Stel je voor: je leest dat bijna een kwart van de jongeren in bepaalde forensisch-psychiatrische voorzieningen autisme heeft. Dat klinkt behoorlijk veel. Zou autisme dan toch samenhangen met crimineel gedrag? Maar even later lees je dat in Scandinavische gevangenissen bij ongeveer één procent van de gedetineerden een autismediagnose geregistreerd staat. Wat klopt er nu?
Uit de cijfers kun je niet zomaar afleiden dat mensen met autisme vaker strafbare feiten plegen.
Beide cijfers kunnen kloppen. Ze vertellen alleen iets heel anders. Onderzoekers uit Roemenië brachten in 2026 een grote hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek over autisme en het strafrecht bijeen. Ze bestudeerden onder meer gevangenispopulaties, psychiatrische instellingen en mensen die vanwege een strafzaak psychologisch of psychiatrisch onderzocht werden. Hun belangrijkste conclusie? Je kunt onmogelijk één betrouwbaar percentage geven voor het vóórkomen van autisme binnen het strafrecht. Daarvoor verschillen de onderzochte groepen te veel.
Niet iedereen belandt om dezelfde reden bij justitie
Een gewone gevangenis is iets heel anders dan een gespecialiseerde psychiatrische instelling. Toch belanden beide regelmatig in hetzelfde onderzoeksoverzicht. In een gevangenis verblijven mensen die om uiteenlopende redenen een vrijheidsstraf ondergaan. Gespecialiseerde forensische instellingen behandelen daarentegen mensen met complexe problemen, bijvoorbeeld een combinatie van psychische klachten, een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. Hun juridische situatie kan bovendien verschillen.
Dat verklaart waarom de onderzoekers in twee gespecialiseerde instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking bij gemiddeld ongeveer 24 procent autisme aantroffen. In twee forensische voorzieningen voor jongeren lag dat percentage eveneens rond de 24 procent. Bij algemene psychiatrische onderzoeken naar strafrechtelijke verantwoordelijkheid kwam het juist uit op ongeveer één procent.
Die verschillen lijken spectaculair, maar zeggen vooral iets over wie in welke voorziening terechtkomt. De onderzoekers benadrukken bovendien dat deze gecombineerde uitkomsten telkens op slechts twee onderzoeksgroepen berusten. De zekerheid is daardoor beperkt.
Wie vanuit zulke gespecialiseerde instellingen conclusies trekt over alle mensen met autisme, maakt dezelfde fout als iemand die op een hartafdeling onderzoekt hoeveel patiënten hartproblemen hebben en daaruit iets afleidt over de gezondheid van de hele bevolking.
Politiecontact betekent niet automatisch criminaliteit
Ook het begrip ‘in aanraking komen met justitie’ zorgt voor verwarring. Neem iemand met autisme die de politie belt omdat buren hem bedreigen. Of iemand die tijdens een crisissituatie niet meer goed kan uitleggen wat er aan de hand is. Misschien raakt een voorbijganger ongerust over ongewoon gedrag en schakelt de politie in.
In al deze situaties kan iemand in politieregistraties terechtkomen zonder zelf iets strafbaars te hebben gedaan. Toch gebruiken onderzoeken soms dezelfde verzamelterm voor politiecontact, aanhoudingen, vervolgingen en veroordelingen. Dat zijn heel verschillende gebeurtenissen.
Een Canadees onderzoek dat de wetenschappers bespraken, liet bijvoorbeeld zien dat ongeveer één op de zes deelnemers met autisme gedurende een periode van twaalf tot achttien maanden contact had met de politie. Maar daaruit valt niet af te leiden hoeveel van hen daadwerkelijk een strafbaar feit pleegden. Voor een eerlijk beeld moeten onderzoekers dus niet alleen vragen óf iemand met justitie in aanraking kwam, maar vooral waarom en in welke rol.
Maakt autisme iemand vaker strafbaar?
Dan de vraag die waarschijnlijk het meest nieuwsgierig maakt: plegen mensen met autisme vaker delicten? Het wetenschappelijke antwoord is minder duidelijk dan sommige krantenkoppen suggereren.
In verschillende bevolkingsonderzoeken bleken mensen met autisme juist minder vaak of ongeveer even vaak met strafrechtelijke veroordelingen te maken te krijgen als mensen zonder autisme. Andere onderzoeken vonden onder bepaalde groepen wel een verhoogde kans op specifieke geweldsdelicten. Opvallend is dat de uitkomsten sterk afhangen van wat onderzoekers precies meten. Gaat het om een eenvoudige overtreding, een geweldsdelict of opnieuw veroordeeld worden na een eerdere straf? En over welke leeftijdsgroep en onderzoeksperiode hebben we het? Ook de gebruikte vergelijkingsgroepen maken verschil.
Een onderzoek naar jongeren met autisme die al bij een forensische instelling terechtkwamen, vertelt ons weinig over volwassenen met autisme die nooit met justitie te maken kregen. Daarom weigeren de onderzoekers om al die uiteenlopende uitkomsten samen te voegen tot één cijfer over criminaliteit.
De invloed van ADHD en andere omstandigheden
Een interessant voorbeeld komt uit Zweeds onderzoek naar autisme en geweldsdelicten. Aanvankelijk vonden onderzoekers een verband tussen autisme en een grotere kans op een veroordeling voor geweld. Maar toen ze ook rekening hielden met ADHD en ernstige gedragsproblemen, veranderde de uitkomst. Het eerder gevonden verhoogde risico verdween en de berekende samenhang wees zelfs in de andere richting.
Dat betekent niet automatisch dat ADHD de oorzaak van geweld is. Zo eenvoudig werkt het niet. De verschillende kenmerken, diagnoses en omstandigheden beïnvloeden elkaar mogelijk op ingewikkelde manieren. Ook psychische problemen, middelengebruik, verstandelijke beperkingen en sociale omstandigheden kunnen een rol spelen. Bovendien kan het uitmaken of iemand voldoende begeleiding en ondersteuning krijgt.
Een diagnose vertelt dus nooit het hele verhaal. Dat geldt ook voor AuDHD, de combinatie van autisme en ADHD. Het is niet vanzelfsprekend dat onderzoeksresultaten over uitsluitend autisme ook gelden voor mensen die beide diagnoses hebben. Wie criminaliteit uitsluitend probeert te verklaren vanuit autisme, mist mogelijk juist de omstandigheden die er werkelijk toe doen.
Wanneer communicatie verkeerd uitpakt
Er speelt nog iets anders. Zelfs wanneer iemand niets verkeerds heeft gedaan, kan een ontmoeting met de politie ingewikkeld verlopen. Stel dat een agent een vraag stelt waarop meerdere antwoorden mogelijk zijn. Iemand met autisme probeert eerst precies te begrijpen wat de agent bedoelt. Er valt een lange stilte. Vervolgens komt een bijzonder letterlijk antwoord.
De agent kan dat interpreteren als ontwijkend gedrag, terwijl de betrokkene juist probeert zo nauwkeurig mogelijk te antwoorden. Ook weinig oogcontact, een vlakke gezichtsuitdrukking of zichtbaar ongemak kunnen verkeerd overkomen. Zulke gedragingen zeggen op zichzelf niets over iemands eerlijkheid.
Daar komt bij dat een politieverhoor behoorlijk belastend kan zijn. Een onbekende ruimte, fel licht, meerdere aanwezigen en onduidelijkheid over wat er gaat gebeuren kunnen veel spanning veroorzaken. Onder stress kan het moeilijker worden om informatie te verwerken of gedachten onder woorden te brengen. Sommige mensen reageren dan door stil te vallen. Anderen praten juist bijzonder veel, gaan uitgebreid op details in of proberen het gesprek zo snel mogelijk te beëindigen.
De wetenschappelijke literatuur beschrijft deze communicatieproblemen als een serieus aandachtspunt. Want een verhoor draait niet alleen om welke vragen iemand krijgt, maar ook om de mogelijkheid die vragen goed te begrijpen en betrouwbaar te beantwoorden.
Een diagnose die niemand heeft opgemerkt
De lage autismecijfers uit Scandinavische gevangenisregistraties lijken op het eerste gezicht geruststellend. In Noorwegen en Denemarken stond bij ongeveer 0,6 procent van de onderzochte gedetineerden een relevante diagnose geregistreerd. In Zweden ging het om ongeveer 1,1 procent. Maar hier zit een belangrijk verschil tussen ‘geen diagnose hebben’ en ‘geen diagnose in het dossier hebben’.
Een gevangenisregistratie bevat doorgaans alleen diagnoses die eerder zijn vastgesteld en correct zijn vastgelegd. Wie nooit diagnostisch onderzoek heeft gehad, kan daardoor buiten beeld blijven. Omgekeerd krijgen mensen binnen gespecialiseerde psychiatrische instellingen vaak uitgebreider onderzoek. Daar kan autisme juist vaker aan het licht komen.
Het maakt dus nogal uit of onderzoekers bestaande dossiers bekijken of actief onderzoeken hoeveel mensen werkelijk autisme hebben. Daar komt nog bij dat oudere onderzoeken soms andere diagnostische categorieën gebruiken, zoals het vroegere syndroom van Asperger of PDD-NOS. Ook die gegevens laten zich niet zonder meer vergelijken met hedendaagse diagnoses.
De onderzoekers vinden daarom dat toekomstige studies veel duidelijker moeten aangeven hoe zij autisme vaststellen. Anders blijven we cijfers vergelijken die eigenlijk niet vergelijkbaar zijn.
Wat politie en justitie hiervan kunnen leren
De uitkomsten geven geen betrouwbaar percentage voor onze eigen gevangenissen of forensische instellingen. Daarvoor verschillen landen en rechtssystemen te veel. Maar de praktische lessen zijn wel relevant.
In Nederland besteedt de Politieacademie inmiddels expliciet aandacht aan autisme en ADHD in opleidingen over het verhoren van kwetsbare personen. Agenten leren onder meer hoe zij hun communicatie kunnen aanpassen en hoe zij rekening houden met individuele kwetsbaarheden. Ook in België bestaat aandacht voor de rechten van mensen tijdens politieverhoren. Zowel in Nederland als in België kunnen verdachten onder de geldende voorwaarden een advocaat raadplegen en bijstand krijgen tijdens een verhoor.
Maar juridische bescherming alleen is niet genoeg wanneer iemand de vragen of de situatie onvoldoende begrijpt. Een goede aanpak hoeft niet ingewikkeld te zijn. Denk aan:
- Korte, concrete vragen stellen en figuurlijke taal vermijden.
- Eén onderwerp tegelijk bespreken en voldoende verwerkingstijd geven.
- Van tevoren uitleggen wat er gaat gebeuren en hoelang iets ongeveer duurt.
- Rekening houden met prikkels en zo nodig pauzes inlassen.
- Controleren of iemand een vraag werkelijk begrijpt, zonder het antwoord voor te zeggen.
- Een advocaat informeren over relevante communicatiebehoeften.
Voor mensen met autisme kan het verstandig zijn om vooraf duidelijk aan te geven wat helpt bij stress of ingewikkelde gesprekken. Dat geldt niet alleen voor verdachten, maar ook voor slachtoffers en getuigen. Tegelijk moeten politieagenten ervoor waken dat ze op basis van een diagnose allerlei beperkingen veronderstellen. Immers, niet iedereen met autisme heeft dezelfde behoeften. Sommigen communiceren mondeling uitstekend, anderen hebben meer tijd of ondersteuning nodig. Goede begeleiding begint daarom met luisteren, niet met invullen.
Rusu, R. V. & Delcea, C. (2026). Autism in Criminal-Justice and Forensic Settings: A Systematic Review and Meta-Analysis with an Exploratory Bidirectional Synthesis. Behavioral Sciences, 16(10), 1923. https://doi.org/10.3390/bs16101923
Politieacademie (2026). Communiceren met kwetsbare personen in de opsporing en Verhoren van kwetsbare verdachten. Nederland.
Politie Nederland. Wat gebeurt er tijdens een verhoor?
Orde van Vlaamse Balies. Welke rechten heb ik bij een politieverhoor? Advocaat.be.


