of starten (executieve functies). Mentale uitputting na de topsport van een dag geforceerd “normaal doen”. Black-outs tijdens een mondeling examen, terwijl je de stof echt goed kent.

Voor de buitenwereld lijk je dan “gewoon moe”, “wat chaotisch” of “een beetje stil”. Jij voelt intussen dat je systeem op rood staat. Dat verschil tussen zichtbare en onzichtbare beperkingen kan keihard uitpakken.

Aan de ene kant heb je de ontkenning van bekwaamheid. Bijvoorbeeld een niet of beperkt sprekend autistisch persoon wordt vaak ‘niet voor vol’ aangezien. Iemand die opvallend sociaal onhandig is, ‘zal wel niet sporen’.

Aan de andere kant heb je de ontkenning van problemen. Mensen die vlot praten, een studie hebben afgerond of humor gebruiken, krijgen vaak te horen:

  • “Maar jij ziet er helemaal niet autistisch uit!”
  • “Je ADHD kan nooit zo ernstig zijn, je hebt toch een baan?”
  • “Je doet het prima, dan heb je toch geen aanpassingen nodig?”

Alsof zichtbare problemen de enige échte problemen zijn! Alsof je ofwel volledig beperkt ofwel volledig ‘redelijk functionerend’ moet zijn. Daarmee missen we iets belangrijks: één persoon kan tegelijk sterke kanten, zichtbare beperkingen én onzichtbare worstelingen hebben. Dat profiel is vaak “spiky”: sommige dingen kunnen ver boven gemiddeld zijn, andere ver onder gemiddeld. Dat is geen fout; het ís het profiel. Het profiel van een mens met een andere mix van mogelijkheden en beperkingen dan wat de maatschappij verwacht.

Talent of beperking? Hoe context het verhaal schrijft

Misschien heb je zelf ook wel ambivalente gevoelens over je diagnose.

  • Je hyperfocus zorgt ervoor dat je je uren kunt verliezen in een interesse en daardoor expert wordt.
  • Maar dezelfde hyperfocus maakt loslaten lastig en kan je nachtrust slopen.
  • Je oog voor detail maakt je geweldig in kwaliteitscontrole, coderen of taalfouten spotten.
  • Maar datzelfde detailbrein raakt overspoeld in een supermarkt, trein of kantoortuin.

Daarom klopt de slogan “autisme/ADHD/dyslexie is een talent of superkracht” wel, maar slechts voor de helft. Voor sommige mensen, in sommige contexten, voelt het werkelijk zo. Vooral als er goede ondersteuning is, een passende baan, en mensen die je niet de hele dag aan je masker trekken.

Mensen zijn vloeibaar. Systemen niet. Scholen, uitkeringsinstanties, verzekeraars, werkgevers en overheden houden van duidelijke vakjes: handicap / geen handicap. Volledig arbeidsongeschikt / volledig inzetbaar. “Met beperking” of “zonder beperking”.

Formulieren vragen vaak om simpele antwoorden:

  • “Kunt u lopen: ja / nee.”
  • “Heeft u een beperking: ja / nee.”
  • “Is uw beperking zichtbaar: ja / nee.”

Maar wat als je dinsdag nauwelijks het bed uitkomt en woensdag boodschappen doet, maar daarna kapot bent? Wat als je drie maanden goed gaat op je werk en daarna instort? Wat als je functioneren afhankelijk is van of mensen je prikkelarm rooster respecteren? Voor bureaucratie is dat lastig. Voor jouw leven is het de realiteit.

De consequenties zie je overal:

  • Mensen die net niet “erg genoeg” lijken, vallen buiten regelingen en krijgen geen hulp, tot ze crashen. Denk bijvoorbeeld aan de Participatiewet en het Doelgroepenregister in Nederland.
  • Mensen met zichtbare beperkingen worden onderschat en krijgen te weinig kansen.
  • Neurodivergente mensen voelen zich gedwongen om hun ervaring óf extra dramatisch óf juist heel positief neer te zetten, afhankelijk van welk vinkje ze nodig hebben.

Het gaat dan niet meer over: “Wat heb jij nodig om te kunnen meedoen?” Het gaat over: “In welk vakje past jij het handigst voor ons systeem?” Precies daar wringt het.

Waarom labels tóch nodig zijn: Rechten in Nederland en België

Je zou nu kunnen denken: weg met al die labels dan. Geen hokjes meer, probleem opgelost. Was het maar zo simpel.

In de praktijk heb je in Nederland en België vaak juist wél een label nodig om je rechten te kunnen gebruiken. Wetgeving werkt nu eenmaal via definities. Die zijn niet perfect, maar ze zorgen er wél voor dat jij dingen mag vragen.

In Nederland beschermt de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) mensen met een beperking of chronische ziekte tegen ongelijke behandeling op werk, in het onderwijs en bij diensten. Werkgevers en scholen mogen je niet achterstellen vanwege je beperking en moeten in principe redelijke aanpassingen bieden. (Rijksoverheid)

Voorbeelden zijn:

  • extra tijd bij toetsen of examens;
  • een aangepast werkrooster;
  • een rustige werkplek of thuiswerkdagen;
  • duidelijke, schriftelijke instructies naast mondelinge afspraken.

In België heb je onder meer de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007. Die verbiedt discriminatie op verschillende gronden, waaronder handicap, en legt het principe van “redelijke aanpassingen” vast: concrete maatregelen op school, op het werk of bij diensten waardoor je als persoon met een handicap gelijker kunt meedoen. (Etaamb)

Ook daar gaat het bijvoorbeeld om:

  • toegankelijkheid van gebouwen;
  • ondersteuning of hulpmiddelen op school;
  • aanpassing van takenpakket of werkplek;
  • duidelijke communicatie en aangepaste procedures.

