Soms duikt er in de autismewetenschap een theorie op die meteen groots uitpakt. Niet een klein stukje van de puzzel, maar meteen de hele doos met 5.000 stukjes. Dat is precies wat de zogeheten 3-hits-theorie doet. Volgens dit model ontstaat autisme niet door alleen genen en ook niet door alleen omgevingsinvloeden, maar door een opeenstapeling van kwetsbaarheid, vroege stresssignalen en herstel dat te lang uitblijft.
Dat klinkt ambitieus. En misschien ligt de lat hier wel iets té hoog. Want autisme is juist berucht ingewikkeld. Het spectrum is breed, de criteria zijn ruim, de oorzaken lijken veelzijdig en dé verklaring bestaat vooralsnog niet. Toch is het begrijpelijk dat zo’n model aandacht trekt. Veel losse onderzoeksdraden komen er namelijk in samen: mitochondriën, afweerreacties, stofwisseling, prikkelverwerking, immuunsysteem, darm-breinverbindingen en vroege ontwikkeling.
In een recente samenvatting van zijn eerdere model probeert onderzoeker Robert Naviaux al die stukjes zo neer te leggen dat de puzzel compleet is. De grote vraag is dan natuurlijk: is dit eindelijk een doorbraak, of vooral een slimme manier om veel losse ideeën onder één paraplu te zetten?
Waarom deze theorie aandacht trekt
De aantrekkingskracht van dit model zit in iets waar veel autismeonderzoek op vastloopt: losse bevindingen genoeg, maar hoe passen ze samen? De ene studie wijst naar genen. De andere naar zwangerschap, infecties, luchtvervuiling of immuunactivatie. Weer andere studies vinden verschillen in stofwisseling, darmflora, energiehuishouding of ontstekingssignalen.
Dat levert een rommelig beeld op. Alsof er vijftig mogelijke verklaringen zijn, die elkaar eerder verdringen dan aanvullen.
De 3-hits-theorie zegt eigenlijk: misschien zijn dat geen concurrerende verhalen, maar verschillende hoofdstukken van hetzelfde verhaal. Niet elke oorzaak veroorzaakt autisme rechtstreeks, maar veel factoren zouden via één gedeelde route invloed kunnen hebben: een biologische alarmtoestand die tijdens een gevoelige fase van de ontwikkeling te lang aan blijft staan.

Dat idee is aantrekkelijk omdat het autisme niet neerzet als puur ‘defect DNA’ of als iets dat simpelweg door één externe factor wordt veroorzaakt. Het model probeert juist uit te leggen hoe aanleg en omgeving elkaar kunnen versterken.
Cell danger response
Centraal in deze theorie staat de cell danger response, vaak afgekort als CDR. In gewone taal: een soort noodprogramma van het lichaam.
Cellen zijn niet passief. Ze reageren voortdurend op signalen uit hun omgeving. Als er gevaar dreigt – bijvoorbeeld door infectie, schade, gifstoffen, ernstige stress of ontregeling van de stofwisseling – schakelen ze over naar een andere stand. Niet de stand van groei, leren en opbouwen, maar die van beschermen, overleven en repareren.
Dat is op zichzelf helemaal niet vreemd. Sterker nog: zonder zo’n alarmsysteem zouden we het als soort niet lang hebben volgehouden. Het probleem ontstaat pas als dat systeem niet netjes aan en uit gaat.
Je kunt het vergelijken met een brandalarm. Als er brand is, wil je dat het afgaat. Maar als het alarm ook gaat piepen als er niks aan de hand is, wordt het systeem zelf een probleem. Volgens deze theorie gebeurt bij een deel van de kinderen met autisme iets dat daarop lijkt. Het lichaam zou in een langdurige, vastgelopen verdedigingsstand terechtkomen, juist in een periode waarin hersenen en lichaam zich razendsnel ontwikkelen.
