Wanneer wordt menselijk lijden een stoornis?

Je hebt een drukke week achter de rug. Op je werk stapelen de deadlines zich op, thuis wachten verplichtingen en je slaapt al weken slecht. Je kunt je nauwelijks concentreren, bent snel geïrriteerd en voelt je voortdurend opgejaagd. Misschien vraag je jezelf af of je een angststoornis hebt, ADHD of een beginnende burn-out. Je zoekt op internet, herkent jezelf in allerlei beschrijvingen en vraagt je af of je professionele hulp nodig hebt.

Er is ook een andere mogelijkheid. Misschien reageer je eigenlijk heel gewoon op omstandigheden die te veel van je vragen. Dat maakt je klachten natuurlijk niet minder vervelend, maar het roept wel de vraag op: wanneer is psychisch lijden een normaal onderdeel van het leven en wanneer noemen we het een psychische stoornis? En wie bepaalt waar die grens ligt?

Wie bepaalt wat normaal is?

We denken graag dat de geneeskunde een duidelijke grens kan trekken tussen gezond en ziek. Bij sommige lichamelijke aandoeningen lukt dat redelijk goed. Een gebroken been kun je op een röntgenfoto zien. Een infectie kun je vaak aantonen met laboratoriumonderzoek.

In de psychiatrie is het ingewikkelder. Een arts kan doorgaans geen bloedtest of hersenscan gebruiken om vast te stellen of iemand een depressie, angststoornis of ADHD heeft. Psychiaters en psychologen kijken daarom naar combinaties van kenmerken, de duur ervan en de gevolgen voor het dagelijks leven. Daar komt deels bij wat we als samenleving normaal vinden.

Neem iemand die weinig behoefte heeft aan sociale contacten of daar erg onhandig in is. In een omgeving die zelfstandigheid waardeert, denk aan een archief of laboratorium, valt dat misschien nauwelijks op. In een cultuur waarin iedereen voortdurend moet netwerken, samenwerken en gezellig meedoen, krijgt hetzelfde gedrag sneller het stempel afwijkend.

Of denk aan een kind dat moeilijk stilzit. Misschien ervaart het ernstige problemen door ADHD. Maar een klaslokaal waarin dertig kinderen urenlang rustig moeten zitten, stelt ook specifieke eisen aan hun gedrag. Dat betekent nadrukkelijk niet dat psychische aandoeningen allemaal verzinsels zijn. Het laat vooral zien dat onze omgeving invloed heeft op de manier waarop we eigenschappen en problemen beoordelen.

Van gesticht naar diagnose

Eeuwen geleden beschouwden Europese samenlevingen mensen met ernstige psychische problemen vaak als een bedreiging voor de openbare orde. Mensen die zich ongewoon gedroegen, belandden soms in instellingen, samen met armen, daklozen en anderen die niet in de mal van sociaal gewenst gedrag pasten.
Vanaf de achttiende en negentiende eeuw ontwikkelde de psychiatrie zich geleidelijk tot een medische discipline. Artsen gingen psychische verschijnselen beschrijven, indelen en behandelen. Dat bracht belangrijke vooruitgang. Psychiatrische problemen kregen meer medische aandacht en wetenschappers ontwikkelden nieuwe behandelingen. Tegelijk ontstond een systeem waarin deskundigen bepaalden welk gedrag gezond, afwijkend of ziek was.
De Franse filosoof Michel Foucault wees erop dat kennis en macht daarbij nauw verweven raakten. Wie bepaalt wat normaal is, oefent immers ook invloed uit op de manier waarop mensen zich behoren te gedragen.

In de twintigste eeuw veranderde de psychiatrische zorg ingrijpend. Hervormers verzetten zich tegen de vaak mensonterende omstandigheden in grote psychiatrische instellingen. Zij pleitten voor meer vrijheid, menselijke waardigheid en zorg midden in de samenleving. Daarmee verdween echter de invloed van psychiatrische classificaties niet. Integendeel: diagnoses kregen een steeds belangrijkere plaats in de gezondheidszorg en daarbuiten.

De samenleving veranderde, het lijden veranderde mee

Onze maatschappij verwacht tegenwoordig nogal wat van ons. We moeten zelfstandig zijn, initiatief tonen, flexibel blijven, sociaal vaardig communiceren en het liefst voortdurend aan onze persoonlijke ontwikkeling werken. Wanneer je tijdens een loopbaanontwikkelingsgesprek aangeeft dat je tevreden bent en eens even niet verder wil op de carrièreladder dan bekruipt je al snel het gevoel dat je eigenlijk tekortschiet.

Op het werk draait veel om prestaties. Targets, scoren en ook nog kunnen opscheppen over fantastische vakanties en je hoogbegaafde sterrenkinderen… Op sociale media zien we mensen die succesvol ondernemen, sporten, reizen en hun leven uitstekend op orde lijken te hebben. Zelfs ontspanning krijgt soms het karakter van een prestatie. We moeten niet alleen gelukkig zijn, maar ook actief aan ons geluk werken. Wie verzint zoiets?

Enerzijds vertellen we mensen dat ze hun eigen leven vormgeven en vrijwel alles kunnen bereiken. Anderzijds ervaren veel mensen financiële onzekerheid, hoge werk- en prestatiedruk en weinig ruimte om fouten te maken. Wie hierin vastloopt (en dat zijn er nogal wat), zoekt de verklaring vervolgens vaak bij zichzelf.

Waarom kan ik niet beter omgaan met stress? Waarom ben ik zo snel moe? Waarom lukt het anderen wel om alle ballen in de lucht te houden? Wat mankeert er aan mij?

De maatschappelijke omstandigheden verdwijnen naar de achtergrond, terwijl onze persoonlijke tekortkomingen alle aandacht krijgen.

De Braziliaanse onderzoekers Paulo Amarante en Júlia Goulart Gomes verbinden deze ontwikkeling aan het neoliberalisme: een manier van denken waarin concurrentie, individuele verantwoordelijkheid en economische prestaties een grote rol spelen. Volgens hen beïnvloedt deze maatschappelijke logica ook de manier waarop we psychisch lijden begrijpen.

De begrippen liberalisme en neoliberalisme lijken op elkaar. Beide benadrukken individuele vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Toch verschillen ze in de manier waarop ze naar de samenleving en de economie kijken.

Liberalisme ontstond als politieke en filosofische stroming in de zeventiende en achttiende eeuw. De centrale gedachte is dat mensen zoveel mogelijk vrijheid moeten hebben om hun eigen leven vorm te geven. Denk aan vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, gelijke rechten en bescherming tegen een overheid die zich te veel met het privéleven bemoeit.
Liberalen vinden individuele vrijheid belangrijk, maar verschillen onderling van mening over de rol van de overheid. Sommige liberalen willen weinig overheidsbemoeienis, terwijl anderen juist vinden dat de overheid onderwijs, gezondheidszorg en sociale zekerheid moet organiseren om iedereen eerlijke kansen te bieden.

Neoliberalisme ontwikkelde zich vooral in de twintigste eeuw en kreeg vanaf de jaren tachtig veel politieke invloed, onder andere door de Britse premier Margaret Thatcher en de Amerikaanse president Ronald Reagan. Deze stroming legt sterker de nadruk op marktwerking, concurrentie, privatisering en individuele economische verantwoordelijkheid. Het uitgangspunt is dat concurrentie (tussen producent, handelaar, maar óók tussen mensen) vaak leidt tot meer efficiëntie, innovatie, kwaliteit en (bijgevolg) welvaart. De overheid moet daarbij vooral zorgen voor de voorwaarden waaronder markten goed kunnen functioneren.

Critici wijzen echter op een mogelijk nadeel: wanneer marktdenken ook doordringt in onderwijs, gezondheidszorg en werk, gaan we mensen steeds vaker beoordelen op hun prestaties en productiviteit. Hier raakt neoliberalisme ook de geestelijke gezondheidszorg: Wie niet kan meekomen, krijgt misschien vooral te horen dat hij aan zichzelf moet werken, terwijl de werkomstandigheden (of de match daarmee) of maatschappelijke verwachtingen minstens zo goed aandacht verdienen.

Dat betekent overigens niet dat neoliberalisme alle psychische problemen veroorzaakt. Het is wel een manier om kritisch te kijken naar de vraag waarom onze samenleving zoveel nadruk legt op presteren, aanpassen en voortdurend verbeteren.

Hun kritiek is interessant, maar vraagt om enige voorzichtigheid. Dat prestatiedruk psychische problemen kan versterken, betekent nog niet dat de huidige economie de groei van psychiatrische diagnoses veroorzaakt. Daarvoor biedt hun beschouwende onderzoek geen rechtstreeks bewijs.

