OPINIE Wie eenmaal de diagnose ADHD krijgt, heeft die voor de rest van zijn leven. Tenminste, dat is wat veel mensen denken. Maar klopt dat eigenlijk wel? Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat ADHD-klachten kunnen veranderen, verminderen en soms zelfs jarenlang vrijwel verdwijnen.
Bovendien hangt de mate waarin iemand last heeft van ADHD sterk samen met de omstandigheden. Dat roept een interessante vraag op: kan iemand op een bepaald moment géén ADHD meer hebben, terwijl de oorspronkelijke diagnose wel degelijk klopte?
ADHD is niet altijd hetzelfde
Stel je Lisa voor, 38 jaar. Als kind had ze grote moeite om zich te concentreren. Op school vergat ze voortdurend haar spullen, maakte ze opdrachten niet af en kreeg ze regelmatig kritiek op haar gedrag. Op haar twintigste kreeg ze de diagnose ADHD. Inmiddels heeft Lisa een baan waarin ze zelfstandig werkt en haar eigen tijd kan indelen. Ze heeft geleerd om met haar aandacht om te gaan, gebruikt handige hulpmiddelen en krijgt steun van haar partner. De problemen die vroeger haar leven beheersten, spelen nauwelijks nog een rol.
Heeft Lisa nog steeds ADHD? Die vraag lijkt eenvoudig, maar het antwoord is ingewikkelder dan je zou verwachten. ADHD geldt als een neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Toch betekent dat niet automatisch dat de klachten en beperkingen gedurende het hele leven even ernstig blijven.
De Australische psychiater Calina Ouliaris pleit daarom in een wetenschappelijke beschouwing uit september 2026 voor een andere kijk op ADHD: minder als een onveranderlijke diagnose en meer als een toestand waarvan de gevolgen gedurende het leven kunnen veranderen.
Een ADHD-diagnose is meer dan een rijtje kenmerken
Iedereen vergeet weleens een afspraak, raakt afgeleid of stelt vervelende klusjes uit. Ook mensen zonder ADHD kunnen moeite hebben met plannen of organiseren. Voor een ADHD-diagnose is daarom meer nodig dan het herkennen van bepaalde eigenschappen. De kenmerken moeten gedurende langere tijd aanwezig zijn, teruggaan tot de kindertijd en duidelijke problemen veroorzaken in het dagelijks functioneren. Bovendien moet ADHD de beste verklaring zijn voor die problemen.
Dat laatste is belangrijk. Concentratieproblemen kunnen bijvoorbeeld ook samenhangen met slaapgebrek, depressie, angst of langdurige stress. Een diagnose gaat dus niet alleen over hoe iemands aandacht werkt, maar ook over de gevolgen daarvan. Kan iemand een opleiding volgen, relaties onderhouden, werken en dagelijkse verplichtingen nakomen?
Daarbij bestaat een belangrijk verschil tussen moeite hebben met iets en er daadwerkelijk door vastlopen. Niet iedereen die snel afgeleid raakt, heeft ADHD. Maar iemand die ondanks grote inspanningen voortdurend afspraken mist, financiële problemen krijgt of belangrijke relaties ziet stuklopen, ondervindt ernstige beperkingen.
Kun je over ADHD heen groeien?
Lange tijd overheerste het beeld dat ADHD bij kinderen voorkomt en bij veel mensen tijdens het volwassen worden verdwijnt. Inmiddels weten we dat ADHD ook op volwassen leeftijd aanzienlijke problemen kan veroorzaken. Toch betekent dit niet dat het verloop voor iedereen hetzelfde is.
Onderzoekers die mensen met ADHD jarenlang volgen, ontdekken verschillende patronen. Sommige deelnemers blijven hun hele leven ernstige klachten houden. Bij anderen nemen de problemen geleidelijk af. Weer anderen maken perioden door waarin ze nauwelijks klachten ervaren, gevolgd door perioden waarin hun ADHD opnieuw duidelijk naar voren komt.
Dat laatste is opvallend. ADHD volgt niet noodzakelijk een rechte lijn van ernstig naar mild, of andersom. Een student kan bijvoorbeeld jarenlang goed functioneren dankzij een vaste dagindeling. Zodra diegene gaat werken, een huishouden moet organiseren en kinderen krijgt, nemen de problemen toe. Later kan meer ervaring, een andere baan of passende ondersteuning opnieuw verbetering brengen.
Een vermindering van klachten betekent overigens niet dat de oorspronkelijke diagnose verkeerd was. Evenmin bewijst een terugval dat iemand onvoldoende zijn best doet. Wel weten we dat mensen met ernstigere ADHD-klachten in hun jeugd en bijkomende psychische problemen vaker langdurige beperkingen ervaren.
Goed functioneren heeft soms een hoge prijs
Een van de interessantste vragen is wat we eigenlijk bedoelen met ‘goed functioneren’. Neem een werknemer met ADHD die uitstekende beoordelingen krijgt. Hij levert zijn werk op tijd in, vergeet zelden een afspraak en maakt weinig fouten. Zijn leidinggevende ziet geen probleem.
Maar thuis stort hij uitgeput in. Om zijn werk goed te doen, controleert hij alles drie keer, werkt hij regelmatig ’s avonds door en gebruikt hij tientallen herinneringen in zijn telefoon. Zijn vrije tijd gaat grotendeels op aan herstellen. Is er dan wel sprake van goed functioneren?
Op papier misschien wel. In werkelijkheid betaalt deze werknemer een hoge prijs voor prestaties die collega’s met minder inspanning bereiken. Dit verschijnsel noemen we compenseren: moeilijkheden opvangen door extra inspanning, aangeleerde strategieën of hulpmiddelen.
Compenseren kan uitstekend werken. Maar wanneer het structureel meer energie kost dan iemand kan opbrengen, ontstaan nieuwe problemen. Denk aan chronische vermoeidheid, stress of het gevoel voortdurend tekort te schieten. Daarom moeten hulpverleners niet alleen kijken naar wat iemand bereikt, maar ook naar hoeveel inspanning daarvoor nodig is.
De omgeving bepaalt mede de beperking
Stel je twee banen voor. In de eerste moet je voortdurend schakelen tussen telefoontjes, e-mails, vergaderingen en onverwachte opdrachten. In de tweede krijg je duidelijke taken, weinig onderbrekingen en voldoende vrijheid om je werk zelf te organiseren. Dezelfde persoon kan in de ene baan volledig vastlopen en in de andere uitstekend functioneren.
Dat betekent niet dat ADHD uitsluitend door de omgeving ontstaat. Wel bepaalt de omgeving mede hoeveel last iemand van zijn ADHD-kenmerken ondervindt. Onze samenleving vraagt bovendien steeds meer van vaardigheden waarmee veel mensen met ADHD moeite hebben. We moeten plannen, digitale berichten bijhouden, verschillende taken combineren en voortdurend onze aandacht verdelen. Wie daarmee worstelt, kan daardoor sneller beperkingen ervaren.
Voor werkgevers ligt hier een praktische kans. Soms maken relatief eenvoudige aanpassingen al verschil: een rustige werkplek, schriftelijke instructies, duidelijke prioriteiten of minder onverwachte onderbrekingen. Ook thuis kunnen aanpassingen helpen. Denk aan vaste plaatsen voor belangrijke spullen, een gedeelde agenda of het anders verdelen van huishoudelijke taken.
Het gaat daarbij niet om iemand koste wat kost aan de bestaande omgeving aanpassen, maar om een betere aansluiting tussen persoon en omgeving.
Wat als je niet meer aan de criteria voldoet?
Hier ontstaat een merkwaardige situatie. Stel dat iemand als kind onmiskenbaar ADHD had, maar als volwassene nauwelijks nog klachten of beperkingen ervaart. Betekent dit dat de diagnose niet meer van toepassing is?
De officiële diagnosehandboeken bieden daarvoor weinig houvast. Het Amerikaanse DSM-5-handboek kent wel de mogelijkheid van gedeeltelijke remissie, waarbij niet meer aan alle criteria wordt voldaan. De internationale ICD-11 heeft zelfs geen aparte code voor ADHD die in remissie is.
Remissie betekent dat klachten sterk zijn afgenomen of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor de oorspronkelijke diagnose. Dat is iets anders dan genezing. Iemand kan nog steeds kwetsbaar zijn voor aandachtsproblemen, bijvoorbeeld bij langdurige stress of ingrijpende veranderingen.
Ook kunnen eerdere ervaringen blijvende gevolgen hebben. Wie tijdens zijn jeugd door ADHD leerachterstanden, sociale problemen of een negatief zelfbeeld heeft ontwikkeld, raakt die gevolgen niet automatisch kwijt wanneer de ADHD-klachten afnemen. Een eerdere diagnose kan dus terecht zijn geweest, zelfs wanneer iemand daar later niet meer aan voldoet.
Meer dan een medisch etiket
Voor veel volwassenen betekent een ADHD-diagnose een keerpunt. Jarenlang hebben ze misschien gehoord dat ze lui, slordig, ongemotiveerd of onverantwoordelijk waren. De diagnose biedt eindelijk een verklaring voor ervaringen die voorheen weinig begrip kregen. Dat kan een enorme opluchting zijn. De diagnose kan vervolgens onderdeel worden van iemands identiteit. ADHD verklaart niet alleen bepaalde problemen, maar helpt ook om persoonlijke ervaringen en levenskeuzes beter te begrijpen.
Daarom kan het verwarrend of zelfs bedreigend voelen wanneer een behandelaar op enig moment de diagnose ter discussie stelt. Betekent dit dat eerdere problemen niet echt waren? Dat iemand zich heeft aangesteld? Of dat noodzakelijke ondersteuning verdwijnt? Dat hoeft allemaal niet het geval te zijn.
Tegelijkertijd schuilt er ook een risico in het tegenovergestelde: een diagnose als onveranderlijk beschouwen, ongeacht wat er later gebeurt. Daardoor kunnen hulpverleners andere verklaringen voor nieuwe klachten over het hoofd zien. Een zorgvuldige benadering vraagt dus om twee dingen: erkenning van wat de diagnose voor iemand betekent én ruimte om veranderende omstandigheden serieus te nemen.
Wie op zijn tiende ernstig vastloopt, hoeft dat op zijn veertigste niet meer te doen. En wie vandaag goed functioneert, kan morgen opnieuw ondersteuning nodig hebben.
Daarvoor zijn niet telkens nieuwe, uitgebreide diagnostische onderzoeken nodig. Regelmatig bespreken hoe het werkelijk gaat, is vaak een betere eerste stap.
Ouliaris, C. (2026). ADHD Across the Lifespan: Reconsidering Assumptions of Diagnostic Permanence. Medical Journal of Australia, 224(9), e70298. https://doi.org/10.5694/mja2.70298.


