Soms loopt een kind al jaren rond in hulpverlening, op school of in gesprekken met ouders, en toch blijft de kern buiten beeld. Er is onrust. Er is afleiding. Er zijn boze buien, vastlopers, sociale problemen of eindeloze discussies over huiswerk, regels en prikkels. De diagnose ADHD lijkt dan logisch. En vaak ís die ook logisch. Maar soms blijkt later dat er nog iets meespeelt: autisme.
Dat is geen detail. Want wie alleen kijkt naar druk gedrag, impulsiviteit of concentratieproblemen, kan missen wat daaronder zit. Bijvoorbeeld moeite met sociale signalen, starheid, overprikkeling, letterlijk denken of vastlopen bij veranderingen. Dan krijgt iemand wel een verklaring, maar nog niet de héle verklaring.
Dat is waar een Nederlandse studie naar keek: kinderen en jongeren die eerst ADHD kregen en pas later autisme. De uitkomst was opvallend, maar eigenlijk ook weer niet. Wie eerst ADHD had gekregen, kreeg de autismediagnose gemiddeld duidelijk later. En bij meisjes was die vertraging nog groter. Dat roept een ongemakkelijke vraag op: hoeveel kinderen zijn al “bekend”, maar worden toch nog niet echt gezien?
ADHD en autisme: Waarom die twee zo makkelijk door elkaar lopen
ADHD en autisme zijn zeker geen tweeling, maar ze zijn wel familie van elkaar. Bij allebei kunnen problemen voorkomen met aandacht, emotieregulatie, planning, overprikkeling en sociale situaties. Dat maakt de puzzel lastig.
Neem een kind dat door anderen heen praat, onrustig is in de klas en slecht lijkt te luisteren. Dan denk je al snel aan ADHD. Maar wat als dat kind niet doorheeft wanneer het aan de beurt is? Of sociale signalen mist? Of zo gespannen raakt van groepsdruk en onverwachte veranderingen dat het juist daarom ontploft? Dan kan autisme minstens zo relevant zijn.
Andersom geldt ook iets. Een kind met autisme kan erg onrustig overkomen. Niet per se omdat het “druk” is in klassieke ADHD-zin, maar omdat de omgeving te veel is. Omdat instructies te vaag zijn. Omdat de dag niet voorspelbaar genoeg verloopt. Of omdat het brein voortdurend bezig is met filteren, compenseren en herstellen.
Als eenmaal een diagnose is gesteld, gaan veel mensen daarna onbewust door die bril kijken. Alles wat daarna gebeurt, wordt dan uitgelegd vanuit ADHD. Dat is menselijk. Maar ook riskant.
En dan ontstaat verwarring. Gedrag dat eruitziet als aandachtsprobleem kan ook het gevolg zijn van overbelasting. Impulsiviteit kan soms meer lijken op paniek of frustratie. Sociale botsingen kunnen ten onrechte worden gelezen als slordigheid of gebrek aan remming, terwijl er ook sprake kan zijn van moeite met afstemming.
Hoeveel later komt die autismediagnose dan?
De studie gebruikte gegevens uit het Nederlands Autisme Register en vergeleek mensen met autisme die eerder al ADHD hadden gekregen met mensen die wel autisme hadden, maar geen eerdere ADHD-diagnose. Bij kinderen en jongeren bleek het verschil duidelijk: wie eerst ADHD had gekregen, kreeg de diagnose autisme gemiddeld ongeveer 1,8 jaar later.
Dat klinkt misschien niet dramatisch. Anderhalf tot twee jaar, ach. Maar in een kinderleven is dat veel. Zeker als die jaren samenvallen met de basisschool, de overstap naar de middelbare school of de periode waarin sociale verschillen steeds zichtbaarder worden.
Een kind van zes dat pas op bijna achtjarige leeftijd de juiste bredere uitleg krijgt, heeft intussen al heel wat kunnen meemaken: misverstanden, straf voor gedrag dat eigenlijk stress was, onbegrip van klasgenoten, of hulp die net niet aansluit.
Bij jongens bedroeg de vertraging in dit onderzoek ongeveer anderhalf jaar. Bij meisjes was dat ruim tweeënhalf jaar. Dat verschil is groot genoeg om even rechtop voor te gaan zitten.
Interessant is ook dat die vertraging niet simpelweg kon worden weggewuifd met het argument dat deze kinderen “milder” autisme zouden hebben. De onderzoekers hielden rekening met de ernst van autistische kenmerken, en toch bleef het effect bestaan. Met andere woorden: de eerdere ADHD-diagnose leek op zichzelf samen te hangen met latere herkenning van autisme.
Bij volwassenen werd in deze studie geen duidelijk verschil gevonden. Maar daar moet meteen een grote kanttekening bij: veel volwassenen in zulke onderzoeken zijn sowieso laat herkend. Dan is het moeilijker om nog precies te zien welk deel van de vertraging door ADHD komt en welk deel door de tijdgeest, oude diagnostische gewoonten of simpelweg jarenlang gemist worden.
Waarom meisjes extra vaak buiten beeld blijven
Als er één thema is dat de laatste jaren steeds vaker terugkomt in gesprekken over autisme, dan is het dit: meisjes en vrouwen worden nog altijd te vaak laat herkend.
Dat zie je ook in deze studie terug. Meisjes die eerder ADHD hadden gekregen, moesten gemiddeld nog langer wachten op een autismediagnose dan jongens. Dat past bij wat veel clinici, onderzoekers en laat gediagnosticeerde vrouwen al langer beschrijven.
Autisme ziet er bij meisjes niet altijd uit zoals hulpverleners, leerkrachten of ouders het verwachten. Minder opvallend betekent helaas niet minder belastend. Sommige meisjes observeren veel, kopiëren sociaal gedrag, lachen op de juiste momenten en lijken daardoor “best sociaal”. Maar dat kan keihard werken zijn. Alsof je de hele dag meespeelt in een toneelstuk waarvoor je het script pas vijf seconden van tevoren krijgt.
Daardoor vallen ze minder op. Zeker als ze daarnaast ook kenmerken van ADHD hebben. Dan verschuift de aandacht makkelijk naar drukte, chaotisch gedrag, dromerigheid of emotionele ontregeling, terwijl de sociale uitputting, de rigide patronen en de sensorische overbelasting minder snel worden herkend als onderdeel van autisme.

Het gevolg is niet alleen een late diagnose, maar vaak ook een verkeerd verhaal over jezelf. Niet: “Mijn brein verwerkt de wereld anders.” Maar: “Ik stel me aan, ik ben lastig, ik doe sociaal moeilijk, ik ben te gevoelig.”
En zo kan een kind dat buitengewoon hard werkt om mee te komen, toch het verwijt krijgen dat het niet genoeg zijn best doet. Dat is pijnlijk. En nogal onrechtvaardig.
Niet altijd een foute diagnose
Nu is het verleidelijk om te denken: zie je wel, die ADHD-diagnoses kloppen dus vaak niet. Maar zo simpel is het niet. Juist niet.
De studie laat ook zien dat een groot deel van de mensen met eerst ADHD en later autisme uiteindelijk beide diagnoses hield. Dat betekent dat de eerste diagnose niet per definitie fout was. Er was dan niet één verkeerde verklaring, maar een onvolledige eerste verklaring.
Dat is een belangrijk verschil. Want ADHD en autisme komen geregeld samen voor. Tegenwoordig mag dat ook officieel naast elkaar worden vastgesteld. Vroeger was dat lastiger, omdat oudere diagnostische handboeken die combinatie niet goed toelieten. Daardoor zijn sommige mensen jarenlang in een soort diagnostisch niemandsland beland: te sociaal ingewikkeld voor alleen ADHD, te druk of impulsief voor het klassieke beeld van autisme.
Juist bij AuDHD kan de presentatie grillig zijn. Iemand kan bijvoorbeeld behoefte hebben aan structuur, maar die structuur tegelijk moeilijk volhouden. Iemand kan snakken naar rust, maar ook prikkels opzoeken. Iemand kan sociaal contact willen, maar er tegelijk voortdurend op vastlopen. Dat kan voor de buitenwereld tegenstrijdig lijken. Voor de persoon zelf voelt het vaak vooral vermoeiend.
Een zorgvuldige diagnostiek moet dus niet kiezen tussen twee etiketten alsof het een afvalscheiding is. Het moet proberen te begrijpen hoe het totaalplaatje eruitziet.
Wat een late herkenning in de praktijk betekent
Een late herkenning van autisme is niet alleen een administratief probleem. Het heeft gevolgen in het dagelijks leven.
Stel je een jongen voor die op school steeds straf krijgt omdat hij “niet luistert”, terwijl hij juist vastloopt op vage instructies. Of een meisje dat na elke schooldag volledig instort, maar op school zo aangepast oogt dat niemand begrijpt waar die uitputting vandaan komt. Of een puber die al jaren ADHD-begeleiding krijgt, maar nog steeds niet begrijpt waarom vriendschappen zo ingewikkeld zijn en waarom veranderingen hem of haar ontregelen alsof het brandalarm afgaat.
Dan helpt een juiste bredere diagnose niet omdat mensen zo graag een label willen, maar omdat de ondersteuning er anders door kan veranderen.
Bij alleen ADHD ligt de nadruk vaak op aandacht, planning, impulscontrole en soms medicatie. Allemaal zinvol, als dat past. Maar als autisme óók meespeelt, is er vaak meer nodig: voorspelbaarheid, expliciete communicatie, aandacht voor sensorische belasting, uitleg over sociale regels zonder impliciete aannames, en ruimte om te herstellen van sociale of prikkelrijke dagen.
Zonder dat inzicht kan een kind steeds opnieuw falen in een systeem dat niet snapt wat er eigenlijk gevraagd wordt. Dan lijkt het alsof de hulp “niet werkt”, terwijl de hulp misschien gewoon op het verkeerde probleem is gericht.
En dat werkt door in het zelfbeeld. Wie jarenlang hoort dat hij slordig, moeilijk, ongemotiveerd of te emotioneel is, gaat dat op den duur geloven. Een goede diagnose wist het verleden niet uit, maar kan wel veel op zijn plaats laten vallen.
Waar ouders, leerkrachten en hulpverleners op kunnen letten
Niemand hoeft thuis of in de klas voor amateur-psychiater te spelen. Toch zijn er signalen waarbij het verstandig is om breder te kijken dan alleen ADHD.
Denk aan kinderen die niet alleen druk of afgeleid zijn, maar ook opvallend vastlopen op veranderingen, letterlijke taal, onduidelijke sociale regels of groepssituaties. Kinderen die na school volledig leeg zijn. Kinderen die sociaal contact wel willen, maar het nauwelijks kunnen vasthouden. Kinderen die sterk leunen op routines, heftige sensorische gevoeligheden hebben of extreem veel energie kwijt zijn aan “normaal overkomen”.
Ook belangrijk: let op het verschil tussen niet kunnen en niet willen. Een kind dat afspraken niet oppakt, is niet automatisch ongeïnteresseerd of oppositieel. Soms is de informatie simpelweg te vaag, te snel, te druk of sociaal te impliciet.
Voor ouders kan het helpen om niet alleen losse gedragingen te noteren, maar patronen. Wanneer gaat het mis? In groepen? Bij overgangen? Na verjaardagen? Op dagen met een invalleerkracht? Juist zulke details maken bij diagnostiek vaak meer duidelijk dan een algemeen verhaal als “het gaat niet lekker”.
Voor professionals geldt iets vergelijkbaars: kijk niet alleen welke diagnose het beste past bij het meest zichtbare gedrag, maar vraag ook wat er nog meer meespeelt. En durf opnieuw te kijken als hulp onvoldoende aansluit.
Minder hokjes, beter kijken
De belangrijkste les uit dit soort onderzoek is misschien niet dat diagnostiek sneller moet. Al is sneller soms zeker wenselijk. De belangrijkste les is dat diagnostiek breder en nauwkeuriger moet.
Een kind met ADHD-kenmerken hoeft niet automatisch ook autisme te hebben. Maar het omgekeerde geldt ook: zodra ADHD in beeld is, moet autisme niet uit beeld verdwijnen. Zeker niet als er sociale, communicatieve, sensorische of rigide kenmerken zijn die niet goed opgaan in alleen ADHD.
Dat vraagt om multidisciplinair kijken. Niet één snelle indruk, maar informatie uit meerdere bronnen. Ouders, school, observaties, ontwikkeling, belastbaarheid, sociale wederkerigheid, sensorische profielen, en liefst ook aandacht voor hoe kenmerken zich bij meisjes of maskerende kinderen kunnen tonen. Want wie alleen kijkt naar het luidste signaal, mist soms de rest van het verhaal.
Daar zit de winst. Niet in meer etiketten om de etiketten, maar in betere uitleg, passender hulp en minder jaren van onbegrip. Soms is een kind niet “ineens” autistisch. Soms was het allang zo, maar stond er eerst te veel ruis op de lijn. Dat kan het verschil zijn tussen steeds vastlopen en eindelijk begrepen worden.
Kentrou, V., de Veld, D. M. J., Mataw, K. J. K., & Begeer, S. (2019). Delayed autism spectrum disorder recognition in children and adolescents previously diagnosed with attention-deficit/hyperactivity disorder. Autism, 23(4), 1065-1072. https://doi.org/10.1177/1362361318785171



