Een berichtje met “ik snap je”. Een collega die oprecht luistert. Een vriend die niet alleen vraagt hoe het gaat, maar ook blijft wachten op het antwoord. Voor veel mensen voelt zulke aandacht prettig. Soms zelfs als een kleine beloning. Niet omdat we allemaal applaus nodig hebben, maar omdat contact iets kan doen met ons brein: het geeft erkenning, veiligheid, plezier of het gevoel ergens bij te horen.
Bij autisme wordt sociale motivatie vaak verkeerd begrepen. Nog steeds leeft het idee dat mensen met autisme “minder sociaal” zouden zijn, alsof er ergens een volumeknop voor contact op standje laag staat. Dat beeld is te simpel. Veel mensen met autisme willen juist graag contact, vriendschap, liefde en erkenning. Alleen: de route ernaartoe kan ingewikkelder zijn. Sociale situaties vragen vaak meer interpretatie, meer schakelen en meer herstel achteraf.
Daar zit een belangrijk verschil. Iemand kan sociaal contact waarderen, maar het tegelijk vermoeiend vinden. Net zoals iemand graag naar een concert wil, maar na afloop drie dagen moet bijkomen van het geluid, de drukte en de chaos bij de garderobe. De behoefte is echt. De energierekening ook.
Een chatgesprek in de hersenscanner
Een nieuwe hersenstudie naar sociale beloning bij autistische en neurotypische jongeren onderzocht die spanning: wat gebeurt er in het brein als sociale feedback prettig of relevant kan zijn? De onderzoekers lieten jongeren in een MRI-scanner deelnemen aan een tekstchat. De jongeren dachten dat ze soms met een leeftijdgenoot chatten en soms met een computer. In werkelijkheid waren de reacties vooraf geprogrammeerd, zodat iedereen ongeveer dezelfde ervaring kreeg.
De jongeren beantwoordden simpele ja/nee-vragen over zichzelf, bijvoorbeeld over hobby’s of voorkeuren. Daarna kwam er een reactie terug. Soms betrokken: “Ik ook!” Soms afstandelijk: “Ik ben weg.” En soms kwam de reactie zogenaamd van een computer, bijvoorbeeld een match of een verbroken verbinding.
Dat klinkt misschien als een nogal magere versie van sociaal contact. Geen gezichtsuitdrukking, geen stem, geen ongemakkelijke stilte. Maar juist daardoor konden de onderzoekers redelijk precies kijken wat er in het brein gebeurde bij sociale feedback, zonder dat het experiment meteen veranderde in een sociaal doolhof met te veel variabelen.
De jongeren vonden contact met een leeftijdgenoot gemiddeld leuker dan contact met de computer. Dat gold voor zowel de autistische als de neurotypische groep. Dus nee, de autistische jongeren waren niet simpelweg ongeïnteresseerd in de sociale kant van de taak.
Wat gebeurt er in het brein?
Ons brein heeft geen apart “vriendschapscentrum” dat rood oplicht wanneer iemand aardig doet. Sociale situaties gebruiken meerdere netwerken tegelijk. Sommige hersengebieden helpen ons beloning en motivatie te verwerken. Andere gebieden helpen ons inschatten wat iemand bedoelt, hoe betrokken die ander is en of een reactie voor ons belangrijk is.
Denk aan het brein als een kantoor waar verschillende afdelingen tegelijk aan hetzelfde dossier werken. De ene afdeling vraagt: is dit prettig of belangrijk? Een andere afdeling vraagt: wat bedoelt die ander? Weer een andere afdeling houdt de emotionele lading in de gaten. Bij sociaal contact moeten die afdelingen vaak razendsnel informatie uitwisselen.
In de studie keken de onderzoekers vooral naar die samenwerking tussen hersengebieden. Niet alleen naar de vraag welk gebied actief werd, maar vooral naar de vraag: welke gebieden praten op dat moment sterker met elkaar?

Dat is interessant, omdat sociale situaties voor veel mensen met autisme niet per se minder betekenisvol zijn, maar wel minder automatisch kunnen verlopen. Waar de één een grap, blik of halve zin meteen “voelt”, moet de ander misschien bewust puzzelen: is dit aardig bedoeld, ironisch, ongemakkelijk, verplicht, of allemaal tegelijk?
Niet minder gevoel, maar meer schakelen
De opvallendste uitkomst was dat autistische jongeren bij positieve sociale feedback juist sterkere samenwerking lieten zien tussen bepaalde hersengebieden dan neurotypische jongeren. Het ging onder meer om verbindingen tussen de amygdala, een gebied dat betrokken is bij emotionele betekenis en alertheid, en gebieden die helpen bij het begrijpen van sociale signalen.
Dat resultaat schuurt met het oude idee dat autisme vooral draait om een tekort aan sociale motivatie. Als sociale feedback het autistische brein koud zou laten, zou je eerder minder betrokkenheid verwachten. Maar hier leek er eerder méér neurale afstemming nodig.
Een mogelijke uitleg is dat sociale feedback voor autistische jongeren meer mentale inspanning vraagt. Niet omdat ze niets voelen, maar omdat hun brein harder moet werken om betekenis, emotie en context bij elkaar te brengen.
Een simpele vergelijking: stel dat twee mensen dezelfde route fietsen. De één rijdt over een glad fietspad met duidelijke borden. De ander rijdt over kasseien, met omleidingen en verkeerslichten die net te kort op groen staan. Ze komen allebei aan. Maar voor de tweede fietser kost dezelfde afstand meer energie.
Zo kan sociaal contact ook werken. De buitenkant zegt: “Dat ging toch prima?” De binnenkant zegt: “Ja, maar ik heb ondertussen wel zestien sociale berekeningen per minuut uitgevoerd.”
Waarom positieve feedback toch vermoeiend kan zijn
Nog interessanter: sterkere samenwerking tussen die sociale en emotionele hersengebieden hing samen met minder ervaren sociale beloning of motivatie tijdens de taak. Met andere woorden: hoe sterker sommige hersengebieden samenwerkten bij sociale feedback, hoe minder prettig of motiverend die sociale feedback gemiddeld werd ervaren.
Dat klinkt tegenstrijdig, maar is het niet per se. Iets kan belangrijk zijn en tegelijk belastend. Een functioneringsgesprek kan belangrijk zijn, maar weinig mensen noemen het ontspannend. Een appje van iemand die je graag mag kan fijn zijn, maar ook spanning oproepen: wat bedoelt diegene precies, hoe snel moet ik reageren, reageer ik te kort, te lang, te enthousiast, te vlak?
Voor veel mensen met autisme is juist positieve sociale aandacht soms dubbel. Een compliment kan fijn zijn, maar ook onverwacht. Een uitnodiging kan fijn voelen zijn, maar ook een probleem in de uitvoering of planning. Een betrokken vraag kan warm voelen, maar ook veel verwerking vragen.
Sam, 32, werkt in een klein team. Na een presentatie zegt een collega: “Goed gedaan, echt sterk verhaal.” Sam glimlacht, zegt “dank je” en loopt naar de koffieautomaat. Van buiten lijkt het klaar. Van binnen gaat het verder: was het gemeend, moet ik iets terugzeggen, vond de rest dat ook, heb ik te veel gekeken naar mijn slides, waarom voel ik me nu juist onrustig?
Dat is geen bewijs dat elk compliment ingewikkeld is voor iedereen met autisme. Maar het laat zien waarom sociale beloning niet altijd voelt als een gratis cadeautje. Soms zit er administratiekosten op.
De puberteit als sociale hogedrukpan
De onderzochte groep bestond uit kinderen en jongeren van ongeveer 7 tot 14 jaar. Dat is een levensfase waarin sociale verhoudingen snel belangrijker worden. Vriendschappen veranderen. Groepsdruk neemt toe. Appgroepen, schoolpleinpolitiek en subtiele codes krijgen meer gewicht. Voor jongeren met autisme kan dat extra pittig zijn.
Juist in deze leeftijdsfase kan positieve en negatieve feedback hard binnenkomen. Niet alleen omdat het puberbrein gevoeliger wordt voor sociale waardering, maar ook omdat eerdere ervaringen meetellen. Wie vaker is buitengesloten, uitgelachen of verkeerd begrepen, kan sociale signalen met extra waakzaamheid gaan lezen.
Dan is een vriendelijke reactie niet alleen vriendelijk. Het brein checkt ook: is dit veilig, blijft dit zo, zit er een grap achter, wanneer gaat het mis? Die alertheid kan logisch zijn. Een brein dat vaak sociaal struikelgevaar heeft meegemaakt, gaat beter op losse stoeptegels letten.
Dat maakt het onderzoek maatschappelijk relevant. Sociale problemen bij autisme worden nog te vaak gezien als iets dat “in de persoon” zit. Maar ervaringen doen ertoe. Een omgeving die onduidelijk, afwijzend of spottend is, kan sociale situaties zwaarder maken. Niet alleen psychologisch, maar mogelijk ook in de manier waarop het brein sociale feedback verwerkt.
Volwassenen
De studie ging over jongeren, dus we moeten voorzichtig zijn met conclusies over volwassenen. Toch zullen veel volwassen lezers iets herkennen in het idee dat sociaal contact niet simpelweg leuk of niet leuk is. Het kan allebei zijn: waardevol én uitputtend.
Leuk en belastend sluiten elkaar niet uit.
Veel volwassenen met autisme beschrijven een bekend patroon. Ze willen meedoen, spreken af, werken samen, bezoeken familie of helpen een vriend. Tijdens het contact gaat het best goed. Soms zelfs heel goed. Pas daarna komt de klap: hoofdpijn, leegte, prikkelbaarheid, niet meer kunnen praten, of de behoefte om urenlang alleen te zijn.
Dat wordt vaak verkeerd uitgelegd. “Maar je vond het toch leuk?” Ja. Dat is precies het punt. Leuk en belastend sluiten elkaar niet uit. Een bergwandeling kan prachtig zijn en toch spierpijn geven.

Ook online communicatie past in dit verhaal. Voor veel mensen met autisme is tekstcontact prettiger dan bellen of praten in een groep. Tekst geeft tijd. Je kunt teruglezen. Je hoeft geen gezichtsuitdrukking, intonatie en lichaamstaal tegelijk te verwerken. Dat betekent niet dat online contact “minder echt” is. Het kan juist een toegankelijke vorm van sociaal contact zijn, met minder ruis op de lijn.
Online lotgenotencontact, zoals bijvoorbeeld het Autsider Forum, is niet alleen een noodoplossing voor mensen die “echte” sociale situaties vermijden. Voor sommige neurodivergente mensen is het een betere vormgeving van contact: duidelijker en rustiger.
Hoe maak je contact minder vermoeiend?
Voor ouders, partners, werkgevers, leerkrachten en hulpverleners is de belangrijkste les misschien deze: verwar sociale vermoeidheid niet met sociale desinteresse. Iemand kan behoefte hebben aan contact, maar niet aan onvoorspelbaarheid, drukte of sociale vaagheid.
Maak contact daarom concreter. Zeg niet alleen: “Kom er gezellig bij.” Zeg liever wat de bedoeling is, hoe lang iets duurt en wat iemand kan verwachten. Een uitnodiging met een duidelijke eindtijd is vaak vriendelijker dan een open einde dat “we zien wel” heet.
Geef keuzevrijheid. Sommige mensen praten makkelijker wandelend, naast elkaar, via chat of tijdens een gezamenlijke taak. Niet ieder goed gesprek hoeft aan een tafel met oogcontact en koffie te plaatsvinden. Soms ontstaat het beste contact juist wanneer het sociale vergrootglas even weg is.
Wees zorgvuldig met feedback. Positieve feedback helpt vooral als die duidelijk en specifiek is. “Goed gedaan” is aardig. “Je uitleg over dat probleem was helder, vooral het voorbeeld met die klant” is beter. Dan hoeft de ontvanger minder te raden wat er precies bedoeld wordt.
Plan herstel in. Op school, werk en thuis wordt vaak gekeken naar deelname: was iemand erbij, deed iemand mee, ging het goed? Maar de echte vraag is soms: wat kostte het daarna? Een vergadering, verjaardag of teamdag kan prima verlopen en toch herstel vragen.
En misschien wel het belangrijkste: forceer sociaal contact niet als bewijs van ontwikkeling. Groei kan ook betekenen dat iemand beter leert kiezen welk contact voedend is en welk contact vooral energie lekt.
Wat dit onderzoek níét bewijst
Zoals altijd bij hersenonderzoek is bescheidenheid verstandig. Deze studie laat verbanden zien tussen sociale feedback, hersenconnectiviteit en ervaren beloning bij een specifieke groep jongeren. Dat betekent niet dat we hiermee precies kunnen voorspellen hoe één persoon sociaal contact ervaart.
De groep was bovendien relatief klein en bestond uit weinig meisjes. Ook ging het om een gestructureerde tekstchat. Dat is iets anders dan een rumoerige klas, een groepsgesprek op kantoor of een familiefeest waar tante Joke vraagt of je “nog steeds zo druk bent met dat autismegedoe”.
Verder bewijst sterker werkende hersenconnectiviteit niet automatisch dat het brein “slechter” functioneert. Soms kan extra samenwerking wijzen op inspanning. Soms op gevoeligheid. Soms op compensatie. En soms weten we het simpelweg nog niet precies.
Wat het onderzoek wel doet, is een te simpele aanname onderuit halen: dat sociale verschillen bij autisme vooral zouden komen door een gebrek aan interesse in mensen. De werkelijkheid lijkt rijker, menselijker en ingewikkelder.
De winst zit niet in mensen met autisme socialer maken volgens de standaardnorm. De winst zit in contact zo vormgeven dat het minder hoeft te schuren. Dan blijft er meer energie over voor waar sociaal contact uiteindelijk om draait: gezien worden, begrepen worden en soms gewoon samen kunnen lachen zonder dat het brein daarna een weekend vrij moet nemen.
Xie, H., Moraczewski, D., McNaughton, K. A., Warnell, K. R., Merchant, J. S., Kirby, L. A., & Redcay, E. (2026). Functional connectivity during social reward processing in autistic and neurotypical adolescents. Brain and Behavior, 16, e71378. https://doi.org/10.1002/brb3.71378
Eerdere preprintversie: Xie, H., Moraczewski, D., McNaughton, K. A., Warnell, K. R., Merchant, J. S., Kirby, L. A., & Redcay, E. (2023). Social reward network connectivity differs between autistic and neurotypical youth during social interaction. Beschikbaar via PubMed Central: https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC10274709/



