Wie zich verdiept in autisme en genderidentiteit komt al snel een opvallend verschijnsel tegen. Mensen met autisme lijken vaker dan gemiddeld vragen te hebben over hun gender, zich minder sterk thuis te voelen in traditionele hokjes als ‘man’ en ‘vrouw’, of genderdysforie te ervaren.
Heeft autisme invloed op de ontwikkeling van genderidentiteit? Zijn mensen met autisme simpelweg minder gevoelig voor sociale verwachtingen? Wordt genderdiversiteit bij hen sneller herkend? Of spelen er verschillende factoren tegelijk?
De wetenschap heeft daarop nog geen overtuigend antwoord. Tot zover dan dit artikel denk je dan misschien. Maar een recente systematische review laat intussen wel zien dat de samenhang serieus genoeg is om niet langer als curiositeit terzijde te schuiven. Tegelijk is het onderzoek nog te beperkt om grote verklaringen uit de hoge hoed te toveren.
Genderidentiteit is geen genderdysforie
Genderidentiteit gaat over hoe iemand zichzelf ervaart als het gaat om gender. Voor de meeste mensen sluit dat vanzelfsprekend aan bij het geslacht dat bij de geboorte is geregistreerd. Iemand die als jongen is geboren, voelt zich bijvoorbeeld ook jongen en later in het leven man. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Iemand kan zich vrouw voelen, man, non-binair, of zich niet goed herkennen in één van die vaste categorieën. Ook kan iemands beleving in de loop van het leven veranderen of pas later duidelijk worden.
Genderdysforie betekent iets anders. Daarbij gaat het niet om de identiteit zelf, maar om het ongemak, de spanning of het psychische lijden dat kan ontstaan wanneer iemands ervaren gender niet overeenkomt met het toegewezen geslacht, met bepaalde lichamelijke kenmerken of met de manier waarop anderen die persoon zien en behandelen. Zo kan iemand bijvoorbeeld veel last hebben van bepaalde lichaamskenmerken, van steeds als ‘man’ of ‘vrouw’ aangesproken worden, of van verwachtingen die daarbij horen.
Dat onderscheid is belangrijk. Een genderdiverse identiteit hoeft ook geen probleem te zijn. Iemand kan transgender of non-binair zijn en zich daar juist prettig en zeker bij voelen. Genderdysforie ontstaat pas wanneer er sprake is van duidelijke onvrede, spanning of lijden. Anders gezegd: niet de genderdiversiteit zelf is het probleem, maar eventueel het ongemak dat ermee gepaard gaat. Dat ongemak kan bovendien mede worden beïnvloed door de omgeving, bijvoorbeeld door afwijzing, discriminatie of voortdurend verkeerd aangesproken worden.
Meer dan toeval?
De auteurs van de review waarop we dit artikel hebben gebaseerd begonnen met duizenden publicaties, maar na selectie bleven er slechts twaalf studies over. Sommige daarvan onderzochten mensen met autisme. Andere keken juist naar mensen met genderdysforie en onderzochten hoeveel kenmerken van autisme zij vertoonden.
In het merendeel van de onderzoeken werd een verband gevonden tussen kenmerken van autisme en genderdysforie. Ook kwam naar voren dat mensen met autisme gemiddeld meer variatie vertonen in genderidentiteit en genderbeleving.
De onderzoeken laten vooral zien dat twee verschijnselen vaker samen voorkomen. Ze vertellen echter nauwelijks waardoor dat gebeurt.
Minder stevig in het hokje ‘man’ of ‘vrouw’
Een van de interessantere bevindingen gaat niet eens over transgender zijn. Mensen met autisme bleken zich in sommige onderzoeken minder sterk te identificeren met conventionele ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid.
Zo vonden onderzoekers bij mannen met autisme gemiddeld minder uitgesproken traditioneel ‘mannelijke’ eigenschappen. Bij vrouwen met autisme kwamen eigenschappen en gedragingen die cultureel eerder als mannelijk worden beschouwd juist vaker voor. Dat moet wel voorzichtig worden geïnterpreteerd. Want wat precies is ‘mannelijk’?
Assertief zijn, competitief zijn en leiding willen geven worden in sommige vragenlijsten als mannelijke kenmerken beschouwd. Maar zulke categorieën vertellen minstens zoveel over onze cultuur als over ons brein. Toch is het achterliggende verschijnsel interessant: sommige mensen met autisme lijken zich minder sterk te verbinden aan de traditionele sociale blauwdruk van hun gender.
Misschien zijn sociale regels minder heilig
Daarvoor bestaat een aantrekkelijke mogelijke verklaring. Gender bestaat immers niet alleen uit lichaam en identiteit. Er hangt een complete kerstboom aan sociale verwachtingen omheen.
Jongens horen dit leuk te vinden. Meisjes doen dat. Mannen gedragen zich zo. Vrouwen kleden zich zus. Van speelgoed en kapsels tot emoties, beroepen en manieren van zitten: de samenleving beschikt over een indrukwekkend assortiment ongeschreven genderregels. En ongeschreven regels zijn nu juist een interessant terrein bij autisme.
Sommige mensen met autisme nemen sociale conventies minder automatisch over. Niet omdat ze geen sociale omgeving waarnemen, maar bijvoorbeeld omdat een regel eerst logisch moet zijn voordat die vanzelfsprekend gezag krijgt. ‘Omdat mannen dat nu eenmaal zo doen’ is dan niet noodzakelijk een ijzersterk argument. Het is daarom denkbaar dat sommige mensen met autisme gemakkelijker afstand nemen van traditionele genderrollen (of ze als volstrekt irrelevant ervaren) of scherper merken dat die rollen niet bij hen passen. En ze daarom liever gewoon zichzelf blijven…
Maar dit blijft een hypothese. De onderzochte studies tonen niet aan dat dit de verklaring is.
De dubbele druk van camoufleren
Een ander interessant aanknopingspunt is camoufleren, ook wel masking genoemd. Veel mensen met autisme leren bewust of onbewust gedrag aan waarmee ze minder opvallen. Oogcontact op het juiste moment. Een gespreksscript paraat hebben. Niet te enthousiast over een interesse beginnen. Geluid, drukte of sociale onzekerheid proberen te verdragen zonder dat anderen het merken.
Onderzoek uit de review laat zien dat vrouwen met autisme relatief veel camouflage rapporteerden. Maar ook genderdiverse deelnemers bleken meer te camoufleren dan cisgender deelnemers. Daarmee ontstaat mogelijk een dubbele laag.

Iemand kan proberen minder zichtbaar neurodivergent te zijn én tegelijkertijd gendergerelateerde gevoelens of gedrag verbergen.
Autisme kan het ingewikkelder én eenvoudiger maken
Een kleine kwalitatieve studie uit de review leverde een mooie paradox op. De deelnemers beschreven autisme zowel als mogelijke belemmering als als beschermende factor bij het begrijpen van hun genderdysforie.
Dat is minder tegenstrijdig dan het klinkt. Het herkennen en beschrijven van gevoelens kan voor sommige mensen met autisme ingewikkeld zijn. Gender is bovendien een behoorlijk abstract begrip. Als iemand al moeite heeft om lichamelijke of emotionele signalen te interpreteren, kan de vraag ‘welk gender ben ik eigenlijk?’ bepaald geen meerkeuzetoets met drie overzichtelijke antwoorden zijn.
Tegelijk kan een andere manier van denken juist helpen. Wie minder waarde hecht aan sociale conventies, kan gemakkelijker concluderen: waarom zou ik mezelf eigenlijk in een hokje persen dat niet past? Autisme hoeft genderonderzoek bij jezelf dus niet alleen maar moeilijker te maken. Het kan ook een ander perspectief opleveren.
Ook seksualiteit past minder netjes in vakjes
In enkele onderzoeken kwam bovendien meer variatie in seksuele oriëntatie naar voren. Zo werd onder vrouwen met autisme relatief vaak biseksualiteit gerapporteerd. Een onderzoek vond daarnaast gemiddeld een lager libido bij deelnemers met autisme dan bij een controlegroep.
Daar moeten geen wilde theorieën aan worden gekoppeld. De onderzochte groepen waren klein en seksualiteit en genderidentiteit zijn verschillende zaken. Een vrouw die op vrouwen valt, wil daarmee nog geen man zijn. Een non-binaire persoon kan heteroseksueel, homoseksueel, biseksueel, aseksueel of iets anders zijn.
Genderidentiteit gaat over wie je bent. Seksuele oriëntatie gaat over tot wie je je aangetrokken voelt. Ze kunnen elkaar raken, maar het zijn geen synoniemen.
Een autismediagnose is geen verklaring voor alles
Voor hulpverleners zit hier misschien wel de belangrijkste les. Als iemand met autisme genderdysforie ervaart, is het onverstandig om onmiddellijk te denken: dat zal wel door het autisme komen.
Maar de tegenovergestelde fout bestaat ook. Een hulpverlener kan zo bang zijn om genderdiversiteit ter discussie te stellen dat er nauwelijks ruimte overblijft om samen te onderzoeken wat iemand precies voelt, hoe stabiel die gevoelens zijn en welke ondersteuning passend is.
Juist bij de combinatie van autisme en genderdysforie kan het nuttig zijn om tijd te nemen, concrete taal te gebruiken en onderscheid te maken tussen verschillende ervaringen. Bijvoorbeeld onvrede met het lichaam, sociale verwachtingen, seksualiteit, sensorische gevoeligheid, behoefte aan identiteit en daadwerkelijk lijden onder genderincongruentie. Daarbij hoort één uitgangspunt centraal te staan: luisteren naar degene om wie het gaat.
Autonomie en ondersteuning kunnen prima samen
Dat is vooral belangrijk omdat mensen met autisme soms twee tegenstrijdige reacties krijgen. Aan de ene kant bestaat het risico dat hun genderbeleving minder serieus wordt genomen: Je hebt autisme, dus misschien begrijp je het niet goed. Aan de andere kant kan ieder kritisch gesprek worden opgevat alsof hun autonomie wordt betwijfeld. Geen van beide helpt.
Een volwassene met autisme kan heel goed weten welke genderidentiteit passend voelt en tegelijkertijd behoefte hebben aan extra uitleg, bedenktijd of ondersteuning bij ingewikkelde beslissingen.
Dat geldt trouwens voor talloze levenskeuzes. Een hypotheek afsluiten, van baan veranderen of een medische behandeling kiezen wordt ook niet als minder autonoom beschouwd als iemand eerst informatie nodig heeft. Ondersteuning hoeft autonomie niet te verkleinen. Goede ondersteuning kan autonomie juist vergroten.
Wat hulpverleners concreet kunnen doen
De onderzoekers pleiten voor meer kennis bij professionals over de combinatie van autisme en genderdiversiteit. In de praktijk hoeft dat niet meteen een nieuw handboek van zeshonderd pagina’s te betekenen.
Begin bijvoorbeeld met heldere, concrete vragen. Geef iemand tijd om een antwoord te formuleren. Maak geen automatische koppeling tussen gedrag en gender. Houd rekening met sensorische gevoeligheden en communicatieverschillen. En realiseer je dat iemand gevoelens over gender misschien anders verwoordt dan een hulpverlener gewend is.
Ook belangrijk: probeer niet alles vanuit één diagnose te verklaren. Somberheid kan samenhangen met genderdysforie, maar ook met sociale uitsluiting, overbelasting, angst, een depressie of iets heel anders. Een afkeer van bepaalde kleding kan iets over gender zeggen, maar ook gewoon over kriebelende naden. Niet elk T-shirt is een diagnostisch instrument.
Familie, school en werk hebben ook invloed
Niet alleen de zorg speelt een rol. De omgeving kan veel stress wegnemen door niet voortdurend genderverwachtingen op te leggen. Dat begint soms verrassend klein.
Respecteer de naam en aanspreekvorm die iemand gebruikt. Maak kleding, hobby’s of gedrag niet onnodig ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’. Geef iemand ruimte wanneer woorden of identiteit nog worden onderzocht. En zie verandering niet automatisch als bewijs dat eerdere gevoelens onoprecht waren.
Mensen zoeken naar woorden voor zichzelf. Soms verandert het woord terwijl de onderliggende ervaring grotendeels hetzelfde blijft. Voor iemand met autisme kan duidelijke communicatie daarbij extra prettig zijn. Niet raden wat een ander wil, maar vragen. Niet vertrouwen op sociale hints, maar afspraken uitspreken.
De wetenschap loopt duidelijk achter
Bij alle interessante bevindingen hoort een flinke waarschuwing.
Twaalf onderzoeken is weinig.
Bovendien waren de onderzochte groepen vaak klein en geselecteerd via klinieken, websites, sociale media of vrijwillige deelname. De deelnemers waren overwegend afkomstig uit westerse landen en relatief vaak hoger opgeleid. Veel studies gebruikten vragenlijsten die deelnemers zelf invulden. Slechts enkele beschikten over klinisch gecontroleerde informatie.
En vrijwel alle onderzoeken maakten een momentopname. Dat betekent dat onderzoekers bijvoorbeeld kunnen constateren dat meer kenmerken van autisme samengaan met meer kenmerken van genderdysforie. Ze kunnen daarmee niet aantonen dat autisme die dysforie veroorzaakt.
De review beoordeelt de kwaliteit van veel afzonderlijke studies wel als redelijk tot goed. Het probleem zit dus niet uitsluitend in slordig onderzoek. Het onderzoeksveld is simpelweg nog klein, versnipperd en methodologisch zeer verschillend.
Daar komt bij dat vrouwen en non-binaire volwassenen lang niet altijd goed vertegenwoordigd zijn. Dat is extra ongelukkig wanneer juist genderdiversiteit onderwerp van onderzoek is.
Geen simpele verklaring, wel een duidelijke boodschap
Autisme en genderdiversiteit lijken vaker samen voor te komen dan op basis van toeval alleen verwacht zou worden. Ook zijn er aanwijzingen voor een relatie tussen kenmerken van autisme en genderdysforie.
Misschien ervaren mensen met autisme gender anders. Misschien hebben traditionele sociale genderregels minder grip. Misschien speelt camouflage mee. Misschien worden bepaalde kenmerken in deze groepen eerder herkend. En waarschijnlijk is ‘de verklaring’ uiteindelijk geen enkele verklaring, maar een combinatie van biologische, psychologische en sociale factoren.
Zekri S, Navarro-Pardo E, Alcantud-Marín F. Gender Identity and Gender Dysphoria in Autism Spectrum Disorders: A Systematic Review. Actas Españolas de Psiquiatría. 2026;54(3):907–918. DOI: 10.62641/aep.v54i3.2056.



