In de puberteit verandert er van alles tegelijk: je lichaam, je hoofd, je sociale wereld, school, verwachtingen, vriendschappen en het beeld dat je van jezelf hebt. Voor jongeren met autisme kan die periode extra ingewikkeld zijn.
Op de basisschool is er vaak nog één vertrouwde klas, één leerkracht en een redelijk voorspelbare dag. Daarna komen wisselende lokalen, meerdere docenten, drukke gangen, groepsapps, huiswerk, prestatiedruk en sociale regels die nergens op papier staan. Alsof iemand de spelregels van Monopoly halverwege vervangt door die van Risk, maar vergeet om dat even te melden.
Juist in die periode zien onderzoekers dat angst en somberheid bij jongeren met autisme aandacht verdienen. Niet als reden tot paniek, wel als reden om beter te kijken. Vooral omdat klachten niet altijd netjes komen met een bordje “ik ben depressief” of “dit is angst”. Soms zien volwassenen alleen vermoeidheid, boosheid, terugtrekken of schoolweigering. Daar kan veel meer achter zitten.
Angst blijft soms gelijk, maar verandert van gezicht
Een opvallende uitkomst uit een langlopend onderzoek onder jongeren met autisme is dat angstklachten gemiddeld vrij stabiel blijven tussen kindertijd en adolescentie. Dat klinkt bijna geruststellend. Maar gemiddeld is een verraderlijk woord. Een groep kan stabiel lijken, terwijl individuele jongeren juist flink verschillen.
Bovendien kan angst van vorm veranderen. Een jong kind kan bang zijn voor harde geluiden, afscheid nemen of onverwachte veranderingen. Een puber kan later vooral last krijgen van sociale angst, piekeren, faalangst of de angst om “raar” gevonden te worden. Aan de buitenkant lijkt het misschien alsof de angst niet erger wordt. Aan de binnenkant kan het onderwerp van de angst wel degelijk meeverhuizen met de leeftijd.
Dat is belangrijk. Want wie alleen kijkt naar klassieke angstsignalen, mist te makkelijk wat er speelt. Een jongere die steeds vaker thuis wil blijven, kan lui lijken. Een leerling die ineens veel controle wil over planning, kleding of routes, kan dwars lijken. Maar soms is het brein vooral bezig om onzekerheid te temmen.
Somberheid sluipt er vaker later in
Waar angst in het onderzoek gemiddeld stabiel bleef, namen depressieve klachten juist toe richting adolescentie. Niet bij iedereen. Niet plotseling. En ook niet dramatisch bij de hele groep. Maar de lijn ging wel omhoog.
Dat past bij wat veel ouders, scholen en hulpverleners in de praktijk herkennen. Rond de puberteit gaan jongeren zichzelf sterker vergelijken met leeftijdgenoten. Ze merken scherper dat contact moeite kost, dat vriendschappen ingewikkeld zijn of dat ze vaker buiten de groep vallen. Ook neemt de druk toe om zelfstandig te plannen, sociaal mee te doen en prestaties te leveren.
Voor een jongere met autisme kan dat voelen als elke dag deelnemen aan een toneelstuk waarvan het script voortdurend verandert. In het begin probeer je nog mee te improviseren. Later komt de uitputting. En als je maar vaak genoeg het gevoel krijgt dat je tekortschiet, kan somberheid langzaam de kamer binnenkomen. En soms uitmonden in een depressie.
Somberheid bij jongeren met autisme ziet er niet altijd uit als huilen of verdrietig praten. Het kan ook gaan om minder plezier, sneller geïrriteerd zijn, niet meer willen afspreken, meer slapen of juist slechter slapen. Soms verdwijnen interesses die eerder veel betekenis gaven. Of de jongere houdt die interesses nog wel vast, maar lijkt er minder energie uit te halen.
Angst en depressie zijn geen gescheiden loketten
In de zorg praten we vaak over angst en depressie alsof het twee aparte loketten zijn. In het echte leven lopen ze echter vaak door elkaar. Dat bleek ook uit het onderzoek. Jongeren die meer angstklachten hadden, hadden vaak ook meer depressieve klachten. En veranderingen in angst en somberheid bewogen geregeld samen. Met andere woorden: als het ene terrein verschuift, kan het andere meeschuiven.
Dat is niet zo vreemd. Angst kan ertoe leiden dat iemand situaties gaat vermijden. Minder school, minder contact, minder nieuwe ervaringen. Dat geeft op korte termijn rust, maar op langere termijn ook minder succeservaringen. Minder plezier. Meer eenzaamheid. En dan krijgt somberheid meer ruimte.
Andersom kan somberheid angst versterken. Wie weinig energie heeft en zichzelf negatief beoordeelt, ziet sneller beren op de weg. Een toets of een verjaardag voelt dan niet als één taak, maar als een bergketen.
Communicatief sterk betekent niet automatisch zorgeloos
Jongeren met sterkere communicatievaardigheden hadden volgens de onderzoekers op jonge leeftijd juist meer angstklachten. Dat klinkt tegenstrijdig. We denken vaak dat goed kunnen praten automatisch beschermt. Soms is dat ook zo. Taal kan immers helpen om hulp te vragen, gevoelens uit te leggen en problemen samen op te lossen.
