Er zijn van die onderwerpen waarbij iedereen meteen rechtop gaat zitten. ABA is er zo één. Voor de één staat ABA voor praktische hulp: gedrag beter begrijpen, vaardigheden aanleren, meer grip krijgen op lastige situaties. Voor de ander staat ABA juist voor dwang, aanpassen, maskeren en het wegpoetsen van autisme.
Toch is er iets interessants aan het gebeuren. In een recente wetenschappelijke dialoog gingen onderzoekers uit de toegepaste gedragsanalyse, oftewel ABA, in gesprek met wetenschappers uit Critical Autism Studies. Dat laatste vakgebied kijkt kritisch naar hoe de samenleving, wetenschap en hulpverlening over autisme praten. Niet alleen: “Wat is autisme?” Maar ook: “Wie bepaalt eigenlijk wat normaal is?” En: “Wie profiteert ervan als iemand zich moet aanpassen?”
De belangrijkste boodschap uit dat gesprek is opvallend eenvoudig: wie mensen met autisme wil helpen, moet eerst leren luisteren. Niet luisteren zoals een manager luistert vlak voor hij toch zijn eigen plan doordrukt. Maar echt luisteren. Met nieuwsgierigheid. Met twijfel. En met de bereidheid om te denken: misschien zat ik ernaast.
Wat ABA eigenlijk is
ABA staat voor Applied Behavior Analysis: toegepaste gedragsanalyse. Kort gezegd kijkt ABA naar gedrag, de omgeving waarin dat gedrag ontstaat en wat er daarna gebeurt. Het idee is dat gedrag niet zomaar uit de lucht valt. Gedrag heeft vaak een functie. Iemand vermijdt iets. Zoekt rust. Wil duidelijkheid. Probeert contact te maken. Of raakt overspoeld en weet geen andere uitweg.
In de kern is dat geen vreemd uitgangspunt. We doen allemaal dingen omdat ze iets opleveren of iets voorkomen. Wie zijn telefoon pakt bij verveling, krijgt afleiding. Wie een feestje overslaat na een drukke werkweek, voorkomt overprikkeling. Wie voor de derde keer “ik kom eraan” roept terwijl hij nog in pyjama staat, probeert misschien tijd te winnen. Gedrag is zelden zomaar gedrag.
ABA wordt vooral geassocieerd met ondersteuning van kinderen met autisme. Zeker in de Verenigde Staten is ABA een grote speler in de autismewereld. Daar zit meteen een deel van de spanning. Want historisch gezien is ABA niet altijd vriendelijk gebruikt. Vroege vormen richtten zich soms expliciet op het “normaler” laten lijken van kinderen met autisme. Oogcontact trainen. Handfladderen onderdrukken. Stilzitten. Meedoen zoals de rest. Daar wringt het.
Want als het doel is dat iemand minder herkenbaar autisme laat zien, dan is de vraag niet alleen: werkt het? De vraag is vooral: voor wie werkt het?
Van normaal doen naar een fijner leven
Een belangrijk onderscheid in de discussie is dat tussen “normaliseren” en “ondersteunen”.
- Normaliseren betekent: iemand moet meer lijken op de meerderheid. Minder wiebelen. Meer aankijken. Minder vragen stellen. Minder terugtrekken. Minder anders zijn. Het probleem zit dan vooral in het zichtbare verschil.
- Ondersteunen betekent iets anders. Dan vraag je: wat helpt deze persoon? Meer veiligheid. Meer communicatie. Minder stress. Meer autonomie. Betere toegang tot school, werk, vriendschap, zorg of rust. Het probleem zit dan niet automatisch in het gedrag van de persoon, maar vaak ook in de omgeving.
Neem Sam, 32 jaar, met autisme en ADHD. Op kantoor krijgt hij steeds kritiek omdat hij tijdens overleg niet naar mensen kijkt. Zijn manager noemt het ongeïnteresseerd. Een klassieke “aanpak” zou kunnen zijn: Sam trainen om vaker oogcontact te maken. Maar Sam luistert juist beter als hij naar zijn notitieboek kijkt. Zodra hij mensen voortdurend moet aankijken, mist hij de helft van het gesprek. Dan lijkt hij socialer, maar functioneert hij slechter.

Een ondersteunende aanpak begint dus met een andere vraag. Niet: hoe krijgen we Sam zover dat hij normaal kijkt? Maar: hoe zorgen we dat Sam goed kan luisteren én dat collega’s zijn manier van luisteren begrijpen?
Dat klinkt minder spectaculair. Geen groot trainingsprogramma. Geen heroïsche interventie. Gewoon een beetje begrip voor elkaars verschillen. Veel effectiever. En vooral een stuk menselijker.
Gedrag is niet altijd een probleem
Een van de scherpste punten uit de ABA-kritiek is dat gedrag te snel als “probleemgedrag” wordt bestempeld. Dat woord klinkt neutraal, maar is het niet. Het plakt een etiket. En etiketten zijn hardnekkig. Voor je het weet wordt niet meer gevraagd wat gedrag betekent, maar alleen hoe het weg kan.
Stimming is een goed voorbeeld. Denk aan wiegen, friemelen, fladderen, tikken, draaien, geluidjes maken of steeds hetzelfde voorwerp aanraken. Voor buitenstaanders kan dat vreemd of storend lijken. Zoals sommigen het ook storend vinden als ze twee vrouwen hand-in-hand zien lopen.
Voor veel mensen met autisme is stimming gewoon een manier om spanning te reguleren, prikkels te verwerken of concentratie vast te houden. Waarom zou Piet moeten besluiten dat Jan dat niet zou mogen? Waarom mag Jan niet gewoon Jan zijn? Waarom mogen twee vrouwen niet verliefd op elkaar zijn?
Ook meltdowns worden nogal eens verkeerd begrepen. Een meltdown is geen driftbui met een ander jasje. Een driftbui is meestal doelgericht: een kind wil iets krijgen of voorkomen. Een meltdown is eerder kortsluiting door overbelasting. Te veel geluid, te veel licht, te veel sociale informatie, te veel onverwachte veranderingen. Het brein trekt aan de noodrem. Niet subtiel, nee. Maar noodremmen zijn zelden subtiel. Daar zijn het noodremmen voor.
Als hulpverlening zo’n meltdown behandelt alsof iemand “ongewenst gedrag” vertoont, wordt de plank niet alleen volstrekt misgeslagen. De plank wordt gebruikt om nog meer druk op iemand te leggen. Dat is geen hulp, maar marteling.
Oogcontact, stimming en sociale vaardigheden
In veel sociale vaardigheidstrainingen geldt oogcontact als teken van aandacht, eerlijkheid en betrokkenheid. Voor veel mensen met autisme kan oogcontact echter intens, afleidend of zelfs pijnlijk zijn. Soms gaat alle energie naar “goed moeten aankijken”, waardoor luisteren nauwelijks nog lukt. Of helemaal niet meer. Het resultaat: de buitenwereld ziet verbetering, maar de persoon zelf staat in de overleefstand. En mist de clou van het gesprek…
Dat geldt ook voor sociale vaardigheden. Vaak worden die ingevuld vanuit neurotypische perceptie en verwachtingen. Hoe begin je een praatje? Hoe toon je interesse? Hoe lach je op het juiste moment? Hoe sluit je aan bij de groep?
Natuurlijk kunnen zulke vaardigheden nuttig zijn. Niemand is tegen praktische hulpmiddelen. Maar sociale vaardigheid mag geen toneelles worden waarin iemand leert zichzelf achter een neurotypisch masker te verbergen. De betere vraag is: welke vaardigheden vergroten iemands vrijheid?
Zelfbescherming is ook een sociale vaardigheid. Misschien wel de belangrijkste.
Voor de één is dat leren hoe je een gesprek opent. Voor de ander is het leren zeggen: “Ik wil nu stoppen.” Of: “Ik begrijp je niet.” Of: “Ik heb pauze nodig.” Of heel simpel: “Nee.”
De blinde vlek: Praten óver autisme
Veel kritiek op ABA draait niet alleen om technieken, maar om macht. Wie bepaalt het doel? De therapeut? De ouder? De school? De verzekeraar? De samenleving? Of de persoon om wie het gaat?
Bij jonge kinderen, mensen met een verstandelijke beperking of niet-sprekende mensen is dat ingewikkelder. Maar ingewikkeld betekent niet onmogelijk. Ook dan kun je letten op instemming, spanning, vermijding, voorkeuren, lichaamstaal en signalen van overbelasting. “Hij zegt toch niets” mag nooit een vrijbrief zijn om iemands grenzen te negeren.
De bron onderaan dit artikel benadrukt dat onderzoek en hulpverlening rond autisme lange tijd te weinig gebruikmaakten van autistische kennis. Niet alleen als ervaringsverhaal achteraf, maar vanaf het begin. Bij het bepalen van onderzoeksvragen. Bij het kiezen van doelen. Bij het beoordelen of een behandeling echt helpt.
Dat is meer dan beleefdheid. Het is kwaliteitscontrole.
Een brug bouw je ook niet zonder mensen te vragen waar ze de rivier willen oversteken. Toch is dat in de hulpverlening rond autisme vaak wel gebeurd. Er werd gebouwd. Er werd gemeten. Er werden rapporten geschreven. En pas later vroeg iemand: “Gebruik jij deze brug eigenlijk wel?”
Neurodiversiteit als kompas
“Neurodiversiteit” is de laatste jaren een populair woord geworden. Dat is mooi, maar ook riskant. Want zodra een begrip populair wordt, duikt de marketingafdeling op. Dan krijg je folders vol warme woorden, terwijl de praktijk nauwelijks verandert. Neurodiversiteit is geen sticker voor op een website. Het is een manier van kijken.
Die manier van kijken begint bij het idee dat er verschillen tussen breinen bestaan en dat die verschillen niet automatisch minderwaardig zijn. Autisme is dan niet alleen een lijst beperkingen. Het is een andere manier van waarnemen, verwerken en reageren. Die manier kan kwetsbaarheden geven, zeker in een omgeving die daar slecht op is ingericht. Maar het probleem zit niet altijd in de persoon.
Dat betekent niet dat alles alleen maar “anders” is en nooit lastig. Dat zou te simpel zijn. Sommige mensen met autisme hebben intensieve ondersteuning nodig. Sommige gedragingen zijn gevaarlijk of ernstig belemmerend. Slaapproblemen, eetproblemen, zelfverwonding, paniek, vastlopen op school of werk: dat vraagt om serieuze hulp. Neurodiversiteit is geen romantische poster met regenboogbreinen.
Hulp moet gericht zijn op welzijn, veiligheid en autonomie. Niet op het wegwerken van zichtbare eigenaardigheden omdat de omgeving daar zenuwachtig van wordt.
Wat goede ondersteuning anders doet
Een autismesensitieve benadering kijkt eerst naar de omgeving. Is er te veel prikkel? Is de instructie onduidelijk? Is de overgang te plotseling? Is er sociale druk? Wordt er te veel gevraagd na een slechte nacht? Is iemand uitgeput van maskeren? Is er pijn, schaamte, angst of verwarring?

Pas daarna kijk je naar vaardigheden. Kan iemand aangeven wat hij nodig heeft? Kan hij pauze vragen? Kan zij hulp weigeren zonder straf? Is er een alternatief beschikbaar? Wordt communicatie serieus genomen, ook als die niet netjes verpakt is?
Soms is de beste interventie geen gedragstraining, maar een dimmer, een rustigere werkplek, een voorspelbare planning, een andere uitleg of toestemming om even weg te lopen. Niet elk probleem heeft een protocol nodig. Soms helpt een deur die open mag. Soms is het vooral menselijk als iemand zichzelf mag zijn. Piet Piet en Jan Jan.
Wat ouders, begeleiders en hulpverleners kunnen doen
Voor ouders, leerkrachten, werkgevers en hulpverleners is de discussie misschien ingewikkeld. Je wilt helpen. Je ziet iemand vastlopen. Je wilt iets doen. Liefst vandaag nog.
Een bruikbare vuistregel is: kijk eerst of de omgeving kan veranderen voordat je de persoon probeert te veranderen.
Bij gedrag dat lastig is, kun je drie vragen stellen.
Wat levert dit gedrag op of wat voorkomt het?
Is dit gedrag schadelijk, of vooral ongebruikelijk?
Van wie is het probleem eigenlijk?
Die laatste vraag kan prikken. Stel: een kind beweegt veel tijdens het leren. Heeft het kind een probleem, of heeft de klas een probleem met bewegende kinderen? Stel: iemand praat weinig tijdens lunchpauzes. Lijdt die persoon daaronder, of vinden anderen het ongemakkelijk? Stel: een medewerker wil instructies liever schriftelijk. Is dat starheid, of gewoon een effectieve gebruiksaanwijzing?
Natuurlijk zijn er grenzen. Als iemand zichzelf verwondt, anderen pijn doet of ernstig vastloopt, moet er hulp komen. Maar ook dan blijft de vraag: hoe helpen we zonder iemands waardigheid te beschadigen?
Een goede ondersteuner probeert niet de regisseur van iemands leven te worden. Eerder een ondertitelaar, wegwijzer of prikkeldemper. Iemand die helpt vertalen, verduidelijken en ruimte maken.
En soms ook iemand die tegen de omgeving zegt: misschien moeten jullie niet vragen waarom deze persoon zo moeilijk doet. Misschien moeten jullie vragen waarom deze omgeving zo moeilijk ís.
Minder kneden, meer afstemmen
De discussie over ABA raakt aan iets groters. Hoe kijken we naar mensen die anders reageren dan gemiddeld? Zien we hen als projecten die moeten worden bijgeschaafd? Of als mensen die ondersteuning nodig hebben om op hun eigen manier goed te kunnen leven? Dat verschil merk je in kleine dingen.
In het verschil tussen “kijk me aan” en “luister op jouw manier”.
Tussen “stop met wiebelen” en “helpt dit je om rustig te blijven?”
Tussen “doe normaal” en “wat heb jij nodig?”
Tussen “we gaan dit gedrag verminderen” en “we gaan begrijpen wat er gebeurt”.
Goede hulp maakt iemand niet kleiner. Goede hulp vergroot de ruimte waarin iemand kan bestaan.
Misschien is dat wel de kern van neurodiversiteit-bevestigende ondersteuning. Niet dat alles mag. Niet dat elke beperking wordt weggepoetst met een vrolijk sausje. Maar dat we stoppen met het verwarren van anders-zijn met verkeerd-zijn.
Niet alle mensen met autisme denken hetzelfde over ABA, therapie of neurodiversiteit. De autismegemeenschap is geen koor dat één lied zingt. Er zijn mensen die goede ervaringen hebben met gedragsmatige ondersteuning. Er zijn mensen die er schade door hebben ervaren. Er zijn ouders die dankzij intensieve begeleiding eindelijk weer lucht kregen. Er zijn volwassenen die zeggen: ik heb vooral geleerd mijn echte zelf te verstoppen.
Mathur, S. K., Tarbox, J., Chown, N. & Suckle, E. (2026). Listening with Humility: Lessons Learned from a Dialogue with Scholars from Critical Autism Studies. Behavior Analysis in Practice, 19, 718–731.
De tekst hierboven gebruikt de bron als basis voor duiding, niet als bewijs dat alle vormen van ABA effectief of schadelijk zijn.