Een diagnose kan veel betekenen

Stel je voor dat je al tientallen jaren merkt dat je anders reageert dan andere mensen. Je raakt sneller overprikkeld, begrijpt bepaalde sociale verwachtingen niet of worstelt voortdurend met concentratieproblemen. Je probeert jezelf aan te passen, maar dat kost steeds meer energie. Dan kan een diagnose autisme of ADHD een enorme opluchting geven want ineens begrijp je waarom bepaalde situaties zoveel moeite kosten. Je kunt ervaringen uit je jeugd beter plaatsen en ontdekt dat anderen vergelijkbare problemen kennen. Bovendien kan een diagnose toegang bieden tot begeleiding, behandeling, aanpassingen op het werk of andere vormen van ondersteuning. Dat belang mogen we niet onderschatten.

Wie kritiek levert op de groei van psychiatrische diagnoses, raakt al snel aan een gevoelig onderwerp. Voor veel mensen betekent een diagnose namelijk veel meer dan een medisch etiket.

Vooral vrouwen en volwassenen die vroeger buiten het bekende beeld van autisme of ADHD vielen, hebben lang moeten wachten op herkenning. Meer kennis bij professionals en het grote publiek heeft de afgelopen jaren bijgedragen aan een betere herkenning van deze groepen. Een stijgend aantal diagnoses kan dus ook betekenen dat we mensen eindelijk zien die eerder buiten beeld bleven.

Tegelijk vertelt een diagnose nooit het hele verhaal. Twee mensen met dezelfde diagnose kunnen sterk van elkaar verschillen. De een functioneert uitstekend in een rustige werkomgeving, terwijl de ander intensieve begeleiding nodig heeft. De een heeft vooral last van prikkels, de ander van angst, uitputting of problemen met het organiseren van dagelijkse bezigheden.

Ook omstandigheden maken verschil. Neem een werknemer die door voortdurende onderbrekingen nauwelijks aan zijn taken toekomt. Een onderzoek kan uitwijzen dat hij ADHD heeft. Dat kan waardevolle informatie opleveren over zijn concentratieproblemen. Maar daarmee verdwijnt het rumoerige kantoor niet. Wanneer de werkgever uitsluitend naar de diagnose kijkt, mist hij mogelijk de eenvoudigste oplossing: een rustige werkplek, duidelijke afspraken en minder onderbrekingen. Of… De werknemer zou een baan kunnen zoeken die beter matcht met zijn manier van waarnemen en informatie verwerken.

Autisme en ADHD

De afgelopen decennia kregen steeds meer kinderen en volwassenen een diagnose autisme of ADHD. Dat roept bij herhaling discussies op onder wetenschappers, leken en onder gediagnosticeerden zelf. Want wat zegt mijn diagnose nog als er in elke klas of elk kantoor wel enkele lotgenoten zijn?

Medicalisering betekent dat we steeds meer aspecten van het dagelijks leven vanuit een medisch perspectief bekijken. Denk aan slaapproblemen, verdriet, stress of concentratieproblemen. Soms levert dat waardevolle behandelingen op. Soms gaan we daardoor voorbij aan sociale of praktische oorzaken.

Pathologisering gaat een stap verder. Daarbij beschouwen we eigenschappen, gedragingen of ervaringen als symptomen van een ziekte of stoornis, terwijl dat niet altijd terecht is.

Een voorbeeld: iemand die graag alleen is, heeft daarmee niet automatisch een psychisch probleem. Pas wanneer bepaalde kenmerken daadwerkelijk beperkingen of lijden veroorzaken, kan onderzoek naar een mogelijke stoornis zinvol zijn.

Het belangrijkste onderscheid: niet alles wat afwijkt van de norm is ziek, en niet iedereen die hulp nodig heeft, heeft een diagnose nodig.

Sommigen vrezen dat we gewone verschillen tussen mensen te snel als stoornis beschouwen. Anderen wijzen er juist op dat veel mensen jarenlang zonder passende herkenning of ondersteuning hebben geleefd. Beide zorgen verdienen aandacht, maar ze betekenen niet automatisch dat beide ontwikkelingen even vaak voorkomen. Een groeiend aantal diagnoses vertelt op zichzelf namelijk weinig over de oorzaken.

Misschien herkennen artsen en psychologen kenmerken tegenwoordig beter. Misschien zoeken meer volwassenen hulp. Ook veranderingen in diagnostische criteria, maatschappelijke verwachtingen en de beschikbaarheid van zorg kunnen een rol spelen. Daarbij moeten we onderscheid maken tussen drie zaken: hoeveel mensen bepaalde kenmerken hebben, hoeveel mensen daar ernstige problemen door ervaren en hoeveel mensen daadwerkelijk een diagnose krijgen. Die aantallen hoeven zich niet op dezelfde manier te ontwikkelen.

Wanneer meer volwassenen een autismediagnose krijgen, betekent dat bijvoorbeeld niet dat er veel meer autistische volwassenen zijn ontstaan. Het kan ook betekenen dat mensen die vroeger geen diagnose kregen, nu eindelijk herkenning vinden.

Een kritische blik op diagnostiek vraagt daarom om twee vragen tegelijk: missen we mensen die ondersteuning nodig hebben, en geven we anderen misschien een diagnose terwijl hun problemen vooral uit hun omstandigheden voortkomen?

Sociale media

Wie tegenwoordig op TikTok of Instagram rondkijkt, komt regelmatig filmpjes tegen over ADHD, autisme, depressie en andere psychische problemen. Sommige makers vertellen openhartig over hun persoonlijke ervaringen. Dat kan herkenning bieden en helpen om vooroordelen te verminderen. Andere filmpjes echter presenteren lijstjes met kenmerken die zo algemeen zijn dat vrijwel iedereen zich erin kan herkennen.

Stel dat iemand vertelt dat uitstelgedrag, rommel in huis en moeite met concentreren wijzen op ADHD. Veel kijkers herkennen zichzelf waarschijnlijk onmiddellijk. Maar zulke ervaringen komen ook voor bij slaapgebrek, langdurige stress, depressie en allerlei andere omstandigheden.

Een diagnose vraagt daarom veel meer dan herkenning in een kort filmpje. Een deskundige onderzoekt onder andere wanneer de problemen begonnen, in welke situaties ze optreden en welke andere verklaringen mogelijk zijn. Sociale media kunnen wel een aanleiding vormen om professionele hulp te zoeken. Ze kunnen een zorgvuldig diagnostisch onderzoek volstrekt niet vervangen. Het omgekeerde geldt overigens ook: iemand die zichzelf niet herkent in populaire filmpjes, kan wel degelijk autisme, ADHD of een andere aandoening hebben.

Als functioneren belangrijker wordt dan welzijn

Waarom willen we eigenlijk dat mensen psychisch herstellen? Het voor de hand liggende antwoord luidt: omdat we willen dat ze zich beter voelen en een prettig leven kunnen leiden. In de praktijk speelt daarnaast vaak nog een andere verwachting (of wens) mee: mensen moeten weer kunnen functioneren, weer productief zijn. Optimaal bijdragen aan ons aller economische voorspoed.

Een werknemer met een burn-out moet bij voorkeur zo snel mogelijk weer terugkeren naar zijn werk. Een student met angstklachten moet zijn opleiding kunnen voortzetten. Iemand met concentratieproblemen moet weer, als tijdens de optimale staat, productiever worden.

Dat zijn op zichzelf begrijpelijke doelen. Werk, onderwijs en maatschappelijke deelname kunnen immers veel betekenen voor iemands welzijn. Er ontstaat echter een probleem wanneer functioneren belangrijker wordt dan de persoon zelf.

Stel dat een werknemer uitvalt omdat zijn werkgever jarenlang te veel van hem vraagt. Een behandeling kan hem helpen om beter met stress om te gaan. Maar wat gebeurt er als hij daarna terugkeert naar precies dezelfde werkomstandigheden? Dan behandelen we misschien vooral het gevolg, terwijl de oorzaak blijft bestaan.

Mensen kunnen zowel psychische zorg als betere arbeidsomstandigheden nodig hebben. De belangrijkste vraag is of we bereid zijn beide serieus te nemen.

Pillen en belangen

Medicijnen hebben de psychiatrische zorg ingrijpend veranderd. Ze kunnen ernstige symptomen verminderen en mensen helpen om hun dagelijks leven weer op te pakken. Antidepressiva kunnen bijvoorbeeld nuttig zijn bij bepaalde vormen van depressie. Medicatie tegen ADHD kan de aandacht en impulscontrole verbeteren. Antipsychotica spelen een belangrijke rol bij de behandeling van psychotische aandoeningen. Maar medicatie heeft ook beperkingen en mogelijke bijwerkingen. Bovendien reageert niet iedereen er op dezelfde manier op. Daarom is het belangrijk om niet uitsluitend te vragen welk medicijn bij een diagnose past, maar ook welke behandeling iemand nodig heeft en zelf wenst.

De farmaceutische industrie heeft vanzelfsprekend commerciële belangen. Bedrijven verdienen geld aan de verkoop van geneesmiddelen en investeren in onderzoek, marketing en medische voorlichting. Daarom hebben we onafhankelijke wetenschappelijke toetsing, transparantie over financiële belangen en kritische zorgprofessionals nodig.

Commerciële belangen vormen op zichzelf geen bewijs dat een diagnose onterecht is of een behandeling niet werkt. Evenmin bewijst kritiek op de psychiatrie dat mensen zonder medicatie altijd beter af zijn. Bij bepaalde aandoeningen kan het verminderen of stoppen van medicatie juist ernstige risico’s opleveren. Goede zorg vraagt om zorgvuldig afwegen, gezamenlijk beslissen en regelmatig evalueren. Wie medicatie wil veranderen, doet dat daarom het best in overleg met de behandelaar.

Niet alles zit in je hoofd

We spreken vaak over psychische klachten alsof ze zich uitsluitend binnen iemands hersenen afspelen. Maar mensen leven niet los van hun omgeving. Slaapgebrek beïnvloedt onze stemming. Langdurige stress kan concentratieproblemen versterken. Eenzaamheid vergroot bij sommige mensen het risico op depressieve klachten. Financiële problemen kunnen stress veroorzaken. Andersom kan een psychische aandoening juist bijdragen aan werkloosheid, relatieproblemen of sociaal isolement. Oorzaak en gevolg lopen daardoor vaak door elkaar.

Dat maakt een puur biologische of een uitsluitend maatschappelijke verklaring meestal te eenvoudig. Bij sommige mensen speelt erfelijke aanleg een belangrijke rol. Bij anderen hebben belastende ervaringen of maatschappelijke omstandigheden veel invloed. Vaak versterken verschillende factoren elkaar.

Betekent dit dat we minder moeten diagnosticeren? Niet noodzakelijk. Het gaat er vooral om dat we niet automatisch ieder probleem door een medische bril bekijken. Iemand die voortdurend verdrietig is na het overlijden van een dierbare, heeft misschien vooral tijd, steun en begrip nodig. Maar wanneer het verdriet aanhoudt, ernstig ontregelt of samengaat met andere klachten, kan professionele hulp belangrijk zijn. Een kind dat moeite heeft met school, heeft misschien ADHD. Maar misschien sluit de lesomgeving onvoldoende aan bij zijn mogelijkheden.

Een volwassene die regelmatig vastloopt in sociale situaties, kan baat hebben bij diagnostisch onderzoek naar autisme. Tegelijk kunnen meer begrip en passende verwachtingen zijn dagelijks leven verbeteren, ongeacht de uitkomst. Een goede hulpverlener kijkt daarom verder dan symptomen en classificaties. Wat speelt er in iemands leven? Welke problemen ervaart diegene zelf? Welke ondersteuning helpt werkelijk?

Ook zonder diagnose kunnen mensen behoefte hebben aan hulp. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk koppelen zorgsystemen, verzekeraars en maatschappelijke voorzieningen toegang tot ondersteuning soms aan formele classificaties. Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie: mensen moeten eerst aantonen dat ze een stoornis hebben voordat ze de hulp krijgen die hun omstandigheden misschien al veel eerder rechtvaardigden.

Wat kun je zelf met deze inzichten?

Voor wie psychische klachten ervaart, hoeft de discussie over medicalisering geen abstract maatschappelijk debat te blijven. Een paar vragen kunnen helpen om breder naar de eigen situatie te kijken:

  • Wanneer begonnen mijn klachten en wat veranderde er rond die tijd?
  • In welke omstandigheden nemen mijn problemen toe of juist af?
  • Heb ik vooral behoefte aan behandeling, praktische ondersteuning, veranderingen in mijn omgeving of een combinatie daarvan?
  • Wat zou ik willen verbeteren als ik geen rekening hoefde te houden met de verwachtingen van anderen?
  • Helpt een mogelijke diagnose mij om mezelf beter te begrijpen, of dreigt die mijn hele identiteit te gaan bepalen?

Deze vragen vervangen geen professionele beoordeling. Ze kunnen wel helpen om tijdens een gesprek met een huisarts, psycholoog of andere hulpverlener verder te kijken dan een lijst symptomen. Ook werkgevers, scholen en beleidsmakers kunnen zichzelf iets afvragen: verwachten we dat mensen zich eindeloos aanpassen, of zijn we bereid onze omgeving toegankelijker te maken?

Amarante, P. & Gomes, J.G. (2026). From the emergence of psychiatry to neoliberal logic: the commodification of contemporary suffering. Ciência & Saúde Coletiva, 31. https://doi.org/10.1590/1413-81232026319.18132025EN

Russell, G. e.a. (2022). Time trends in autism diagnosis over 20 years: a UK population-based cohort study. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 63(6), 674–682.

Sayal, K. e.a. (2018). ADHD in children and young people: prevalence, care pathways, and service provision. The Lancet Psychiatry, 5(2), 175–186.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *