SSRI’s bij kinderen met autisme: Veel gebruikt, weinig effect

SSRI’s behoren tot de bekendste psychiatrische medicijnen. Middelen als fluoxetine, sertraline en citalopram worden voorgeschreven bij onder meer angst, depressie en dwangklachten. Ook kinderen en jongeren met autisme krijgen ze geregeld. Soms vanwege angst of dwang, maar soms ook in de hoop dat repetitief gedrag, prikkelbaarheid of andere problemen afnemen.

Dat klinkt niet onlogisch. Als een medicijn helpt tegen angst bij kinderen zonder autisme, waarom zou het dan niet kunnen helpen bij kinderen mét autisme?

Het wetenschappelijke antwoord blijkt minder eenvoudig. Een nieuwe systematische review waarin zeven medicijnonderzoeken met samen 606 kinderen en jongeren met autisme werden samengevoegd, vindt vooralsnog geen overtuigend voordeel van SSRI’s. Dat betekent niet dat zo’n middel bij geen enkel kind kan helpen. Het betekent wél dat het gemiddelde voordeel in degelijk onderzoek tot nu toe niet zichtbaar wordt.

Waarom SSRI’s bij autisme worden voorgeschreven

SSRI staat voor selective serotonin reuptake inhibitor, oftewel selectieve serotonine-heropnameremmer. Deze medicijnen beïnvloeden de beschikbaarheid van de signaalstof serotonine in de hersenen.

Ze zijn niet ontwikkeld als behandeling voor autisme. Toch worden ze ook aan kinderen en jongeren met autisme voorgeschreven. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Een kind kan bijvoorbeeld naast autisme ernstige angstklachten hebben. Een ander heeft dwangklachten. Weer een ander loopt voortdurend vast in onrust, prikkelbaarheid of bepaald repetitief gedrag.

Artsen kennen SSRI’s goed en weten dat ze bij sommige psychiatrische aandoeningen kunnen helpen. Bovendien is het aantal medicijnen waarvan overtuigend is aangetoond dat ze specifieke problemen bij kinderen met autisme verminderen beperkt.

Zeven onderzoeken onder de loep

Er werden verschillende SSRI’s onderzocht: fluoxetine, sertraline, citalopram en fluvoxamine. De onderzoekers keken niet alleen naar één uitkomst, maar naar zaken die voor kinderen en ouders daadwerkelijk relevant kunnen zijn. Zoals:

Onderzocht gebiedWat laat het onderzoek zien?
Repetitief gedragEffect zeer onzeker
DwangklachtenWaarschijnlijk weinig tot geen verschil
AngstEffect zeer onzeker
DepressieNiet onderzocht
Verstorend of moeilijk hanteerbaar gedragWaarschijnlijk weinig tot geen verschil
Algemeen functionerenWaarschijnlijk weinig tot geen verschil
Kwaliteit van leven van oudersGeen duidelijk verschil, bewijs beperkt
BijwerkingenWaarschijnlijk iets vaker bij SSRI’s

Dat ziet er op het eerste gezicht nogal ontnuchterend uit. Toch is voorzichtigheid nodig. Bij sommige onderdelen is het bewijs namelijk niet sterk genoeg om te zeggen dat SSRI’s absoluut niet werken. Soms weten we vooral dat we het nog onvoldoende weten.

Geen simpel ja of nee

Een veelgemaakte fout bij wetenschappelijk onderzoek is dat twee uitspraken als hetzelfde worden behandeld:

  • ‘Er is aangetoond dat het niet werkt.’
  • ‘Er is niet aangetoond dat het werkt.’

Dat zijn verschillende dingen. Voor het algemene functioneren is het bewijs redelijk overtuigend: kinderen die een SSRI kregen gingen gemiddeld niet duidelijk meer vooruit dan kinderen die een placebo kregen.

Bij angst en repetitief gedrag is de onzekerheid groter. Daar waren weinig deelnemers, verschilden de onderzoeken sterk van elkaar en liepen de resultaten uiteen. De juiste conclusie is daar dus niet: SSRI’s werken niet tegen angst bij kinderen met autisme. Het is eerder: we beschikken momenteel over te weinig goed bewijs om te weten of ze dat doen.

Repetitief gedrag is niet automatisch een probleem

Een van de onderzochte uitkomsten was beperkt en repetitief gedrag. Denk aan herhalende bewegingen, vaste patronen of zeer sterke voorkeuren en interesses.

In eerdere medicijnonderzoeken naar autisme werd vermindering daarvan vaak als verbetering beschouwd. Daar past tegenwoordig wel een kritische kanttekening bij. Repetitief gedrag hoeft voor iemand met autisme namelijk helemaal niet ongewenst te zijn. Herhaling kan rust geven, plezierig zijn of helpen om spanning te reguleren. Een intense interesse kan bovendien veel betekenen voor iemands identiteit en welzijn.

Welk probleem proberen we eigenlijk op te lossen, en voor wie is het een probleem?

Een medicijn geven omdat een beweging of interesse voor de omgeving afwijkend oogt, is iets anders dan behandelen omdat een kind zelf vastloopt, lijdt of nauwelijks meer kan functioneren.

Dwang is iets anders dan behoefte aan herhaling

Ook bij dwangklachten vonden de onderzoekers weinig tot geen gemiddeld voordeel van SSRI’s. Daarbij is het nuttig om dwang en repetitief gedrag niet zomaar op één hoop te gooien. Een kind dat elke middag enthousiast twintig keer hetzelfde filmpje bekijkt, hoeft geen dwangklacht te hebben. Hetzelfde geldt voor routines, ordenen, wiegen of andere herhalingen.

Bij dwang gaat het doorgaans om gedachten of handelingen waar iemand moeilijk aan kan ontsnappen en die spanning of beperkingen veroorzaken. Dat onderscheid is belangrijk, juist bij autisme. Anders bestaat het risico dat gedrag wordt behandeld omdat het ongewoon is in plaats van omdat het schadelijk is.

De onderzoeken in deze review bieden in elk geval weinig steun voor het idee dat SSRI’s dwangachtig gedrag bij kinderen met autisme gemiddeld duidelijk verminderen.

Angst

Misschien wel het opvallendste resultaat betreft angst. Juist angst is een reden waarom SSRI’s in de praktijk worden voorgeschreven. Toch konden de onderzoekers slechts twee geschikte onderzoeken vinden waarin angst bij kinderen met autisme werd gemeten. En die onderzoeken verschilden behoorlijk.

Het ene ging over jonge kinderen van twee tot zes jaar die een lage dosis sertraline kregen. Het andere onderzocht oudere kinderen en jongeren die fluoxetine gebruikten. De resultaten wezen bovendien niet netjes dezelfde kant op. Daarom beoordelen de onderzoekers het bewijs als zeer onzeker.

Dat is onbevredigend. Want voor ouders, jongeren en behandelaren is juist de vraag of ernstige angst vermindert veel relevanter dan de vraag of iemand iets minder repetitief gedrag vertoont.

Het laat ook zien hoe vreemd de wetenschappelijke kennis soms verdeeld kan zijn: een medicijn wordt regelmatig gebruikt voor een probleem waarover juist bij deze groep verrassend weinig stevig onderzoek bestaat.

Depressie

Geen van de zeven onderzoeken onderzocht of SSRI’s depressieve klachten bij kinderen en jongeren met autisme verminderen. Dat is opmerkelijk, want SSRI’s staan in de volksmond vooral bekend als antidepressiva.

Uit deze review kan dus geen conclusie worden getrokken over de werkzaamheid van SSRI’s bij depressie bij kinderen met autisme.

Wanneer een kind zowel autisme als een depressie heeft, moet een arts daarom deels gebruikmaken van kennis uit onderzoek bij andere kinderen en jongeren, aangevuld met een individuele beoordeling.

Dagelijks functioneren

In zowel de SSRI-groep als de placebogroep liet ongeveer een derde van de kinderen volgens de gebruikte beoordeling een duidelijke verbetering zien. Het medicijn leverde gemiddeld geen extra voordeel op.

Bijwerkingen zijn niet spectaculair, maar wel relevant

SSRI’s bleken in deze onderzoeken niet extreem slecht verdragen te worden. Wel kwamen bijwerkingen gemiddeld iets vaker voor.

Veelgenoemde klachten waren maag-darmproblemen, slaapproblemen, onrust, verhoogde activiteit en prikkelbaarheid. De meeste gemelde bijwerkingen waren mild of matig ernstig. Van iedere honderd kinderen kregen er naar schatting ongeveer drie extra een bijwerking wanneer zij een SSRI gebruikten in plaats van placebo. Ook stopten iets meer kinderen met het middel vanwege bijwerkingen, al was het verschil klein.

Dat lijkt misschien niet indrukwekkend. Maar zodra het verwachte voordeel van een behandeling klein of onzeker is, worden kleine nadelen automatisch belangrijker. Stel dat een behandeling gemiddeld een forse verbetering oplevert. Dan kan een bescheiden kans op bijwerkingen heel acceptabel zijn. Maar als niet duidelijk is of het middel überhaupt helpt, verandert de rekensom.

Waarom worden SSRI’s dan toch gebruikt?

Artsen schrijven SSRI’s onder meer voor omdat ze deze medicijnen goed kennen en omdat de middelen bij angst en dwang buiten de autismegroep wel een bekende plaats in de behandeling hebben.

Daarnaast speelt iets heel menselijks mee. Wanneer een kind ernstig vastloopt, willen ouders en behandelaren iets kunnen doen. Als therapie onvoldoende helpt, niet beschikbaar is of moeilijk uitvoerbaar blijkt, wordt medicatie aantrekkelijker.

Daar komen individuele ervaringen bij. Een psychiater kan meerdere kinderen hebben gezien die volgens ouders duidelijk rustiger of minder angstig werden door fluoxetine of sertraline. Die ervaringen moeten serieus worden genomen.

Maar ze bewijzen nog niet dat het medicijn de oorzaak van de verbetering was. Klachten kunnen vanzelf veranderen. Andere hulp kan tegelijkertijd effect hebben. Verwachtingen kunnen waarnemingen beïnvloeden.

Daarom bestaan gerandomiseerde onderzoeken überhaupt: om te ontdekken wat er gemiddeld overblijft wanneer zulke invloeden zoveel mogelijk worden uitgefilterd.

Het gemiddelde kind bestaat niet

Autisme is bijzonder divers. Twee kinderen kunnen dezelfde diagnose hebben en toch sterk verschillen in taalvaardigheid, intelligentie, gevoeligheid voor prikkels, angst, gedrag, genetische achtergrond en bijkomende psychiatrische problemen.

De onderzoekers zien vooral behoefte aan grotere en beter opgezette studies.

Het is dus denkbaar dat een SSRI bij de meeste kinderen weinig doet, maar bij een bepaalde kleinere groep wél duidelijk helpt. De onderzoekers sluiten dat niet uit. Ze konden zulke subgroepen alleen niet betrouwbaar onderzoeken. Daarvoor waren de studies te klein en te verschillend.

Medicatie vraagt om een concreet behandeldoel

‘We proberen fluoxetine omdat hij autisme heeft’ is geen duidelijk doel. ‘We willen weten of haar dagelijkse paniekaanvallen afnemen zodat ze weer naar school kan’ is dat wel. Voor een behandeling begint, kunnen kind, ouders en behandelaar daarom een paar eenvoudige vragen bespreken:

  • Welke klacht willen we precies verminderen?
  • Hoe ernstig is die klacht nu?
  • Waaraan merken we in het dagelijks leven dat het medicijn helpt?
  • Welke mogelijke bijwerkingen letten we extra op?
  • Wanneer beoordelen we gezamenlijk of de voordelen groot genoeg zijn?

Daarmee verandert medicatie van we proberen eens wat in een gecontroleerde proef met een duidelijk doel. Juist wanneer wetenschappelijk bewijs onzeker is, wordt zorgvuldig evalueren belangrijker. Ook de wens van het kind of de jongere zelf hoort daarbij een serieuze plaats te krijgen.

Trinari E, Noronha NJ, Papola D, Devji T, Navarro T, Kraus de Camargo O, Iorio A. Selective Serotonin Reuptake Inhibitors for Children with Autism Spectrum Disorder: A Systematic Review and Meta-Analysis. Clinical Medicine Insights: Pediatrics. 2026;20:1–15. DOI: 10.1177/11795565261442820.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *