Wat op sociale media rondgaat over neurodiversiteit

Soms lijkt het internet op een enorm dorpsplein. Iedereen roept iets, deelt iets, ergert zich ergens aan of herkent zichzelf ineens in een filmpje van 23 seconden. Zeker bij onderwerpen als ADHD en autisme is dat dorpsplein druk. Heel druk zelfs. De ene dag zie je een luchtig lijstje over “signs you have ADHD”, de volgende dag een pijnlijk verhaal van iemand met autisme die alweer is vastgelopen op werk of in de zorg.

Dat maakt sociale media tegelijk interessant en verraderlijk. Interessant, omdat je er iets ziet van wat mensen echt bezighoudt. Verraderlijk, omdat de luidste stem niet per se de meest zorgvuldige is. En toch valt er wel degelijk iets uit te halen. In een grote analyse van bijna 853.000 openbare berichten op X, verspreid over de jaren 2009 tot en met 2023, is gekeken hoe mensen praten over ADHD, autisme en een reeks andere psychische aandoeningen. Dat levert geen definitief oordeel op over de samenleving, maar wel een fascinerende blik op onze tijd.

ADHD lijkt online veel meer een publieksmagneet dan autisme. Autisme is zeker zichtbaar, maar krijgt minder aandacht, minder interactie en vaak ook minder ruimte voor nuance. Dat zegt iets over welke verhalen blijven hangen, welke labels populair worden en welke groepen makkelijker gehoord worden dan andere.

Waarom sociale media ertoe doen

Veel onderzoek naar publieke beeldvorming gebruikt vragenlijsten of interviews. Daar is niets mis mee, maar mensen geven in zo’n setting vaak nette of min of meer gewenste antwoorden. Op sociale media zijn mensen minder gepolijst. Daar lees je niet alleen wat men officieel vindt, maar ook wat men terloops roept, grappend beweert of emotioneel deelt.

Juist dat maakt zulke platforms waardevol. Je ziet wat blijft plakken in het publieke bewustzijn. Niet alleen kennis dus, maar ook misverstanden, modieuze versimpelingen en de woorden waarin mensen zichzelf proberen te begrijpen.

Voor neurodivergente mensen is dat extra relevant. Beeldvorming heeft gevolgen. Ze beïnvloedt hoe snel iemand zich herkent, of een werkgever begrip toont, hoe een docent reageert, en zelfs of een huisarts verder kijkt dan stress, angst of “druk gedrag”. Wat online rondzingt, blijft niet online. Het zakt door naar de spreekkamer, de werkvloer en de huiskamer.

Waarom ADHD online harder groeit dan autisme

Uit het onderzoek komt naar voren dat het aantal berichten over mentale gezondheid in het algemeen flink groeide. Maar ADHD viel daarbij extra op. In Engelstalige berichten hoorde ADHD zelfs bij de meest besproken onderwerpen, en de betrokkenheid schoot vooral na 2019 omhoog. Tijdens de coronaperiode piekte die aandacht nog sterker.

Dat is eigenlijk niet zo vreemd. ADHD leent zich online makkelijk voor hapklare herkenning. Concentratieproblemen, uitstelgedrag, chaos, impulsiviteit, hyperfocus: het zijn ervaringen waar veel mensen zich in meer of mindere mate iets bij kunnen voorstellen. Daardoor verspreidt ADHD-content zich snel. Soms helpt dat.

Autisme werkt online anders. De kenmerken zijn vaak minder makkelijk te vangen in snelle, grappige of modieuze content. Bovendien gaat autisme vaker over diepere patronen: overprikkeling, sociale afstemming, behoefte aan voorspelbaarheid, uitputting na maskeren, een andere informatieverwerking. Dat is minder geschikt voor een luchtig format van tien seconden en een knallend muziekje eronder.

Daar komt nog iets bij. ADHD-content nodigt vaak uit tot meedoen. Mensen reageren met: “Dit ben ik!” of “Ik doe dit ook altijd!” Bij autisme gebeurt dat minder snel. Niet omdat autisme minder voorkomt of minder impact heeft, maar omdat het online minder makkelijk wordt verpakt als iets vrolijk herkenbaars.

Autisme krijgt minder applaus, niet minder gewicht

Minder likes betekent niet minder belang. Integendeel. Juist onderwerpen die ingewikkelder, minder glamoureus en minder makkelijk deelbaar zijn, kunnen in het dagelijks leven het zwaarst wegen.

Voor veel mensen met autisme zit de pijn niet in één opvallend kenmerk, maar in de optelsom. Een gesprek voeren terwijl er drie geluiden door elkaar lopen. Herstellen van sociale verplichtingen waar anderen fluitend doorheen gaan. Vastlopen op impliciete regels op werk. Niet gezien worden omdat iemand slim overkomt, een baan heeft of beleefd glimlacht.

