Stel je Gerda voor, 32 jaar, autistisch. Ze heeft al van alles geprobeerd: therapie, boeken, podcasts, fora. Toch blijft één vraag knagen: “Waaróm ben ik zo? Zit het in mijn genen? En wat betekent dat dan voor mijn familie?”
Veel mensen met autisme – en ouders van autistische kinderen – hopen op een duidelijk genetisch antwoord. Een genvariant lijkt lekker concreet: geen zweverig “het zal wel iets psychisch zijn”, maar een tastbare verklaring op DNA-niveau. Ook kan zo’n uitslag schuldgevoel verminderen: ouders denken dan eerder “het lag niet aan mijn opvoeding”.
Tegelijk schuilt er een gevaar in die verwachting. Een DNA-uitslag voelt al snel als dé verklaring, of zelfs als voorspelling voor de toekomst. Alsof je genen je hele verhaal zijn. Terwijl autisme veel complexer is: genen, omgeving, toeval, kansen, pech – alles loopt door elkaar.
SPARK
Een enorme studie uit de VS, SPARK geheten, keek precies naar die spannende vraag: wat gebeurt er als je het DNA van tienduizenden autistische mensen onderzoekt en de duidelijke genetische bevindingen ook echt aan hen terugkoppelt? Hoe vaak vind je dan iets? En wat heb je daar in het dagelijks leven aan? (PubMed)
In dit artikel duiken we in dat onderzoek. Met een kritische blik én oog voor wat dit betekent voor onze lezers in Nederland en België.
Hoe zag het onderzoek eruit?
SPARK is een megastudie naar autisme in de Verenigde Staten. Deelnemers melden zich online aan via SPARKforAutism.org, vullen vragenlijsten in en sturen speeksel op per post. Uit dat speeksel halen onderzoekers DNA. (sparkforautism.org)
Voor dit artikel gaat het om 21.532 mensen met autisme en 17.785 van hun ouders. De meeste deelnemers zijn minderjarig, maar er doen ook duizenden volwassenen mee.
De onderzoekers gebruikten twee belangrijke technieken:
- Microarray-genotypering – een soort “DNA-scan” die grote stukjes mist of extra chromosoommateriaal kan opsporen (copy number varianten, aneuploïdie).
- Exoomsequencing – een gedetailleerde lezing van alle eiwitcoderende stukjes van het DNA, waar veel ziekteveroorzakende varianten te vinden zijn.
Belangrijk: ze zochten niet naar alles wat misschien ooit relevant kan zijn, maar naar varianten met sterke bewijskracht. Alleen varianten die volgens internationale richtlijnen als pathogeen (“veroorzaakt waarschijnlijk een aandoening”) of waarschijnlijk pathogeen tellen, kwamen in aanmerking om terug te koppelen. Concreet keken ze naar:
- grote deleties of duplicaties in het DNA (copy number varianten),
- extra of ontbrekende chromosomen (chromosomale aneuploidieën),
- veranderingen in genen waarvan al sterk is aangetoond dat ze met autisme of verstandelijke beperking samenhangen.
Twijfelgevallen lieten ze liggen. Polygenetische risicoscores – van die brede “risicoprofiles” die over duizenden genen gaan – gaven ze nog niet terug.
Nog een opvallend detail: 99,3% van de deelnemers die speeksel opstuurden, vinkt “ja” aan bij de vraag of ze zulke genetische resultaten willen horen. De behoefte aan duidelijkheid is dus enorm.
Hoe vaak vinden onderzoekers echt een duidelijke genetische oorzaak?
De grote hamvraag: “Hoe vaak vinden ze nu iets concreets in het DNA?” In deze studie vonden de onderzoekers 1903 “teruggeefbare” DNA-varianten bij 1861 autistische deelnemers – dus bij ongeveer 8,6%, grofweg 1 op de 12 mensen.
