Waar blijven onze vroegste herinneringen?

Bijna iedereen kent het fenomeen: je hebt foto’s van jezelf als peuter, je ouders kunnen het verhaal van die vakantie in Frankrijk tot op de minuut navertellen, maar jij… niets. Hooguit een vage flits. Een trapleuning. Een geel emmertje. Een geur van zonnebrand. En dan: zwart.

Infantiele amnesie

Dat “zwarte gat” heeft een naam: infantiele amnesie. Klinkt dramatisch, maar het is in feite de standaardinstelling van het menselijk geheugen. We leren in onze eerste levensjaren razendsnel, we bouwen vaardigheden op, we herkennen gezichten, we snappen routines en toch verdwijnen de meeste persoonlijke herinneringen uit die periode alsof iemand de schijf heeft geformatteerd.

Maar wat als dat “vergeten” geen wissen is? Wat als die herinneringen ergens blijven rondhangen, alleen achter een deur waar je de sleutel niet van hebt?

Een onderzoekslijn rond geheugen in muizen suggereert precies dat. En nog opvallender: in een veelgebruikt muismodel dat vaak wordt ingezet bij autisme-onderzoek blijkt dat vroege herinneringen minder snel “weg” raken. Dat brengt een intrigerende gedachte op het toneel: heeft het brein soms ook een rempedaal voor vergeten, en werkt dat rempedaal bij sommige ontwikkelingsroutes anders?

Vergeten is niet altijd wissen

Als mensen “vergeten” horen, denken ze aan een verwijderd bestand. Weg is weg. Klaar. Het brein werkt echter vaker als een bibliotheek met een eigenzinnige archivaris. Het boek bestaat nog, maar het ligt in een andere kast. Of de catalogus is veranderd. Of de toegangspas werkt niet meer. Je hebt het gevoel dat het weg is, maar het probleem kan ook zitten in het terugvinden.

Bij infantiele amnesie lijkt dat laatste een belangrijke rol te spelen. Vroege herinneringen kunnen worden opgeslagen in het brein, maar later worden ze lastiger bereikbaar. Niet omdat ze volledig verdwenen zijn, maar omdat het brein in de tussentijd flink verbouwt. Netwerken groeien, verbindingen worden gesnoeid, er komt nieuwe “bedrading” bij en oude routes raken overwoekerd.

Dat klinkt abstract, maar je kunt het vergelijken met een stad die elke maand wordt omgelegd. Jij weet nog waar dat ene straatje was, maar de rotonde is verplaatst, het kruispunt heet anders en jouw oude route leidt je nu naar een bouwplaats.

Het geheugen maakt geen foto’s maar routes

Een hardnekkig misverstand: we denken dat herinneringen foto’s zijn die je in een album stopt. In werkelijkheid zijn het eerder routes in een netwerk. Een herinnering bestaat uit een patroon van geactiveerde hersencellen dat samen “dit gebeurde er” representeert.

Onderzoekers gebruiken voor dat geheugenpatroon vaak het woord engram: het fysieke spoor van een herinnering in het brein. Dat engram is geen enkel puntje. Het is een groep cellen die samen, als team, een ervaring vastleggen.

Als infantiele amnesie vooral een probleem van toegang is, kun je dan zo’n vroege route opnieuw “openen”? In muizen kan dat, met technieken die bij mensen niet zomaar kunnen. Maar precies die muizenexperimenten geven wel een inkijkje in het principe.

Wat de onderzoekers precies deden

Wetenschappers werkten met muizen van verschillende leeftijden. Een deel was nog heel jong en een deel was volwassen. De muizen leerden iets simpels maar effectief: een specifieke omgeving werd gekoppeld aan een onaangename ervaring (een milde voetshock). Als een muis zich die koppeling herinnert, zie je vaak een duidelijke reactie: stil bevriezen.

  • Volwassen muizen lieten later nog steeds zien dat ze het verband onthielden.
  • Jonge muizen konden het de dag erna ook prima, maar na ongeveer een week leek het alsof de herinnering weg was.

Dat lijkt op infantiele amnesie: snel leren, daarna snel “vergeten”. Daar bleef het echter niet bij. De onderzoekers bekeken ook andere soorten geheugentaken, zoals objectherkenning en navigatie-achtige opdrachten. Het patroon bleef in grote lijnen vergelijkbaar: jonge muizen raken vroege herinneringen relatief snel kwijt, volwassen muizen niet.

Tot zover niets nieuws. De verrassing kwam pas toen de onderzoekers zich richtten op een muismodel waarbij de moeder tijdens de zwangerschap een sterke immuunprikkel krijgt.

De verrassende uitkomst

In dit model krijgen zwangere muizen een stof toegediend die het immuunsysteem activeert alsof er een virusinfectie speelt. Onderzoekers noemen dit vaak maternal immune activation (MIA): immuunactivatie bij de moeder. Dit model levert bij een deel van de nakomelingen gedrag op dat onderzoekers associëren met kenmerken die vaak bij autisme passen, zoals veranderde sociale voorkeur en meer repetitief gedrag.

En nu de klap op de vuurpijl: mannelijke nakomelingen in dit model bleken vroege herinneringen veel beter vast te houden. Waar jonge “controle”-muizen na een week deden alsof ze het verband niet meer kenden, bleven de MIA-muizen reageren alsof de herinnering nog gewoon beschikbaar was. Met andere woorden: bij deze ontwikkelingsroute leek het brein minder hard op “vergeetstand” te schakelen.

Dat is een opvallend signaal, omdat infantiele amnesie zo’n universeel fenomeen is. Als je die standaardinstelling kunt beïnvloeden, dan moet er een soort schakelaar bestaan. En die schakelaar lijkt gevoelig voor wat er tijdens de zwangerschap in het lichaam gebeurt.

De kern is simpel: één specifieke immuunsignaalroute lijkt een ontwikkelingsknop te kunnen aanraken die bepaalt of het brein later vroeg geheugen makkelijk loslaat of juist vasthoudt.

En minstens zo belangrijk: timing telde. Als de immuunprikkel pas na de geboorte werd gegeven, zag men dit effect op vroege herinneringen niet. Het venster tijdens de zwangerschap leek dus cruciaal.

Waarom vooral mannetjesmuizen?

Het effect was duidelijk bij mannelijke nakomelingen en veel minder bij vrouwelijke. Dat past bij iets wat je vaker ziet in dit soort modellen: sekseverschillen in gevoeligheid voor bepaalde ontwikkelingsinvloeden.

Maar let op: dat betekent niet dat “autisme een mannenbrein” is of dat je dit één-op-één naar mensen kunt vertalen. Het betekent vooral dat het biologische systeem verschillende routes kent, afhankelijk van sekse, hormonen en ontwikkelingsmomenten.

In de praktijk zegt dit: als je wilt begrijpen hoe geheugen en autisme elkaar raken, dan moet je rekening houden met meer dan één “standaardmens”. Verschillende lichamen kunnen op dezelfde prikkel anders reageren.

Meer ‘geheugencellen’ en andere bedrading

Wetenschappers keken ook in het brein zelf, met speciale labelingtechnieken om te zien welke cellen meededen aan het opslaan van een herinnering.

De fysieke “afdruk” van een vroege herinnering zag er anders uit bij muizen die tijdens de zwangerschap via het immuunsysteem een andere ontwikkelingsroute kregen. Dat maakt het aannemelijk dat het hier om echte verschillen gaat in hoe herinneringen in het brein worden vastgelegd en later weer worden aangesproken.

Het brein onthoudt misschien te veel

We denken vaak dat beter geheugen altijd winst is. Maar dat is te simpel. Vergeten is ook een functie. Opgeruimd staat netjes. Het helpt je om niet overspoeld te raken door oude details. Het maakt ruimte voor generaliseren: je hoeft niet elke keer opnieuw te analyseren hoe een deurklink werkt. Je hebt een “deur”-concept en klaar.

Als het brein te weinig vergeet, kan dat ook een prijs hebben. Je kunt dan blijven hangen in details, in oude associaties, in triggers. Je kunt sneller interferentie krijgen: nieuwe informatie botst met oude sporen die te aanwezig blijven.

Een onderzoeker die het werk becommentarieerde vatte het beeld samen als “te veel geheugen”. Dat klinkt bijna grappig, maar het is een serieus idee: sommige moeilijkheden die later als leer- of geheugenvraagstuk naar voren komen, kunnen paradoxaal genoeg ontstaan doordat het systeem te veel vasthoudt en te weinig opruimt.

Bij autisme herkennen we een brein dat details opslaat alsof alles belangrijk is. Dat is soms een talent (je ziet patronen die anderen missen) en soms een last. Recent muizenonderzoek zet dat gevoel om in een biologisch “zou kunnen”: misschien bestaan er ontwikkelingsroutes waarin de interne vergeetknop anders staat afgesteld.

Homo sapiens

Muizen zijn geen mensen. Toch is muizenonderzoek interessant omdat het twee dingen tegelijk doet:

  1. Het versterkt het idee dat infantiele amnesie bij zoogdieren vaak een toegangsvraag is, niet alleen een wisoperatie.
  2. Het laat zien dat ontwikkelingsinvloeden via het immuunsysteem die toegang kunnen veranderen.

En dan komt autisme in beeld. Niet als (de zoveelste mogelijke) verklaring, maar als mogelijke context waarin sommige geheugenmechanismen anders kunnen lopen.

Bij mensen met autisme zie je in studies en verhalen een gemengd beeld. Sommige mensen met autisme beschrijven opvallend vroege, heldere herinneringen. Andere mensen met autisme ervaren juist moeite met bepaalde soorten herinneringen, bijvoorbeeld sociale informatie of gezichtsherkenning. Dat lijkt tegenstrijdig, maar het kan kloppen als geheugen geen “één ding” is.

Je kunt een geweldig detailgeheugen hebben voor feiten, routes of objecten en tegelijk moeite hebben met het onthouden van sociale signalen die snel wisselen. Je kunt sterke herinneringen hebben en tegelijk moeite met flexibel terughalen, omdat stress, prikkels of contextwissels het systeem in de war schoppen.

Zou een deel van de variatie in geheugen bij autisme te maken kunnen hebben met hoe hard het brein zijn natuurlijke vergeetmechanismen inzet?

  • Guglielmi, G. (2024, 11 januari). Immune-activation model mice escape infantile amnesia, retain early memories. The Transmitter (Spectrum). https://doi.org/10.53053/MTHT4056
  • Power, S. D., Stewart, E., Zielke, L. G., Byrne, E. P., Douglas, A., Ortega-de San Luis, C., et al. (2023). Immune activation state modulates infant engram expression across development. Science Advances, 9(45), eadg9921. https://doi.org/10.1126/sciadv.adg9921(PMID: 37939176; PMCID: PMC10631722).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.