Wie zoekt naar het gen voor autisme, kan lang zoeken. Zo’n gen bestaat niet. Autisme is genetisch eerder te vergelijken met een groot wegennet: veel verschillende routes kunnen uiteindelijk in een vergelijkbaar gebied uitkomen.
Dat beeld wordt opnieuw zichtbaar in een recente studie bij 25 kinderen met autisme uit Italië en Marokko. De onderzoekers lazen een groot deel van hun genetische informatie uit met zogenoemde whole-exome sequencing. Bij 9 van de 25 kinderen vonden ze een interessante genetische variant. Dat klinkt spectaculair, maar het betekent nadrukkelijk niet dat bij ruim een derde van alle mensen met autisme voortaan de genetische oorzaak kan worden gevonden.
Deze groep kinderen was klein en bovendien bijzonder samengesteld. Veel kinderen hadden naast autisme bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, taalproblemen, motorische ontwikkelingsachterstand of epilepsie. Juist bij zulke combinaties is de kans groter dat een duidelijke genetische aandoening wordt gevonden.
De belangrijkste boodschap ligt daarom ergens anders: dezelfde diagnose autisme kan genetisch gezien via heel verschillende biologische routes ontstaan.
Het autisme-gen bestaat niet
Van autisme weten we al langer dat erfelijke factoren een belangrijke rol spelen. Maar erfelijkheid betekent niet automatisch dat er één gen verantwoordelijk is.
Bij sommige aandoeningen is dat relatief eenvoudig. Een verandering in één specifiek gen kan dan een duidelijk herkenbaar ziektebeeld veroorzaken. Bij autisme ligt dat veel ingewikkelder.
Er zijn inmiddels honderden genen bekend die in meer of mindere mate betrokken kunnen zijn bij de ontwikkeling van kenmerken die we met autisme associëren. Daarnaast spelen ook veel kleine genetische verschillen mee die afzonderlijk nauwelijks effect hebben, maar samen wel invloed kunnen uitoefenen.
En dan zijn er nog omgevingsfactoren, biologische ontwikkeling, toevallige gebeurtenissen tijdens de ontwikkeling van het brein en waarschijnlijk factoren die we nog helemaal niet kennen.
Autisme is genetisch dus geen legpuzzel met één ontbrekend stukje. Het lijkt meer op een doos waarin verschillende puzzels door elkaar zijn geraakt.
Bij ruim een derde werd iets gevonden
Bij 9 van de 25 kinderen vonden de onderzoekers een variant die zij beoordeelden als pathogeen of waarschijnlijk pathogeen. Dat betekent dat er voldoende aanwijzingen zijn dat die verandering daadwerkelijk betrokken is bij een aandoening.
De gevonden varianten zaten steeds in verschillende genen. Onder meer SCN2A, KCNQ3, PIK3R2, SLC6A1, NSD1, SHH, COA3, POLD3 en ALDH5A1 kwamen naar voren.
Die alfabetsoep is voor de gemiddelde lezer gelukkig niet belangrijk om te onthouden. Veel belangrijker is wat erachter zit. De ene genetische verandering hing samen met een ontwikkelings- en epilepsiesyndroom. Een andere met een stofwisselingsziekte. Weer andere varianten pasten bij syndromen waarbij hersenontwikkeling, lichamelijke groei, afweer of communicatie tussen zenuwcellen een rol spelen.
Met andere woorden: achter de brede diagnose autisme kunnen soms heel verschillende genetische aandoeningen schuilgaan.
Een diagnose achter de diagnose
Stel dat een kind autisme heeft, maar daarnaast ook epileptische aanvallen, een sterke ontwikkelingsachterstand en problemen met bewegen.
Zonder genetisch onderzoek kun je die kenmerken bekijken als verschillende problemen die toevallig bij dezelfde persoon voorkomen. Een genetische diagnose kan daar echter soms een ander licht op werpen. Misschien blijken die kenmerken samen te hangen met één onderliggende aandoening.
Dat kan belangrijk zijn. Niet omdat daarmee ineens alles verklaard is. En ook niet omdat er automatisch een behandeling beschikbaar komt. Maar een genetische diagnose kan artsen soms helpen gerichter te letten op bepaalde gezondheidsrisico’s.
Bij sommige genetische syndromen weten we bijvoorbeeld dat epilepsie vaker voorkomt. Bij andere aandoeningen kan controle van groei, stofwisseling, hart, nieren of andere organen belangrijk zijn. Het verschil tussen “we zien verschillende losse klachten” en “we herkennen een onderliggende aandoening” kan klinisch aanzienlijk zijn.
Wat DNA-onderzoek kan opleveren
| DNA-onderzoek kan soms | DNA-onderzoek kan niet |
|---|---|
| Een specifieke genetische aandoening aantonen | Voorspellen hoe iemand zich als persoon zal ontwikkelen |
| Verschillende klachten met elkaar verbinden | Precies voorspellen hoe ernstig autisme wordt |
| Informatie geven over erfelijkheid binnen een familie | Vertellen welke begeleiding iemand nodig heeft |
| Aanleiding geven tot gerichte medische controles | Alle kenmerken van autisme verklaren |
| Een langdurige diagnostische zoektocht verkorten | Een compleet beeld geven van iemands mogelijkheden |
Juist dat onderscheid is belangrijk. DNA kan medische informatie geven. Het is geen handleiding voor een mens.
Van één diagnose naar verschillende profielen
De onderzoekers deden nog iets interessants. Ze keken niet alleen naar de diagnose autisme, maar ook naar afzonderlijke kenmerken van de kinderen. Denk daarbij aan motorische ontwikkeling, taalproblemen, angst, slaapproblemen, echolalie, mutisme, agressief gedrag, spijsverteringsproblemen en reactie op gesproken taal.
Vervolgens onderzochten ze of bepaalde genetische varianten vaker voorkwamen bij bepaalde kenmerken. Dat idee is aantrekkelijk. De diagnose autisme omvat immers mensen die onderling enorm verschillen. De één praat veel, een ander nauwelijks. De één heeft een gemiddelde of hoge intelligentie, een ander een verstandelijke beperking. Sommige mensen hebben epilepsie. Anderen helemaal niet. Sommigen hebben grote motorische problemen, anderen zijn juist bijzonder vaardig. Sommigen excelleren en presteren bovengemiddeld in hun beroep, bijvoorbeeld via bedrijven als AutiTalent. Anderen daarentegen zijn aangewezen op dagbesteding en andere vormen van dagelijkse hulp.
Misschien zegt zo’n persoonlijk profiel wel veel meer dan alleen het brede etiket “autisme”.
Genen voor angst of slaap? Niet zo snel
De onderzoekers vonden inderdaad genetische signalen die leken samen te hangen met bepaalde kenmerken. Bij motorische ontwikkelingsachterstand kwam bijvoorbeeld UNC5D sterk naar voren. Dat gen speelt een rol bij de manier waarop zenuwcellen tijdens de ontwikkeling verbindingen vormen.
Bij slaapproblemen verscheen onder andere PTGER3, een gen dat betrokken is bij lichamelijke signaalprocessen die onder meer met ontsteking en zenuwactiviteit te maken hebben. Andere genetische signalen werden gevonden bij angst, mutisme, agressief gedrag en spijsverteringsproblemen.
Wow! Maar… Hier moeten we toch op de rem trappen. Er deden maar 25 kinderen mee. Voor sommige analyses waren dat er zelfs 23 of 24. Tegelijk onderzochten de wetenschappers duizenden genen.
Dat is een beetje alsof je in een piepklein dorp onderzoekt welke van duizenden mogelijke kenmerken samenhangen met slapeloosheid. Met zoveel vergelijkingen kun je toevallig opvallende verbanden vinden.
De onderzoekers pasten statistische correcties toe om dat risico te verkleinen. Toch zeggen ze zelf duidelijk dat deze resultaten vooral verkennend en hypothesevormend zijn. Het zijn dus mogelijke aanwijzingen voor vervolgonderzoek.
Verschillende genen, dezelfde biologische thema’s
Ondanks alle genetische verschillen komt uit het onderzoek een interessant patroon naar voren. De afzonderlijke genen lopen sterk uiteen, maar sommige biologische processen keren vaker terug. Het gaat dan bijvoorbeeld om:
- communicatie tussen zenuwcellen;
- het aan- en uitzetten van genen;
- de ontwikkeling en verbinding van hersencellen;
- de structuur en stevigheid van cellen;
- energieproductie in cellen;
- processen die bepalen hoe eiwitten worden gemaakt en afgebroken.
Dat helpt om iets te begrijpen wat op het eerste gezicht tegenstrijdig lijkt. Autisme kan genetisch heel verschillend ontstaan, terwijl de uiteindelijke effecten toch in vergelijkbare biologische systemen terechtkomen.
Waarom bijkomende kenmerken ertoe doen
De hoge opbrengst van genetisch onderzoek in deze studie moet in context worden gezien. Van de 25 kinderen had een groot deel naast autisme ook andere ontwikkelingsproblemen. Zo kwamen verstandelijke beperkingen, taalproblemen, motorische achterstand en epilepsie relatief vaak voor. Dat is relevant omdat duidelijke ziekmakende genetische varianten juist vaker worden gevonden bij mensen met een complexer neuro-ontwikkelingsprofiel.
Voor iemand met autisme zonder verstandelijke beperking, epilepsie, opvallende lichamelijke kenmerken of ontwikkelingsachterstand kan de kans op zo’n duidelijke genetische uitslag dus heel anders liggen.
Wanneer genetisch onderzoek betekenis kan hebben
Vooral wanneer naast autisme andere opvallende medische of ontwikkelingskenmerken bestaan, kan genetische diagnostiek het bespreken waard zijn. Bijvoorbeeld bij een combinatie van:
- autisme en een duidelijke algemene ontwikkelingsachterstand;
- autisme en een verstandelijke beperking;
- epilepsie of andere neurologische verschijnselen;
- opvallende lichamelijke kenmerken;
- ernstige motorische ontwikkelingsproblemen;
- verlies van eerder aangeleerde vaardigheden;
- meerdere vergelijkbare ontwikkelingsproblemen binnen een familie.
Dat betekent niet dat in zulke situaties automatisch WES nodig is. Welke genetische test passend is, hangt af van de persoonlijke en medische situatie. Een klinisch geneticus, kinderarts of andere betrokken specialist kan beoordelen of genetisch onderzoek zinvol is.
DNA verklaart nooit de hele persoon
Een genetische variant kan iets vertellen over biologische ontwikkeling. Dat betekent nog niet dat die variant iemands volledige persoonlijkheid, gedrag of toekomst bepaalt. Mensen zijn geen wandelende DNA-uitslagen. Of robots die een script uitvoeren.
Zelfs binnen dezelfde genetische aandoening kunnen verschillen tussen mensen groot zijn. Genen werken bovendien nooit in een vacuüm. Ontwikkeling vindt plaats in voortdurende wisselwerking met andere biologische processen en met de omgeving. Een DNA-uitslag kan dus maar een deel van het verhaal verklaren.
Geen zoektocht naar een ‘genezing van autisme’
Als wetenschappers genetische oorzaken zoeken, betekent dat dan dat ze autisme willen voorkomen of uit de samenleving willen verwijderen? Dat hoeft helemaal niet het doel te zijn.
Genetische diagnostiek kan praktische vragen beantwoorden. Waarom heeft iemand naast autisme ook epilepsie? Is er kans op andere medische problemen? Kunnen ouders of broers en zussen drager zijn? Heeft een gevonden aandoening gevolgen voor toekomstige zorg? Dat zijn heel andere vragen dan: hoe maken we iemand minder autistisch?
Vanuit een neurodiversiteitsperspectief is dat onderscheid belangrijk. Autisme maakt deel uit van menselijke neurologische diversiteit. Tegelijk kunnen mensen met autisme ook ernstige lichamelijke, neurologische of verstandelijke beperkingen hebben die ze liever kwijt zijn dat rijk.
De toekomst wordt waarschijnlijk persoonlijker
Deze studie laat vooral zien waar genetisch onderzoek naartoe beweegt. Niet naar één bloedtest die zegt: “dit is het autisme-gen”. Waarschijnlijk eerder naar steeds gedetailleerdere profielen.
Onderzoekers kunnen in de toekomst niet alleen kijken naar iemands diagnose, maar ook naar taalontwikkeling, motoriek, epilepsie, slaap, cognitieve ontwikkeling en andere kenmerken. Vervolgens kunnen zij die informatie combineren met genetische gegevens.
Ook zal whole-genome sequencing waarschijnlijk vaker worden gebruikt. Daarbij wordt veel meer DNA onderzocht dan bij WES, inclusief gebieden die nu vaak buiten beeld blijven. Daarmee kan de genetische puzzel verder worden ingevuld.
Welke biologische processen spelen bij deze persoon een rol, en kunnen we met die kennis iets doen dat zijn of haar gezondheid en kwaliteit van leven werkelijk verbetert?
Maar zelfs dan blijft waarschijnlijk één conclusie overeind: autisme is geen enkelvoudige biologische aandoening met één oorzaak. Het is een brede verzamelnaam voor ontwikkeling die op veel verschillende manieren kan verlopen.
Gaouzi Z, Spoto G, Polito F, et al. Genetic Heterogeneity in Autism Spectrum Disorder: Diagnostic Yield, Recurrent Genes, and Rare Variant-Phenotype Associations from Whole-Exome Sequencing. International Journal of Molecular Sciences. 2026;27:6901. DOI: 10.3390/ijms27156901.