Dat soort ervaringen scoort meestal minder goed in een algoritme dan een gevat filmpje over vergeten sleutels, tien open tabbladen en een keukenla vol opladers. Maar minder klikbaar is niet hetzelfde als minder echt.

Hier wringt het. Als online zichtbaarheid steeds meer bepaalt wat “herkenbaar” is, dan lopen mensen met autisme het risico dat hun werkelijkheid naar de achtergrond schuift. Niet omdat die er niet is, maar omdat die minder goed past in de logica van virale content.

Tussen herkenning en cliché

De groeiende online aandacht heeft twee gezichten. Aan de ene kant is er winst. Meer mensen herkennen zichzelf. Er is meer taal voor ervaringen die vroeger vaak werden weggezet als luiheid, aanstellerij, eigenaardigheid of gebrek aan discipline. Het taboe op neurodivergentie is op veel plekken kleiner geworden.

Aan de andere kant schuilt er een nieuwe valkuil: de diagnose als lifestyle-accessoire. ADHD wordt online soms teruggebracht tot “chaotisch maar creatief”. Autisme tot “eerlijk, slim en een tikje sociaal onhandig”. Dat klinkt een stuk vriendelijker dan oude stigma’s, maar het is nog steeds een sterke versimpeling.

En versimpeling is niet onschuldig. Wie alleen de lichte, grappige of esthetisch aantrekkelijke kant ziet, begrijpt minder goed waarom sommige mensen zware ondersteuning nodig hebben. Of waarom een laat gediagnosticeerde volwassene niet alleen opluchting voelt, maar ook rouw: om gemiste kansen, verkeerde behandelingen of jarenlange zelfkritiek.

Sociale media kunnen dus helpen bij herkenning, maar ook een karikatuur maken van de werkelijkheid. Dat geldt voor ADHD én voor autisme.

Wat persoonlijke verhalen laten zien

Een van de interessantste delen van het onderzoek gaat over ervaringsverhalen. Daaruit bleek dat berichten over ADHD en autisme niet alleen informatief of opiniërend zijn, maar vaak ook persoonlijk. Mensen schrijven over miskenning, worsteling, opluchting, schaamte, onbegrip en soms ook trots.

Opvallend was dat berichten in het Spaans vaker sterker geladen waren: minder neutraal, vaker negatief of juist positief. Engelstalige berichten waren vaker neutraler van toon. Dat verschil zegt waarschijnlijk niet dat de ene groep het “zwaarder” heeft dan de andere. Wel laat het zien dat cultuur en taal invloed hebben op hoe mensen hun ervaring verwoorden.

De manier waarop iemand over autisme of ADHD praat, hangt niet alleen af van de diagnose zelf, maar ook van de omgeving. Is er ruimte voor nuance? Krijgt iemand vooral medische taal aangereikt, of juist sociale en politieke taal? Wordt neurodiversiteit gezien als defect, verschil, identiteit, uitdaging of een mengvorm van dat alles?

Online verhalen laten vaak iets heel menselijks zien: mensen willen vooral serieus genomen worden. Niet geromantiseerd, niet geminimaliseerd, niet weggewuifd. Gewoon serieus.

Hoe ADHD en autisme online verschillend worden geframed

ThemaADHD op sociale mediaAutisme op sociale media
ZichtbaarheidVaak zeer hoog, vooral in Engelstalige contentDuidelijk aanwezig, maar minder dominant
DeelbaarheidGoed te vangen in korte, herkenbare formatsMinder makkelijk in snelle content te proppen
Online interactieMeer likes en repostsLager engagement
Risico op versimpelingGroot: van diagnose naar memeGroot: van complex spectrum naar stereotype
Publiek beeld van behandelbaarheidIets meer optimismeVaker gezien als blijvend en moeilijk te veranderen
Gevaar voor onderwaardering“Iedereen heeft wel een beetje ADHD”“Zo erg zal het wel niet zijn als je slim overkomt”

Deze verschillen zijn niet absoluut, maar ze helpen wel om te begrijpen waarom sommige verhalen online veel harder resoneren dan andere.

Oorzaken volgens het internet

Nog zo’n interessant onderdeel: wat denken mensen eigenlijk dat ADHD en autisme veroorzaakt?

In de onderzochte berichten kwamen vaak meerdere verklaringen tegelijk langs. Dat is op zichzelf hoopgevend. Het laat zien dat veel mensen niet meer denken in simpele zwart-witverhalen. Tegelijk zag je duidelijke verschillen. In Engelstalige berichten werd ADHD relatief vaak gekoppeld aan psychologische kwetsbaarheid en middelengebruik. Bij autisme kwamen naast een mix van factoren ook psychosociale stressoren geregeld naar voren. In Spaanstalige berichten lag de nadruk juist sterker op biologische en genetische verklaringen.

Dat verschil is belangrijk. Niet omdat één taalgroep “gelijk” heeft en de andere niet, maar omdat het laat zien hoe beeldvorming werkt. Zodra een aandoening vooral biologisch wordt gezien, kan dat helpen om schuld en morele veroordeling te verminderen. Maar het kan ook leiden tot fatalisme: zo ben je nu eenmaal, dus hulp heeft weinig zin. Zodra iets juist psychologisch of door leefstijl wordt verklaard, kan dat ruimte geven voor verandering, maar ook het risico vergroten dat mensen denken: eigen schuld, slechte gewoontes, gewoon beter je best doen.

Voor ADHD en autisme is die tegenstelling te simpel. Beide hebben te maken met aanleg én omgeving. Niet in de zin van: de omgeving veroorzaakt autisme of ADHD even rustig. Wel in de zin dat omgeving veel invloed heeft op hoe zwaar of licht iemand vastloopt. Een brein staat niet los van school, werk, gezin, slaap, stress, verwachtingen en sociale regels.

Behandelbaar of levenslang?

Misschien wel het meest veelzeggend is hoe mensen online denken over behandelbaarheid. In de onderzochte berichten werden ADHD en autisme vaak gezien als blijvend. Bij autisme was dat beeld sterker dan bij ADHD. Het idee dat iemand het vooral zelf wel kan managen, kwam relatief weinig voor.

Dat heeft twee kanten. Aan de positieve kant laat het zien dat mensen ADHD en autisme niet simpelweg afdoen als een fase, modewoord of karakterfout. Dat is winst. Aan de sombere kant kan zo’n beeld ook te weinig ruimte laten voor groei, ondersteuning en praktische verbetering.

Autisme gaat niet “over”. ADHD meestal ook niet ineens. Maar dat betekent niet dat er niets te doen is. Veel winst zit niet in pogingen tot genezen, maar in beter begrijpen, slimmer inrichten, eerder signaleren en passender ondersteunen.

Voor iemand met autisme kan dat betekenen: minder overbelasting, duidelijkere communicatie, een baan met meer voorspelbaarheid, betere grenzen, herstel na sociale inspanning, of eindelijk woorden hebben voor wat jarenlang alleen maar voelde als falen. Voor iemand met ADHD kan dat zitten in psycho-educatie, coaching, medicatie, structuur, slaapaanpak of een werkcontext die minder constant om zelfregulatie vraagt. Met andere woorden: blijvend is niet hetzelfde als hopeloos.

Ten slotte

Ook hier zijn sociale media inmiddels een belangrijke bron van herkenning geworden. Voor veel volwassenen begint het niet in de spreekkamer, maar op een scherm. Eerst een filmpje. Dan een artikel. Dan een online lotgenotengroep. Dan pas de vraag: zou dit over mij kunnen gaan?

Dat heeft voordelen. Late herkenning wordt makkelijker. Mensen vinden lotgenoten, taal en uitleg. Maar het risico blijft dat een algoritme vooral de inhoud beloont die snel, stellig en simplistisch is. Terwijl neurodivergentie vaak juist vraagt om vertraging en nuance.

Voor ouders betekent dat: online herkenning kan een beginpunt zijn, maar geen eindpunt. Voor hulpverleners: onderschat niet hoe sterk sociale media inmiddels meeschrijven aan iemands zelfbeeld. Voor werkgevers en docenten: als online verhalen de enige bron van kennis zijn, krijg je al snel een vertekend beeld. En voor neurodivergente volwassenen zelf is misschien dit het belangrijkst: het is niet vreemd als je jezelf deels herkent in populaire content en je toch niet echt gezien voelt.

Dat laatste gebeurt vaak. Mensen herkennen iets van de buitenkant, maar niet de diepte. Ze zien een paar losse kenmerken terug, maar niet de uitputting, de schaamte, de compenserende strategieën of de moeite die het kost om “normaal” over te komen. Juist daarom blijft goede, rustige voorlichting nodig.

Batistetti VT, Sanchez FG, Varaona A, Lara-Abelenda F, Pinto da Costa M, Chart-Pascual JP, Rodriguez-Quiroga A, Quintero J, Alvarez-Mon MA. Evaluating Public Sentiment on Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder and Autism Spectrum Disorder Compared With Other Mental Health Disorders From Posts on X (Formerly Known as Twitter): Longitudinal Analysis. JMIR Infodemiology. 2026;6:e74440. DOI: 10.2196/74440.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *