Iedereen kent het gevoel: je loopt een ruimte binnen en je merkt binnen tien seconden of je “goed” zit. Of dat je jezelf kleiner maakt. Minder praat. Meer lacht dan je voelt. Of juist stilvalt.
In dit artikel gaat het om (on)belonging. Dat is Engels voor erbij horen (belonging) en níet-erbij-horen (unbelonging). Het gaat niet alleen over vrienden. Ook over plekken, systemen en regels. Over werk, zorg, onderwijs, uitgaan, en zelfs over hoe formulieren jouw naam behandelen.
Onderzoekers gebruiken een definitie van erbij horen die draait om drie dingen: autonomie (ik mag mezelf zijn), keuze (ik heb opties) en commitment (ik kan ergens in investeren, omdat het veilig voelt). Niet-erbij-horen ontstaat juist door devaluatie, uitsluiting en het gevoel dat je niet geloofd wordt. Dat kan subtiel gaan. Soms heel hard.
Voor trans en genderdiverse autistische volwassenen kan dit extra scherp voelen. Omdat je op meerdere fronten “afwijkt van de standaard”. En omdat je vaak al jaren ervaring hebt met je aanpassen. Soms tot je leeg bent.
Waarom deze combinatie vaker voorkomt dan je denkt
De aanleiding voor dit onderzoek is eenvoudig: in de klinische praktijk en in community’s zien hulpverleners en ervaringsdeskundigen al een tijd een overlap tussen autisme en transgender/genderdiversiteit. Dat betekent niet dat het één het ander “veroorzaakt”. Het betekent ook niet dat iedereen in één grote categorie past.
Maar het betekent wel dat je, als je autisme hebt en trans/genderdivers bent, je tegen een specifieke mix van obstakels en misverstanden aan kunt lopen. En dat we daar te weinig naar luisteren.
Dit onderzoek kiest daarom niet voor “hoeveel procent precies”. Het kiest voor diepte: hoe voelt het? Waar gaat het mis? En waar lukt het wél?
Hoe het onderzoek is gedaan
De studie waarop dit artikel is gebaseerd is gepubliceerd in PLOS One en draait om interviews met dertien trans en genderdiverse volwassenen met autisme van 20 tot 50 jaar. De deelnemers woonden verspreid over meerdere landen (onder andere het VK, de VS, Frankrijk, China, Australië en Zuid-Afrika).
Belangrijk detail: niet iedereen had een officiële autisme-diagnose. De onderzoekers namen ook zelf-gediagnosticeerde mensen mee. Dat deden ze bewust. Want een diagnose is niet voor iedereen toegankelijk, wenselijk of haalbaar. Zeker niet als je al vaker bent afgewezen of verkeerd bent beoordeeld.
De onderzoekers analyseerden de verhalen en zochten terugkerende patronen: welke ervaringen komen steeds terug, en wat zegt dat over erbij horen en buitensluiten?
Ze gebruikten daarbij een indeling in drie “niveaus”:
- Macro: grote systemen en rollen, zoals werk en hoe de maatschappij naar je kijkt.
- Meso: organisaties en groepen, zoals onderwijs, zorg en community’s.
- Micro: dichtbij, dus relaties en gezin (of gekozen familie).
Werk
Werk komt in bijna alle verhalen terug als een plek waar niet-erbij-horen snel ontstaat.
Sommigen vertelden dat ze hun autisme of genderidentiteit niet deelden op het werk, omdat ze bang waren voor gedoe. Anderen waren juist open, maar merkten dat openheid niet automatisch leidt tot steun. Een paar patronen die terugkomen:
- De omgeving vraagt veel: sociaal, emotioneel én fysiek. Denk aan open kantoortuinen, onverwachte taken, sociale spelletjes, en prikkels waaraan niet te ontkomen valt.
- Als je de hele dag aan het maskeren bent, kan je ’s avonds instorten. In de verhalen duikt dat op als shutdowns: je systeem klapt dicht omdat het te veel is.
- Uitsluiting is niet altijd een directe klap. Het kan ook gaan om niet serieus genomen worden, niet meegenomen worden, of een patroon van denigrerende of stigmatiserende ‘grapjes’.
Opvallend is dat een aantal deelnemers richting zelfstandigheid schoof. Niet omdat ze per se ondernemer wilden zijn, maar omdat het werk-ecosysteem niet flexibel genoeg voelde. Zelfstandig werken gaf controle: over tijd, over prikkels, over sociale druk.
Vertaling naar Nederland en België: dit herken je waarschijnlijk. Ook hier zijn werkplekken vaak ingericht voor de gemiddelde werknemer. “Even bellen.” “Even schakelen.” “We doen het gewoon zo.” En als jij prikkelherstel nodig hebt, lijkt dat soms luiheid of een een luxe. Terwijl het juist basis is.
Wat zou helpen?
- Minder impliciete regels. Meer duidelijkheid.
- Echte keuze: thuiswerken, rustige ruimte, communicatie via mail/Teams in plaats van spontaan bellen.
- Geen straf op eerlijkheid. Dus niet: “Oh, dan ben je zeker kwetsbaar.” Maar: “Wat heb je nodig om goed te werken?”
Onderwijs en omscholing
Onderwijs en training komen in dit onderzoek vooral terug als poging om een betere plek te vinden. Een nieuwe richting. Een omgeving met meer gelijkgestemden. Of simpelweg: een route naar werk dat beter past.
Maar ook onderwijs kan zwaar zijn:
- De hoeveelheid prikkels en sociale verwachtingen.
- Het tempo, deadlines, groepsopdrachten.
- Het papierwerk eromheen.
In Nederland en België komt daar vaak nog iets praktisch bij: het systeem van financiering, uitkeringen, studietrajecten en indicaties. Veel mensen kunnen best leren, maar lopen vast op “geregel”. En als je daarnaast ook bezig bent met genderzorg of mentale zorg, stapelt het.
Een simpele les uit de verhalen: opleiding werkt beter als de omgeving voorspelbaar is, de communicatie helder is, en ondersteuning niet voelt als bedelen.
Zorg
De zorgverhalen zijn misschien wel de scherpste in dit onderzoek. Niet omdat zorg altijd slecht is, maar omdat systemen vaak wantrouwen uitstralen.
Twee dingen springen eruit:
- Gatekeeping: Gatekeeping betekent: poortwachtersgedrag. Je moet bewijzen dat je “echt genoeg” bent om hulp te verdienen. Dat kan gaan over autisme-diagnostiek. Maar ook over genderzorg. Sommige deelnemers liepen tegen het idee aan dat een hulpverlener het “niet aandurfde” om beide serieus te nemen: autisme én genderidentiteit. Alsof het één het ander ongeldig maakt.
- Praktische drempels: Veel zorg begint met bellen, wachten, uitleggen, formulieren, herhalen, opnieuw uitleggen. Dat is precies het soort executieve-energie waar veel autistische mensen al zuinig mee moeten omgaan. Tel daarbij op dat zorgomgevingen vaak sensorisch heftig zijn (druk, fel licht, geluiden, geuren), en je snapt waarom “gewoon even naar de afspraak” soms al een uitputtingsslag is.
Ook hier, in de Lage Landen, kennen we wachttijden, doorverwijzingen, en trajecten waarin je vaak opnieuw je verhaal moet doen. In België speelt daarnaast de organisatie via mutualiteiten en verschillende zorglijnen. In Nederland via huisarts, verwijzingen en verzekeringslogica. De details verschillen, maar het gevoel kan hetzelfde zijn: je moet eerst functioneel genoeg zijn om zorg te krijgen.
Wat helpt morgen al?
- Keuze in communicatie: mail/portaal in plaats van bellen.
- Eén vaste contactpersoon.
- Minder herhaling: informatie die mag meereizen (met toestemming).
- Prikkelvriendelijke wachtkamers of een alternatief (even buiten wachten, later binnenkomen).
- Geen infantiliserende toon zodra autisme ter sprake komt.
Community
Veel mensen denken: als je queer bent, dan vind je vanzelf jouw community. En als je autistisch bent, dan vind je vanzelf neurodivergente groepen. De realiteit is complexer.
Deelnemers vertelden dat queer/LGBT+ spaces soms eindelijk herkenning gaven. Je hoeft minder uit te leggen. Je hoeft minder “normaal” te spelen. Maar tegelijkertijd zijn veel van die ruimtes prikkelhel. Clubcultuur. Alcohol. Hard geluid. Drukte. Parfum. Flitslichten.
Een pijnlijk detail uit de verhalen: sommige mensen dronken vroeger veel, niet alleen sociaal, maar ook als overlevingsstrategie tegen sensorische ellende of lichamelijke pijn. Niet omdat ze “party animals” waren, maar omdat het de enige manier leek om het vol te houden.
Ook neurodivergente/autistische groepen waren niet automatisch veilig. Groepen blijven groepen. Met dynamiek, verwachtingen en soms ook onuitgesproken normen. En als jij in groepen stilvalt (situational mutism), kan zelfs een “autistische groep” spannend worden.
De kern: belonging gaat niet alleen over “je bent welkom”. Het gaat ook over: is de setting toegankelijk? Mogen we anders communiceren? Is er ruimte voor pauzes? Is er respect voor grenzen?
Relaties
Op micro-niveau, dus in relaties, zie je iets moois: veel deelnemers ervaren spanning rond nieuwe contacten, maar ook diepe liefde en belonging in hun kleine kring.
Een terugkerend patroon:
- Veel mensen hebben een geschiedenis van vrienden verliezen, misverstanden of sociale angst.
- Daarom kiezen sommigen bewust voor hobby’s die je alleen kunt doen. Niet omdat ze niemand willen, maar omdat het veilig is.
- Eén-op-één contact werkt vaak beter. Online contact ook. Of contact rondom een gedeelde interesse.
Situational mutism komt ook langs: dat betekent dat je in bepaalde situaties (vaak groepen of stress) niet (goed) kunt praten, ook al wil je dat wel. Dat is geen “niet willen”. Het is een blokkade die ontstaat door spanning en overbelasting. Als je dat eerder hebt meegemaakt, kan het logisch voelen dat je groepen gaat vermijden.
Wat opvalt: als relaties wél passen, dan kunnen ze heel stevig zijn. Juist omdat er minder spel is. Minder toneel. Meer directheid. Meer loyaliteit.
Gekozen familie
Het woord chosen family (gekozen familie) is een rode draad. Veel trans en queer mensen bouwen al langer familie buiten biologische banden, soms omdat uit de kast komen tot afstand leidt, soms omdat het klassieke “kerngezin” niet past.
In dit onderzoek gaat het nog een stap verder. Chosen family is niet alleen emotioneel. Het is ook praktisch. Een manier om zorg, steun en veiligheid te organiseren in een wereld die vaak niet meebeweegt.
Er komen verschillende vormen voorbij:
- Queer-platonic relaties: een diepe levensrelatie die niet per se romantisch of seksueel is.
- Relatie-anarchie en poly-structuren: woorden en modellen die sommige deelnemers helpen om hun relaties te beschrijven zonder in standaardhokjes te vallen.
- Gemeenschappelijk wonen of droombeelden van een soort commune: samenleven met “sick, queer en disabled friends” om elkaar te helpen met zorg, administratie, koken, herstel en simpelweg: niet alleen hoeven.
Ook kinderwens komt langs, vaak gekoppeld aan medische keuzes en vruchtbaarheid. Niet als sensatie, maar als realiteit: als je medische stappen overweegt, moet je soms vroeg nadenken over later. En dat kan extra beladen zijn als zorg niet veilig voelt.
De kernboodschap: belonging wordt soms niet gevonden, maar gebouwd.
Wat kunnen werkgevers, hulpverleners en gemeenschappen morgen al anders doen?
Een paar simpele, concrete dingen die je vandaag kunt doen zonder beleidstraject van twee jaar:
Werkgevers
- Vraag niet: “Wat mankeer je?” Vraag: “Wat heb je nodig om goed te werken?”
- Maak afspraken zichtbaar: taken, verwachtingen, deadlines, prioriteiten.
- Geef keuze in prikkels: rustige werkplek, thuiswerken, camera uit in Teams, pauzes zonder commentaar.
- Maak gender-administratie netjes: correcte naam en aanspreekvorm, zonder discussie.
Hulpverleners
- Stop met het idee dat autisme iemands genderbeleving automatisch verdacht maakt.
- Verminder poortwachtersgedrag. Werk samen. Zeg vaker: “Ik help je de juiste route te vinden.”
- Bied alternatieven voor bellen. En bouw systemen die niet alleen werken voor mensen met veel executieve energie.
- Maak ruimtes minder heftig: licht, geluid, geur. Of bied een “prikkelarme route”.
Community-organisatoren
- “Welkom” is niet genoeg. Maak het ook doenbaar.
- Kondig prikkels aan. Zorg voor een stille hoek. Laat mensen weg kunnen lopen zonder sociale straf.
- Normaliseer verschillende vormen van contact. Niet iedereen netwerkt. Niet iedereen praat in groepen.
Kritische blik: wat zijn de grenzen van dit onderzoek?
Dit is kwalitatief onderzoek met slechts dertien deelnemers. Dat is de kracht en de beperking.
De kracht: je krijgt detail. Je hoort hoe systemen voelen. Je ziet patronen die je in cijfers snel mist.
De beperking:
- De deelnemers kwamen uit verschillende landen en culturen. Dat maakt het rijk, maar minder “één op één” vertaalbaar naar Nederland en België.
- De groep is relatief klein en niet per se representatief voor alle trans/genderdiverse autistische mensen. Veel deelnemers waren wit, en werving liep via specifieke online groepen. Mensen die niet in die netwerken zitten, zie je minder terug.
- De interviews waren in het Engels. Ook dat filtert.
Tot slot
Wat dit onderzoek duidelijk maakt, is eigenlijk simpel: voor trans en genderdiverse autistische volwassenen ontstaat belonging niet vanzelf. Het hangt af van systemen, groepen én relaties.
Om af te sluiten, dit zijn de belangrijkste punten om te onthouden:
- Belonging gaat over autonomie, keuze en veiligheid.
- Werk en zorg zijn vaak de grootste breekpunten.
- Openheid helpt alleen als de omgeving ook meebeweegt.
- Community’s kunnen reddend zijn, maar zijn niet automatisch toegankelijk.
- Eén-op-één relaties en interesse-gedreven contact werken vaak beter dan grote groepen.
- Chosen family is voor veel mensen geen “alternatieve lifestyle”, maar een manier om te overleven en te floreren.
- Minder gatekeeping en meer praktische toegankelijkheid maken direct verschil.
Munday, K., Kapp, S. K., & Morris, C. (2025). Transgender and gender diverse autistic adults’ experiences of (un)belonging. PLOS One, 20(12), e0338569. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0338569
Braun, V., & Clarke, V. (2022). Thematic Analysis: A Practical Guide. SAGE.
Milton, D. E. M. (2012). On the ontological status of autism: the ‘double empathy problem’. Disability & Society, 27(6), 883–887. https://doi.org/10.1080/09687599.2012.710008
Nicolaidis, C., Raymaker, D., McDonald, K., Dern, S., Boisclair, W. C., Ashkenazy, E., Baggs, A., Weiner, M., & The AASPIRE Team. (2013). Comparison of healthcare experiences in autistic and non-autistic adults: A cross-sectional online survey facilitated by an academic-community partnership. Journal of General Internal Medicine, 28(6), 761–769. https://doi.org/10.1007/s11606-012-2262-7
Gratton, F. V. (2019). Supporting Transgender Autistic Youth and Adults. Jessica Kingsley Publishers.