De eerste hit: Kwetsbaarheid die al klaarstaat
De eerste ‘hit’ in het model is een aangeboren of vroeg ontstane gevoeligheid. Het gaat dan om een combinatie van genetische en epigenetische factoren die cellen gevoeliger maakt voor ontregeling.
Denk aan varianten die te maken hebben met energieproductie, calciumhuishouding, afweerreacties of de manier waarop cellen op stress reageren. Volgens het model ligt daar geen vast lot in besloten. Het is meer een biologisch startpunt met een korter lontje.
Dat is een belangrijk verschil. De theorie zegt dus niet: deze genen veroorzaken autisme automatisch. Ze zouden eerder de kans vergroten dat een kind gevoeliger reageert op stress, belasting of verstoring tijdens de ontwikkeling.
Dat past goed bij iets wat we al langer weten: erfelijkheid speelt een grote rol bij autisme, maar erfelijkheid is geen absolute voorspeller. Niet iedereen met een verhoogde genetische kans ontwikkelt autisme, en niet iedereen met autisme heeft dezelfde genetische achtergrond.
De tweede hit: Een vroege verstoring van het systeem
De tweede hit is een vroege activatie van dat alarmprogramma. Volgens het model kan dat gebeuren door allerlei heel verschillende factoren: infecties, immuunontregeling, zwangerschapscomplicaties, stofwisselingsproblemen, luchtvervuiling, chemische blootstelling of zware psychosociale stress.
Belangrijk is hier het woord kan. Dit zijn geen eenvoudige oorzaken in de trant van: factor X veroorzaakt autisme. Daar is de wetenschap veel te voorzichtig voor, en terecht. Veel van deze factoren hangen samen met een iets hoger risico, maar dat is iets totaal anders dan een directe oorzaak.
Toch probeert de theorie iets zinnigs te zeggen over waarom zulke uiteenlopende factoren soms in hetzelfde gesprek opduiken. Niet omdat ze allemaal hetzelfde zijn, maar omdat ze volgens dit model wel dezelfde biologische alarmroute kunnen activeren.
Daarmee verschuift de aandacht van de vraag welke ene prikkel was de boosdoener? naar de vraag hoe reageerde het lichaam op belasting tijdens een gevoelige ontwikkelingsfase?
De derde hit: Als herstel uitblijft
Hier wordt het model echt interessant. Eén stressreactie is volgens Naviaux niet genoeg. Het gaat vooral om de duur en herhaling van de ontregeling.
Met andere woorden: de eerste verstoring is niet per se het probleem. Het probleem ontstaat als dat alarmsysteem maandenlang actief blijft, of steeds opnieuw wordt aangezet voordat het herstel is afgerond.
Volgens de theorie zit de kwetsbaarste periode grofweg tussen de late zwangerschap en de eerste twee à drie levensjaren. Dat is een fase waarin de hersenen enorme stappen zetten. Verbindingen worden aangelegd, bijgeschaafd, versterkt of juist afgebouwd. Dat kost veel energie en een precieze timing.
Als een groot deel van die energie steeds opnieuw naar verdediging en herstel gaat, zou dat de ontwikkeling mee kunnen sturen. Niet omdat het brein ‘kapot’ is, maar omdat het onder andere biologische prioriteiten werkt.
Dat idee is op zich plausibel. Het past ook bij een bredere gedachte in de geneeskunde: vroege ontwikkeling is gevoelig voor langdurige verstoring. Alleen is de stap van plausibel naar bewezen nog groot.
De drie hits in het kort
| Hit | Wat het betekent | Waarom het volgens dit model telt |
|---|---|---|
| Eerste hit | Aangeboren of vroege biologische gevoeligheid | Het systeem reageert sneller of sterker op belasting |
| Tweede hit | Vroege activatie van een cellulaire alarmreactie | Ontwikkeling wordt tijdelijk naar verdediging verschoven |
| Derde hit | Langdurige of herhaalde activatie | Herstel blijft uit en ontwikkeling raakt blijvend anders afgestemd |
Mitochondriën
Bij het woord mitochondriën haken veel lezers af. Jammer, want het zijn eigenlijk fascinerende kleine werkers. Ze zitten in vrijwel al onze cellen en helpen energie vrij te maken. Daarom worden ze vaak de energiefabriekjes van de cel genoemd.
Maar in deze theorie doen mitochondriën meer dan alleen stroom leveren. Ze fungeren ook als een soort schakelpunt tussen stress, afweer, herstel en ontwikkeling. Als er gevaar dreigt, veranderen mitochondriën mee. Ze sturen signalen, passen hun activiteit aan en helpen bepalen of een cel in groeistand blijft of overschakelt naar verdediging.
Volgens Naviaux is dat doorslaggevend voor autisme. Niet omdat mitochondriën bij autisme per definitie stuk zijn, maar omdat ze mogelijk te vaak of te lang in een verdedigingsmodus blijven hangen.
Dat is een subtiel maar belangrijk verschil. De theorie zegt dus niet simpelweg: autisme is een mitochondriale ziekte. Ze zegt eerder: verschillen in energiehuishouding en stofwisseling kunnen een belangrijk deel van het verhaal zijn, zeker tijdens de vroege ontwikkeling.
Voor lezers die zelf autisme hebben, is dat misschien herkenbaar op een heel praktisch niveau. Veel mensen beschrijven al jaren dat overprikkeling niet alleen ‘mentaal’ voelt, maar ook lichamelijk: alsof het systeem ineens leegloopt, blokkeert of in een soort interne noodstand schiet. Dat bewijst deze theorie niet, maar het maakt wel begrijpelijk waarom zulke ervaringen biologisch serieus genomen worden.
ATP, overgevoelige alarmbellen en een brein dat anders afstemt
Een opvallende hoofdrolspeler in dit model is ATP. Dat is een molecuul dat cellen gebruiken als energiedrager. Maar ATP is volgens de theorie ook een alarmsignaal. Als cellen onder druk staan, kan ATP buiten de cel terechtkomen en daar andere cellen waarschuwen: opletten, er is iets aan de hand.

In een gezond systeem wordt zo’n signaal weer afgebouwd als het gevaar voorbij is. Maar in dit model ontstaat er na herhaalde activatie een soort overgevoeligheid. Dan zouden steeds kleinere prikkels al genoeg zijn om het alarm opnieuw te laten afgaan.
Daarmee probeert de theorie iets te verklaren wat voor veel mensen met autisme heel herkenbaar is: waarom gewone prikkels soms helemaal niet gewoon voelen. Waarom een geur, geluid, drukte, temperatuurwisseling of onverwachte verandering kan binnenkomen alsof het systeem denkt dat er iets ernstigs gebeurt.
Dat betekent niet dat alle prikkelgevoeligheid hiermee verklaard is. Zeker niet. Zintuiglijke verschillen bij autisme zijn complex en waarschijnlijk niet tot één route te reduceren. Maar als deelverklaring is dit idee interessant: niet alleen de buitenwereld is intens, ook het interne alarmsysteem kan anders zijn afgesteld.
Van darmen tot slaap en epilepsie: Waarom autisme zo vaak samenloopt met andere klachten
Een sterke kant van de 3-hits-theorie is dat ze niet alleen naar gedrag kijkt. Het model probeert ook te verklaren waarom autisme geregeld samengaat met andere problemen, zoals slaapstoornissen, darmklachten, ADHD, epilepsie, stemmingsproblemen of immuunontregeling.
Dat is belangrijk, want autisme staat in het echte leven zelden op zichzelf. Veel mensen herkennen juist de combinatie: overprikkeling én buikklachten, sociale vermoeidheid én slaapproblemen, concentratieproblemen én lichamelijke uitputting.
Als het lichaam langdurig energie moet verdelen tussen verdediging, herstel en ontwikkeling, dan is het logisch dat dat niet alleen de hersenen raakt. Dan krijg je eerder een heel lichaam dat anders reageert.
Dat maakt de theorie menselijker dan modellen die autisme uitsluitend als een kwestie van sociaal gedrag beschrijven. Tegelijk zit hier ook een risico. Als je één model gebruikt om heel veel uiteenlopende klachten te verklaren, kan het té rekbaar worden. Dan dreigt het gevaar van een theorie die altijd wel ergens lijkt te passen, maar daardoor moeilijk scherp te testen is.
PKU als spannend voorbeeld – maar geen bewijs voor alles
Een van de meest intrigerende onderdelen van het artikel is de vergelijking met fenylketonurie, meestal afgekort als PKU. Dat is een zeldzame erfelijke stofwisselingsziekte waarbij het lichaam een bepaald aminozuur niet goed kan afbreken. Zonder vroege behandeling kan dat ernstige schade geven aan de ontwikkeling.
Waarom haalt Naviaux dit voorbeeld erbij? Omdat PKU laat zien dat een genetische kwetsbaarheid niet automatisch tot problemen hoeft te leiden. Als je er op tijd bij bent en de stofwisseling bijstuurt, kun je veel ellende voorkomen.
Dat is een krachtige gedachte. Het laat zien dat vroege biologische ontregeling bij een ontwikkelingsstoornis soms wél beïnvloedbaar is.
Maar hier is ook voorzichtigheid nodig. PKU is een relatief duidelijk afgebakende aandoening met een bekende oorzaak en een vrij concrete behandeling. Autisme is veel breder, veel heterogener en meestal niet monogenetisch. De vergelijking is dus inspirerend, maar geen bewijs dat autisme op dezelfde manier vroeg opgespoord of voorkomen kan worden.
Anders gezegd: PKU laat zien dát vroege metabole interventie soms werkt. Het laat nog niet zien dat dit ook voor autisme als geheel geldt.
Kun je autisme ooit eerder herkennen of milder maken?
De theorie kijkt nadrukkelijk vooruit. Naviaux bespreekt onderzoek naar biomarkers: meetbare signalen in bloed, stofwisseling, immuunsysteem, microbioom of andere biologische systemen die mogelijk iets zouden kunnen zeggen over toekomstig risico.
Dat klinkt futuristisch, en eerlijk gezegd ook een beetje spannend. Want zodra je autisme heel vroeg wilt voorspellen, kom je op gevoelig terrein. Niet alleen wetenschappelijk, maar ook ethisch.
Wetenschappelijk is het probleem duidelijk: een interessant biomarkerpatroon is nog geen betrouwbare test. Daarvoor moeten gevoeligheid, specificiteit, reproduceerbaarheid en praktische bruikbaarheid eerst overtuigend worden aangetoond. En juist dat is op dit moment nog lang niet rond.
Ethisch ligt het nog ingewikkelder. Vroege signalering kan helpen als het leidt tot steun, minder overbelasting en betere zorg. Maar het kan problematisch worden als het vooral draait om controle, selectie of de suggestie dat autisme simpelweg voorkomen zou moeten worden.
Een model dat autisme biologisch probeert te verklaren, hoeft niet automatisch anti-neurodiversiteit te zijn. Maar het hangt er wél vanaf wat men ermee wil doen. Ondersteunen is iets anders dan corrigeren. Begrijpen is iets anders dan wegpoetsen.
Hoe stevig staat deze theorie eigenlijk?
Dit is geen pseudowetenschap. Het model sluit aan op bestaand onderzoek naar mitochondriën, purinerge signalering, immuunactivatie, metabole verschillen en vroege ontwikkeling. Het is serieus te nemen. Maar serieus nemen is nog niet hetzelfde als aannemen. Laat staan bewezen.
De grootste zwakte is dat dit voorlopig vooral een overkoepelend verklaringsmodel is. Het brengt veel bevindingen samen, maar dat maakt het nog niet automatisch waar. Een theorie kan elegant zijn en toch niet, of maar voor een deel, kloppen. Ook kan ze sommige subgroepen goed beschrijven (of verklaren) en andere niet of nauwelijks. In dat geval is de hele puzzel nog steeds niet gelegd.
Daarnaast blijft veel bewijs indirect. Veel verbanden zijn gebaseerd op risicoverhogingen, dieronderzoek, biologische plausibiliteit of kleine studies. Dat is waardevol, maar nog niet genoeg om te zeggen: dit is hoe autisme ontstaat.
Ook belangrijk: autisme is waarschijnlijk niet één ding. Het is dus heel goed mogelijk dat deze theorie voor een deel van het spectrum relevanter is dan voor een ander deel. Misschien verklaart ze vooral bepaalde vormen van autisme mét bijkomende lichamelijke of metabole problemen. Misschien ook niet. Dat moet nog veel scherper worden onderzocht.
De conclusie moet daarom zijn: dit model is interessant omdat het vragen beter ordent dan veel eerdere theorieën. Maar het is nog geen eindstation.
Wat betekent dit voor ouders, volwassenen met autisme en hulpverleners?
Misschien vooral dit: autisme hoeft niet alleen bekeken te worden als een verzameling gedragskenmerken. Het kan zinvol zijn om ook te kijken naar energie, slaap, darmgezondheid, lichamelijke stress, herstelvermogen, ontstekingsgevoeligheid en overbelasting.
Dat is geen pleidooi voor wondersupplementen of dure testpakketten uit de alternatieve hoek. Integendeel. Juist omdat dit terrein biologisch spannend klinkt, trekt het snel mensen aan die kansen zien om veel geld te verdienen. De wetenschap is daar nog niet.
Wel kan deze denkrichting helpen om serieuzer te kijken naar het lichaam achter het gedrag. Een kind dat vaak vastloopt, overprikkeld raakt of ineens terugvalt, heeft misschien niet alleen ‘moeilijk gedrag’, maar ook een systeem dat te vaak op alarm staat. En een volwassene met autisme die steeds uitgeput raakt van prikkels, wisselingen of sociale belasting, is niet per definitie zwak of ongemotiveerd. Het kan ook gewoon een duur draaiend biologisch systeem zijn.
Dat is misschien wel de grootste winst van dit soort modellen. Niet dat ze alles verklaren, maar dat ze een minder simplistisch beeld geven. Minder: waarom doet iemand zo lastig? En meer: wat kost het systeem van deze persoon blijkbaar veel energie?
Dat is geen kleine verschuiving. Het is precies het soort verschuiving waar zowel wetenschap als praktijk beter van kunnen worden.
Tot slot
De 3-hits-theorie van Naviaux is gedurfd, breed en op sommige punten verrassend elegant. Ze verbindt genetische gevoeligheid, vroege stressreacties, mitochondriën, prikkelverwerking en lichamelijke co-occurring klachten tot één biologisch verhaal.
Dat verhaal is nog niet bewezen. Er zitten aannames in, open vragen en duidelijke risico’s op oversimplificatie. Maar het model doet wel iets waardevols: het laat zien dat autisme misschien niet alleen begrepen moet worden vanuit hersenen of gedrag, maar ook vanuit timing, energie en herstel.
En misschien is dat uiteindelijk de meest interessante gedachte. Niet dat autisme één oorzaak heeft, maar dat veel verschillende routes tijdens een kwetsbare ontwikkelingsfase kunnen uitkomen op een systeem dat te lang op scherp blijft staan. Dat is nog geen eindantwoord. Maar wel een vraag die de moeite waard is om verder te onderzoeken.
Naviaux, R. K. (2026). The 3-hit metabolic signaling model for autism spectrum disorder: A summary. Autism Research. https://doi.org/10.1002/aur.70228
Naviaux, R. K. (2025). A 3-hit metabolic signaling model for the core symptoms of autism spectrum disorder. Mitochondrion, 87, 102096. https://doi.org/10.1016/j.mito.2025.102096