De meeste van die varianten waren nieuw voor de deelnemers: bijna 90% wist nog niet dat ze zo’n genetische bevinding hadden. Autistische mensen krijgen dus vaak géén genetisch onderzoek in de reguliere zorg, zelfs niet als ze al jaren een diagnose hebben. Om wat voor varianten ging het?
- Soms om bekende syndromen met een naam en duidelijke risico’s.
- Soms om een zeldzame verandering in één gen die bij een handjevol mensen is gezien.
- Soms om grote stukjes DNA die ontbreken of juist dubbel aanwezig zijn.(PubMed)
Daarbovenop bleek de genetische “speeltuin” enorm divers: SPARK vond meer dan 400 verschillende genen of chromosomale regio’s waarin zulke varianten zaten, en meer dan 40% van die varianten kwam maar bij één persoon voor.
Met andere woorden: er bestaat niet zoiets als het autismegen. Eerder een soort genetische sterrenhemel vol kleine lichtpuntjes – bij iedereen net weer anders.
Bij wie is de kans op een genetische uitslag groter?
De onderzoekers keken ook: “Kunnen we voorspellen bij wie de kans op een duidelijke DNA-variant groter is?” Het antwoord is: ja, deels.
Ze zagen dat autistische mensen met bepaalde extra kenmerken twee tot vijf keer zo vaak een duidelijke genetische variant hadden als mensen zonder die kenmerken. Het ging bijvoorbeeld om:
- Cognitieve vertraging of verstandelijke beperking
- Motorische problemen of ontwikkelingsachterstand (later lopen, onhandige motoriek)
- Heel kleine of juist grote hoofdomtrek
- Epilepsie of andere aanvallen
- Aangeboren lichamelijke afwijkingen
- Scheelzien (strabisme)
- Groei- of gewichtsproblemen (moeilijk aankomen, erg klein van stuk)
- Langer dan gebruikelijk niet zindelijk zijn
Hoe meer van dit soort signalen iemand had, hoe groter de kans op een duidelijke DNA-variant. Volgens de SPARK-samenvatting had bijna een derde van de deelnemers met drie of meer van deze kenmerken zo’n genetische vondst.
Een voorbeeld.
Sam (8) heeft autisme, een flinke verstandelijke beperking, epilepsie en een opvallend grote hoofdomtrek. Zijn ouders lopen al jaren ziekenhuis in, ziekenhuis uit. In zo’n profiel is de kans op een duidelijke genetische uitslag flink verhoogd. Zo’n uitslag kan helpt bij het plannen van controles (bijvoorbeeld voor hart of nieren), bij het inschatten van risico’s voor broertjes en zusjes, en soms bij toegang tot gespecialiseerde zorg.
Vergelijk dat met:
Ingrid (27) is autistisch, hoogbegaafd en lichamelijk verder gezond. Geen epilepsie, geen opvallende groei, geen aangeboren afwijkingen. De kans dat een genetische test bij Robin een duidelijke “dit verklaart je autisme”-variant oplevert, is in dit soort onderzoek veel kleiner – al is die nooit nul.
SPARK laat ook iets zien wat je óók in andere studies terugziet: autistische vrouwen hadden vaker zo’n duidelijke genetische variant dan autistische mannen (ongeveer 12% vs. 8% in deze studie). Dat past bij het idee van een zogenaamde “female protective effect”: vrouwen lijken gemiddeld een grotere genetische “duw” nodig te hebben voordat ze autisme ontwikkelen.
Maar: zelfs in de groep zonder extra kenmerken vond nog steeds een kleine minderheid een duidelijke variant. Er blijft dus een loterij-element: geen extra medische problemen betekent niet automatisch “geen genetische oorzaak”.
Witte, welvarende deelnemers
Een belangrijk kritisch punt uit de studie: wie doet er mee? In SPARK identificeerde ongeveer 78% van de deelnemers zich als uitsluitend wit. Andere etnische groepen zijn dus duidelijk ondervertegenwoordigd. Ook hebben SPARK-deelnemers gemiddeld een relatief gunstige sociaaleconomische positie: gezinnen met tijd, energie, internet en vertrouwen in onderzoek zijn oververtegenwoordigd. Dat zie je in meer grote genetische studies.
Dat heeft twee gevolgen:
- Minder kennis over varianten in andere bevolkingsgroepen. Genetische databanken zitten vol DNA van mensen met vooral Europese achtergrond. Daardoor herkennen labs varianten bij witte deelnemers eerder als “dat hebben we vaker gezien en dat hoort bij deze aandoening”, terwijl eenzelfde variant bij iemand met een andere achtergrond eerder het label “onzeker” krijgt.
- Blinde vlekken in wie überhaupt in beeld komt. Ook in Nederland en België weten we dat autisme bij mensen met een migratieachtergrond vaak later of helemaal niet wordt herkend. Als je diagnose later komt, kom je ook later – of helemaal niet – in aanmerking voor genetisch onderzoek of deelname aan studies.
Voor de interpretatie van SPARK betekent dit: de cijfers geven vooral een beeld van een bepaalde groep autistische mensen. Je kunt ze niet één-op-één plakken op iedereen met autisme, zeker niet wereldwijd.
Wat gebeurt er als je zo’n genetische uitslag krijgt?
In SPARK ziet de route er ongeveer zo uit:
- Onderzoekers vinden in de onderzoeksdata een verdachte variant.
- Een onafhankelijk, geaccrediteerd klinisch laboratorium controleert de variant opnieuw in opgeslagen DNA.
- Als de variant inderdaad voldoet aan de strenge criteria, krijgt de deelnemer een bericht: “Er is een uitslag die we met je willen bespreken.”
- Daarna volgt een gesprek met een klinisch geneticus of genetisch consulent, vaak via telefoon of video.
Klinkt simpel, maar in de praktijk haakt een flink deel onderweg af. Mensen verhuizen, mailadressen veranderen, formulieren verdwijnen in overvolle inboxen, of iemand krijgt koudwatervrees: “Wil ik dit eigenlijk wel weten?”
Een deel van de mensen die wél de uitslag ontvangt, beschrijft die als heel betekenisvol. De SPARK-website citeert bijvoorbeeld een ouder die na twee jaar wachten eindelijk een genetische verklaring voor de autisme van haar zoon krijgt: “We waren verrast en opgelucht, want nu wisten we wat onze volgende stappen konden zijn.”
Veel mensen benoemen:
- Erkenning – het ligt niet aan mijn karakter, opvoeding of motivatie.
- Minder schuldgevoel bij ouders (“het komt niet doordat ik iets fout heb gedaan in de zwangerschap”).
- Rust in de familie – je kunt familieleden informeren over eventuele risico’s.
Maar anderen ervaren ook teleurstelling: de uitslag verandert hun dagelijkse leven nauwelijks. Geen nieuwe behandeling, geen “genezing”. Hooguit extra controles of een doorverwijzing naar een gespecialiseerd team.
Wat heb je er in de praktijk aan?
Wat kun je praktisch met een genetische diagnose bij autisme? Uit deze en andere studies komen grofweg vier soorten opbrengst naar voren: (Frontiers)
- Medische opvolging: Sommige varianten gaan niet alleen samen met autisme, maar ook met andere risico’s, bijvoorbeeld op hartproblemen, nierafwijkingen, tumoren of epilepsie. In die gevallen kan een genetische diagnose betekenen dat artsen gerichter onderzoeken of vaker controleren.
- Toekomst en familieplanning: Een genetisch rapport kan iets zeggen over kans op herhaling bij broertjes, zusjes of toekomstige kinderen. Niet in de zin van “100% zeker”, maar wél in termen van verhoogd of verlaagd risico. Voor sommige families is dat belangrijke informatie.
- Toegang tot informatie en lotgenoten: Veel zeldzame syndromen hebben ondertussen een eigen patiëntenvereniging, Facebookgroep of expertisecentrum. Dat kan helpen om ervaringen uit te wisselen, praktische tips te krijgen en minder alleen te staan. (PubMed)
- Identiteit en zelfbeeld: Voor sommige autistische volwassenen voelt een genetische diagnose als een extra laagje identiteit: “Ik heb autisme én dit specifieke syndroom.” Voor anderen is het juist genoeg om te weten: “Ik ben autistisch, punt.” Geen extra label nodig.
Wat een genetische uitslag níet doet:
- autisme wegnemen;
- voorkómen dat je nog psychische problemen krijgt;
- precies voorspellen hoe je functioneren over tien jaar is.
Het blijft één puzzelstukje in een veel groter geheel.
Kritische kanttekeningen
SPARK is indrukwekkend qua omvang, maar beslist niet heilig. Een paar belangrijke beperkingen:
- Veel deelnemers zijn kinderen. Ongeveer 83% van de mensen met autisme in dit onderzoek was minderjarig bij aanmelding. De resultaten zeggen dus relatief meer over kinderen dan over oudere volwassenen die pas laat hun diagnose kregen.
- Alle deelnemers komen uit de VS. Zorgsystemen, toegang tot diagnostiek, verzekeringen – dat werkt anders dan in Nederland of België. Je kunt de cijfers dus niet zonder meer overnemen.
- Alleen sterke genetische effecten tellen mee. De meeste genetische risico’s voor autisme bestaan waarschijnlijk uit heel veel kleine varianten bij elkaar. Die zie je pas in zogeheten polygenetische risicoscores – en die gaven de onderzoekers (bewust) níet terug aan deelnemers, omdat de betekenis daarvan nog te vaag is. (orbi.uliege.be)
- Geen uitslag ≠ geen genetische invloed. Als er in je DNA niets “teruggeefbaars” wordt gevonden, betekent dat niet dat je autisme níet genetisch is. Het betekent alleen dat de huidige technieken en kennis geen duidelijke variant vinden die aan de strenge criteria voldoet.
- Ondervertegenwoordigde groepen lopen extra risico op “geen idee”. Als je DNA-profiel niet lijkt op dat van de mensen die in de grote referentiedatabanken zitten, raakt een variant sneller het label “onzeker”. Dat kan ongelijkheid in de zorg versterken. (Frontiers)
Kortom: dit onderzoek laat zien wat we op dit moment wél kunnen met genetica bij autisme – maar ook hoe groot het stuk onbekend terrein nog is.
Wat betekent dit voor autistische mensen en hun naasten in Nederland en België?
En dan de vraag die voor Autsider-lezers waarschijnlijk het belangrijkst is: “Wat heb ik er aan?”
Genetisch onderzoek is vooral zinvol bij autisme plus extra kenmerken. Nederlandse richtlijnen adviseren etiologisch (oorzakelijk) onderzoek – waaronder genetica – vooral bij kinderen met autisme én een verstandelijke beperking of andere opvallende lichamelijke kenmerken.(Richtlijnendatabase) Ook sommige klinieken verwijzen juist bij combinaties zoals: autisme + IQ <80 + aangeboren afwijkingen of epilepsie. (umcg.nl)
Bij “alleen” autisme is de kans op een duidelijke DNA-oorzaak kleiner, maar niet nul. Zeker bij volwassenen die verder gezond zijn en redelijk functioneren, is de kans op een “bam, dit gen verklaart het”-uitslag beperkt. De meeste volwassenen met autisme krijgen in de praktijk geen genetische test, óók niet als dat volgens internationale reviews wel degelijk te overwegen is. (Frontiers)
Genetica ondersteunt de diagnose, vervangt haar niet. De diagnose autisme stel je nog steeds op basis van gedrag, ontwikkeling en gesprekken – niet op basis van een DNA-uitslag. Dat benadrukken ook Nederlandse expertgroepen: DNA-onderzoek kan de diagnose ondersteunen, maar is geen vervanging. (autisme.nl)
Toegang is ongelijk verdeeld. Net als in de VS is ook hier de kans op tijdige diagnose en doorverwijzing kleiner voor mensen met een migratieachtergrond, taalbarrières of minder vertrouwen in zorg en onderzoek. (autisme.nl) SPARK laat zien hoe snel zulke scheve verhoudingen doorsijpelen in genetisch onderzoek – en dus ook in wie wél of geen genetische verklaring krijgt.
Wat kun je hier persoonlijk mee?
Misschien lees je dit als autistische volwassene, ouder, partner of hulpverlener en vraag je je af: “Moet ik nu genetisch onderzoek gaan vragen?” Er is geen one-size-fits-all antwoord, maar je kunt jezelf wel een paar vragen stellen:
- Heb ik – of heeft mijn kind – naast autisme ook verstandelijke beperking, epilepsie, duidelijke lichamelijke afwijkingen of opvallende groei/hoofdomtrek?
→ Dan is de kans groter dat genetisch onderzoek iets concreets oplevert. Het kan de moeite zijn om via de huisarts of specialist een verwijzing naar de klinisch geneticus te bespreken. - Zoek ik vooral erkenning en een gevoel van verklaring, of hoop ik op een nieuwe behandeling?
→ Erkenning en duidelijkheid zijn reële opbrengsten; een revolutionaire behandeling helaas zelden. - Hoe ga ik om met onzekerheid?
→ Je kunt een uitslag krijgen die weinig concreet is (“variant met onbekende betekenis”), of helemaal géén uitslag. Dat kan frustrerend zijn. - Speelt familieplanning een rol?
→ Dan kan een genetisch gesprek zinvol zijn, zelfs als er (nog) geen duidelijke variant gevonden is. Soms kun je dan toch iets zeggen over relatieve risico’s.
Als je dit alles leest en denkt: “Nee, ik heb genoeg aan mijn autisme-diagnose, ik hoef geen extra label op mijn genen,” dan is dat net zo valide.
Genetica kan belangrijke puzzelstukjes opleveren, maar het vervangt nooit jouw eigen verhaal, je copingstrategieën, je omgeving, en de manier waarop je je leven inricht. Of, zoals een van de SPARK-onderzoekers het zei: DNA kan je helpen jezelf beter te begrijpen, maar het vertelt nooit het hele verhaal. (sparkforautism.org)
- Wright JR, Astrovskaya I, Barns SD, Goler A, Zhou X, Shu C, Snyder LG, Han B; SPARK Consortium; Shen Y, Volfovsky N, Hall JB, Feliciano P, Chung WK. Return of genetic research results in 21,532 individuals with autism. Genet Med. 2024 Oct;26(10):101202. doi: 10.1016/j.gim.2024.101202. Epub 2024 Jun 29. PMID: 38958063. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/38958063/
- SPARK for Autism (2024, 3 oktober). SPARK Research Summary Report: What Has Genetic Testing of Autistic People Revealed? (sparkforautism.org)
- Savatt, J. M., & Myers, S. M. (2021). Genetic Testing in Neurodevelopmental Disorders. Frontiers in Pediatrics, 9, 526779. (Frontiers)
- Richtlijnendatabase (2025). Autismespectrumstoornis bij kinderen en jongeren – autismediagnostiek bij kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking. (Richtlijnendatabase)
- UMCG Verwijsinformatie Klinische Genetica – indicaties bij autisme, ontwikkelingsachterstand en dysmorfieën. (umcg.nl)
- Savett et al. & Nederlandse leidraad genetisch testen in de psychiatrie (Tijdschrift voor Psychiatrie). (tijdschriftvoorpsychiatrie.nl)
- Autisme.nl (NVA). DNA-onderzoek kan de diagnose ondersteunen + pagina’s over autisme bij mensen met een migratieachtergrond. (autisme.nl)