Maar communicatie kan ook betekenen dat je meer meekrijgt. Je merkt subtieler wanneer je niet helemaal aansluit. Je begrijpt beter dat anderen oordelen. Je hoort de grap, maar voelt dat jij misschien de grap bent. Dat kan pijn doen.

De les is simpel: “goed kunnen praten” is niet hetzelfde als “weinig last hebben”. Sommige jongeren kunnen hun spanning mooi verwoorden. Anderen juist niet. In beide gevallen moet je blijven vragen, kijken en luisteren.
Emoties zonder volumeknop
Een andere factor die in het onderzoek samenhing met meer angst en somberheid was emotionele reactiviteit. Dat betekent: hoe snel en hoe sterk emoties oplopen, en hoe moeilijk het is om daarna weer te landen.
Veel mensen met autisme herkennen dit. Niet een beetje balen, maar overspoeld raken. Niet even schrikken, maar nog uren natrillen. Niet “drukke dag gehad”, maar het gevoel dat het hele systeem rook uit de ventilator blaast.
Bij jongeren kan zo’n emotionele volumeknop extra gevoelig staan. Zeker wanneer school, sociale verwachtingen, prikkels en slaaptekort elkaar opstapelen. Dan kan een kleine verandering groot voelen. Een roosterwijziging is dan niet “even schakelen”, maar de druppel die de emmer laat overlopen.
Dat vraagt om meer dan zeggen: “Stel je niet aan.” Of: “Ach, iederéén vindt de puberteit lastig.” Beter is om samen te zoeken naar patronen. Wanneer loopt spanning op? Welke plekken kosten veel energie? Wat helpt om te herstellen? En welke eisen zijn eigenlijk onnodig zwaar?
Wat ouders, scholen en hulpverleners vaak missen
Angst en somberheid bij jongeren met autisme kunnen zich vermommen omdat innerlijke klachten vaak vooral via gedrag naar buiten komen.
Let bijvoorbeeld op duidelijke veranderingen. Een jongere die eerder graag naar school ging en nu elke ochtend buikpijn heeft. Iemand die sneller boos wordt na sociale dagen. Een leerling die steeds vaker opdrachten niet inlevert omdat eraan beginnen niet meer lukt. Of een puber die alleen nog op de eigen kamer zit en zegt dat alles “prima” is op een toon waar niets prima aan klinkt.
Ook meer rigiditeit kan een signaal zijn. Als het hoofd voller zit, wordt voorspelbaarheid aantrekkelijker. Meer vasthouden aan routines kan dus een poging zijn om overeind te blijven. Hetzelfde geldt voor terugtrekken. Soms is dat herstel. Soms is het vermijden. Vaak is het allebei.
Voor ouders en professionals is het nuttig om concreet te vragen. Niet: “Ben je depressief?” Dat is groot en abstract. Wel: “Heb je nog plezier in dingen?” “Ben je vaker moe?” “Zie je op tegen school?” “Maak je je zorgen over contact met anderen?” “Wanneer op de dag wordt het te veel?” Kleine vragen openen soms grotere deuren.
Wat helpt: samen kijken, niet één klacht eruit pikken
De belangrijkste praktische boodschap is: volg angst en stemming samen. Niet pas als er crisis is, maar juist eerder. Maak het normaal om af en toe te peilen hoe het gaat. Thuis, op school en in de zorg. Een paar dingen kunnen helpen:
- Kijk naar verandering in plaats van alleen naar probleemgedrag. Wat is anders dan drie maanden geleden?
- Neem slaap, prikkels en herstel serieus. Een overbelast brein lijkt soms somber, boos of ongemotiveerd.
- Bereid overgangen zorgvuldig voor. De stap naar de middelbare school, een nieuw schooljaar of stage kan veel vragen.
- Maak sociale druk bespreekbaar. Niet elke jongere zegt vanzelf dat pauzes, groepswerk of apps stress geven.
- Behandel angst en somberheid niet als losse eilanden. Vraag bij angst ook naar stemming. Vraag bij somberheid ook naar angst.
Hulp hoeft niet altijd zwaar te zijn. Soms begint het met aanpassingen in de omgeving, betere planning, een rustplek, minder onnodige sociale druk of iemand die helpt vertalen wat er gebeurt. Soms is therapie nodig, bijvoorbeeld aangepaste cognitieve gedragstherapie, emotieregulatietraining of begeleiding die rekening houdt met autisme. Belangrijk is dat de hulp niet alleen zegt: “Denk anders”, maar ook kijkt naar prikkels, voorspelbaarheid, communicatie en herstel.
Hunsche, M. C., Zaidman-Zait, A., Olana, M., Szatmari, P., Bennett, T., Duku, E., Georgiades, S., Smith, I. M., Zwaigenbaum, L., Elsabbagh, M., Vaillancourt, T., Bedford, R., & Kerns, C. M. (2026). Brief report: Joint trajectories of anxiety and depression symptoms in an inception cohort of autistic youth. Frontiers in Psychiatry, 17, 1741956. https://doi.org/10.3389/fpsyt.2026.1741956