Het lastige is: om onder die wetten te vallen, moet je vaak aantonen dat je “voldoende beperkt” bent. Dus:

  • voor een dag zonder prikkels ben je “te goed”;
  • voor een vaste baan ben je “te beperkt”;
  • en daartussen bungel je maar wat.

Dat spanningsveld maakt veel neurodivergente mensen moe: je moet jezelf nog al eens klein maken om hulp te krijgen, en juist groot maken om serieus genomen te worden.

Van aanpassingen naar toegankelijkheid en inclusie

Toch is er een manier om uit het hokjesdenken te komen, zónder rechten overboord te gooien. Een handig onderscheid is dat tussen aanpassingen, toegankelijkheid en inclusie.

Aanpassingen zijn vaak individuele oplossingen. Die vraag je voor jouw specifieke situatie, bijvoorbeeld:

  • Jij krijgt extra verwerkingstijd bij tentamens.
  • Jij mag met noise cancelling koptelefoon werken.
  • Jij krijgt een vaste, rustige werkplek in plaats van flexplekken.

Handig en soms levensreddend, maar ook kwetsbaar. Want als je leidinggevende vertrekt of de schoolleiding wisselt, kun je opnieuw in discussie, je opnieuw klein of juist groot maken.

Toegankelijkheid gaat een stap verder. Dat betekent dat systemen en ruimtes vanaf het begin zo ontworpen worden dat zo veel mogelijk mensen ermee uit de voeten kunnen. Voorbeelden:

  • Een school stuurt standaard informatie ook schriftelijk en in duidelijke taal.
  • Een werkgever biedt standaard hybride werken aan.
  • Vergaderingen hebben een agenda vooraf en duren niet langer dan nodig.
  • In een gebouw zijn zowel stille ruimtes als samenwerkplekken.

Dan hoef jij niet steeds uit te leggen waarom je “anders” bent. De omgeving sluit gewoon beter aan bij verschillende breinen.

Inclusie gaat over cultuur. Dat is de sfeer waarin het normaal is om hulp te vragen, om grenzen aan te geven en om dingen anders te doen. Waar niemand zijn bestaan hoeft te verdedigen omdat hij of zij afwijkt van “de norm”.

Een inclusieve school of werkplek herken je bijvoorbeeld aan:

  • leidinggevenden die zelf open zijn over hun kwetsbaarheden;
  • collega’s die niet roddelen als jij eerder weggaat na een overprikkelde dag;
  • ruimte om mee te denken over roosters, communicatie en werkwijzen;
  • klachtenprocedures die echt iets doen, ook bij subtiele discriminatie.

Aanpassingen zijn soms nodig om te overleven. Toegankelijkheid maakt het voor veel meer mensen leefbaar. Inclusie zorgt ervoor dat je je als mens gezien voelt, niet alleen als “geval”.

Wat betekent dit concreet voor jou?

Leuk, al die modellen en wetten. Maar wat kun je hiermee in je eigen leven?

Als jij zelf neurodivergent bent: Je mág zelf kiezen welke woorden voor jou kloppen. De ene dag voelt “ik heb een beperking” eerlijker. De andere dag voelt “ik heb een ander soort brein met sterke kanten” beter. Dat is geen tegenstrijdigheid, dat is nuance.

Praktisch kun je:

  • scherp kijken waar en wanneer je vastloopt: licht, geluid, planning, sociale verwachtingen?
  • bedenken welke veranderingen in de omgeving zouden helpen (in plaats van alleen “ik moet sterker worden”).
  • je rechten verkennen: wat mag je op school of werk vragen aan aanpassingen? (bij twijfel: een vakbond, belangenvereniging of mensenrechteninstituut kan meedenken). (vlaamsmensenrechteninstituut.be)

Als ouder, partner of vriend(in): Probeer niet als eerste reactie te denken: “Hoe kunnen we jou normaler maken?” Handiger is de vraag: “Welke omgeving heb jij nodig om te kunnen bloeien?”

Dat kan betekenen:

  • strijd aangaan met een school die geen redelijke aanpassingen wil doen;
  • samen puzzelen op dagindeling, prikkelniveau en rust;
  • leren luisteren zonder meteen met oplossingen te komen.

Als professional of werkgever: Zie labels als een startpunt voor gesprek, niet als eindstation. En stel andere vragen dan alleen: “Mag dit volgens het protocol?” bijvoorbeeld:

  • “Waar loopt jouw brein op leeg in dit werk?”
  • “Wat heb jij nodig om je talenten in te zetten zonder om te vallen?”
  • “Welke aanpassing kost ons weinig, maar levert jou heel veel op?”

Je hoeft neurodiversiteit niet te romantiseren. Maar je kunt wel erkennen dat jouw organisatie profiteert van verschillende breinen – óp voorwaarde dat de omgeving niet slechts is afgestemd op één soort mens.

Praslova, L. N. (2025). Neurodivergence and Disability: Beyond the Checkbox Trap. Blog “Positively Different”, Psychology Today. (Psychology Today)
Praslova, L. N. (2024). The Canary Code: A Guide to Neurodiversity, Dignity, and Intersectional Belonging at Work. Berrett-Koehler Publishers. (The Canary Code)
Rijksoverheid. Gelijke rechten voor mensen met beperking of chronische ziekte (informatie over WGBH/CZ). (Rijksoverheid)
Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie (België) en informatie over redelijke aanpassingen. (Etaamb)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *