Autisme: Relaties en hechting

Iedereen heeft behoefte aan nabijheid en verbondenheid. Of het nu gaat om een partner, een ouder, een vriend of zelfs een collega: mensen zijn sociale wezens. In de psychologie heet dat hechting – de manier waarop we ons emotioneel verbinden met anderen.

Bij kinderen is daar veel onderzoek naar gedaan, en we weten dat een veilige band met ouders of verzorgers later in het leven zorgt voor meer zelfvertrouwen en veerkracht. Maar wat gebeurt er eigenlijk bij volwassenen met autisme?

Lang gold het hardnekkige idee dat mensen met autisme nauwelijks of geen gehechtheid zouden voelen. Inmiddels weten we dat dit niet klopt. Ook autistische kinderen zoeken nabijheid, ook zij huilen als een ouder weggaat en ook zij kunnen sterke banden opbouwen. Toch lijkt die band vaker onder druk te staan. Maar hoe zit dat als ze volwassen worden? Blijven die hechtingspatronen hetzelfde, en wat betekent dat voor liefde, ouderschap, werk en welzijn?

Een Spaans onderzoeksteam besloot dat eens goed uit te zoeken. Ze bundelden de resultaten van twaalf studies over hechting bij volwassenen met autisme of met autistische trekken (ook wel de ‘broader autism phenotype’, kortweg BAP, genoemd). De uitkomsten laten een herkenbaar maar ook confronterend beeld zien: autisme maakt hechten ingewikkelder – maar zeker niet onmogelijk.

Wat onderzochten de wetenschappers eigenlijk?

De review volgde een streng protocol (PRISMA) en pluisde duizenden artikelen door. Uiteindelijk bleven er 12 studies over, samen goed voor meer dan 92.000 deelnemers. Op het eerste gezicht indrukwekkend, maar dat getal is misleidend: één enorm Japans bevolkingsonderzoek telde tienduizenden vrouwen mee. De meeste andere studies waren juist klein, met vaak minder dan honderd deelnemers.

PRISMA staat voor Preferred Reporting Items for Systematic Reviews and Meta-Analyses. Het is een internationaal erkende checklist en richtlijn voor onderzoekers die een systematische review of meta-analyse maken.

Concreet betekent het dat de onderzoekers heel precies moeten beschrijven:

  • hoe ze naar artikelen hebben gezocht (bijvoorbeeld welke databases en zoektermen),
  • hoeveel studies ze vonden en waarom ze er sommige uitsloten,
  • hoe ze de kwaliteit van de studies hebben beoordeeld,
  • en hoe ze de resultaten hebben samengevat.

Dat klinkt formeel, maar het idee is simpel: transparantie en betrouwbaarheid. Zo kan iedereen precies volgen hoe de onderzoekers tot hun conclusies zijn gekomen en wordt de kans kleiner dat ze (onbewust) alleen studies kiezen die in hun straatje passen.

De deelnemers waren heel verschillend. Sommigen hadden een officiële autisme-diagnose, anderen alleen ‘trekken’. Ook ouders van kinderen met autisme deden mee, omdat zij vaak zelf kenmerken van autisme vertonen. Hechting werd gemeten met vragenlijsten of interviews, bijvoorbeeld over hoe iemand met spanning of nabijheid in relaties omgaat.

Er zijn wel kanttekeningen. Het gros van de deelnemers was vrouw – terwijl autisme vaker bij mannen wordt vastgesteld. Ook leunde veel onderzoek op zelfrapportage: je vult zelf een vragenlijst in over je hechtingsstijl. Dat geeft nuttige informatie, maar het zegt niet altijd alles over hoe iemand zich in de praktijk gedraagt. Bovendien waren de meeste studies cross-sectioneel: een momentopname. We weten dus weinig over hoe hechting bij autisme zich ontwikkelt over de tijd.

Onzeker gehecht: Vaker regel dan uitzondering

De rode draad door de studies: volwassenen met autisme of BAP hebben vaker een onveilige hechtingsstijl. Dat betekent dat ze relaties benaderen met meer angst of meer afstand dan gemiddeld.

  • Vermijdend gehecht: je houdt anderen liever op afstand. Te veel intimiteit voelt beklemmend. Een partner kan dan klagen dat je “nooit eens echt praat over gevoelens”.
  • Angstig gehecht: je bent bang om verlaten te worden en zoekt voortdurend bevestiging. Dat kan een relatie juist verstikken.
  • Veilig gehecht: de gulden middenweg – je durft dichtbij te zijn, maar ook zelfstandig.

In de studies viel op dat veilig gehecht zijn veel minder vaak voorkwam bij volwassenen met autisme dan bij de controlegroep. In een Britse studie hadden slechts 3 van de 20 autistische deelnemers een veilige hechting, terwijl dat in de algemene bevolking veel vaker voorkomt.

Een voorbeeld: stel je voor dat je een date hebt. De ander zegt na een paar weken: “Ik vind je echt leuk, laten we dit exclusief maken.”

  • Als je vermijdend gehecht bent, denk je misschien: o nee, nu wil hij elke dag appen, dit wordt me te veel.
  • Als je angstig gehecht bent, denk je: hè hè, eindelijk bevestiging, maar straks verliest hij toch interesse.

Beide reacties maken een stabiele relatie lastiger – en dat zie je terug in de cijfers.

Liefde en relaties: Minder vanzelfsprekend

Romantische relaties zijn voor veel volwassenen met autisme een uitdaging. De studies laten zien dat wie hoog scoort op autistische trekken vaker minder tevreden is in een relatie. Niet omdat liefde onmogelijk is, maar omdat factoren als moeite met emotionele nabijheid of communicatie roet in het eten gooien.

Zo wees Australisch onderzoek uit dat volwassenen met autisme die zelf ouder zijn, vaak een vermijdende hechtingsstijl hebben. Opvallend genoeg waren zij over hun huwelijk net zo tevreden als andere ouders. Met andere woorden: je kunt getrouwd en tevreden zijn, en tóch moeite hebben met intimiteit.

In een Amerikaanse studie bleek bovendien dat mensen met veel BAP-trekken minder snel een veilige romantische hechting ontwikkelen. Hun empathie was vaak lager, waardoor ze gevoelens van een partner minder goed konden lezen. Het gevolg: sneller misverstanden, meer afstand, minder warmte.

Een voor velen herkenbaar voorbeeld: je partner heeft een rotdag op het werk. Jij vraagt niet hoe het gaat, omdat je het niet doorhebt of bang bent het verkeerd te zeggen. Je partner ervaart dat als kilte. Voor je het weet, groeit er een kloof – terwijl je allebei eigenlijk wél behoefte hebt aan steun.

Ouderschap en hechting: Extra uitdagingen

Niet alleen in liefdesrelaties, ook in het ouderschap speelt hechting een grote rol. Verschillende studies keken naar moeders met autistische trekken. De uitkomst: hoe hoger de score op BAP, hoe groter de kans op postnatale depressie en een minder veilige hechting met de baby.

Dat klinkt somber, maar er is nuance. Sommige moeders met veel autistische trekken bleken juist extra gefocust op hun baby’s signalen – bijvoorbeeld omdat ze heel detailgericht zijn. Door goed naar de ogen en het gezichtje te kijken, kunnen ze de band juist versterken.

Toch laten de cijfers zien dat stress en psychische klachten vaak in de weg staan. Moeders met autistische trekken rapporteerden minder ‘afstemming’ met hun kind: ze voelden zich minder in de flow van de interactie. Dat kan leiden tot onzekerheid: doe ik het wel goed?

Belangrijk om te benadrukken: een onveilige hechting betekent niet dat je je kind niet liefhebt. Het gaat om patronen die de relatie kleuren. En juist omdat ze bekend zijn, kunnen hulpverleners er samen met ouders iets mee doen – bijvoorbeeld door extra steun te bieden na de bevalling.

Werk, vrienden en… gamen?

Hechting draait niet alleen om partners en kinderen. Ook vriendschappen en werkrelaties worden erdoor beïnvloed.

Een opvallende Japanse studie liet zien dat een vermijdende hechtingsstijl soms juist een voordeel kan zijn op de werkvloer. Wie minder behoefte heeft aan intens sociaal contact, kan zich soms beter aanpassen in competitieve werkomgevingen. Waar een ander gefrustreerd raakt van weinig steun, redt iemand met een meer afstandelijke stijl zich juist prima.

Vriendschappen daarentegen kunnen eronder lijden. Vermijdend gehechte volwassenen nemen minder initiatief om contact te onderhouden, terwijl angstig gehechte volwassenen bang zijn om buitengesloten te raken. Beide stijlen kunnen zo sociale isolatie versterken.

En dan nog iets verrassends: gameverslaving. Een Iers-Chinese studie vond dat volwassenen met autisme vaker symptomen van gameverslaving vertoonden dan de controlegroep. De link? Problemen in hechting met leeftijdsgenoten. Wie zich buitengesloten voelt, zoekt soms zijn toevlucht tot online werelden, waar contact overzichtelijker en veiliger lijkt.

Kun je hechting leren? Hoopvolle inzichten

Een intrigerend experiment uit het Verenigd Koninkrijk liet zien dat volwassenen met autisme wél meer kunnen leren over positieve hechtingsgedragingen. Met iets simpels als een dvd-training over ouder-kind-interactie verbeterde hun kennis van hechting merkbaar. Dat klinkt misschien klein, maar het opent deuren voor interventies.

Het laat zien dat hechting geen vaststaand lot is. Ook al begin je met een minder veilige stijl, je kunt vaardigheden ontwikkelen. Denk aan therapieën die zich richten op mentalization (leren begrijpen wat de ander voelt) of op emotieregulatie. Voor partners of ouders kan het betekenen dat je samen oefent met signalen herkennen en er op een warme manier op reageren.

Sonfelianu A, González-Sala F, Lacomba-Trejo L. Exploring Attachment in Adults With Autism Spectrum Disorder: A Systematic Review. Actas Esp Psiquiatr. 2025 Aug;53(4):813-838. doi: 10.62641/aep.v53i4.1928. PMID: 40791041; PMCID: PMC12353242.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.