Stel je een jongere voor die autistisch is, zich non-binair voelt en elke dag twijfelt over wat er op het bord ligt. Niet alleen omdat eten moeilijk is, maar ook omdat het lichaam “niet klopt” met hoe die zichzelf van binnen voelt. Moet je dan minder eten om vrouwelijke rondingen te verbergen? Of juist anders eten om meer “mannelijk” over te komen?
Zowel autistische mensen als trans en genderdiverse (TGD) mensen hebben een verhoogde kans op eetproblemen en eetstoornissen. Dat weten we al langer. Maar wat gebeurt er als iemand én autistisch én TGD is? Gaat het dan simpelweg om “dubbel risico”, of ontstaat er een heel eigen soort eetproblemen?
Een recente scoping review uit 2025 probeerde precies dat uit te zoeken. De onderzoekers doken in de wetenschappelijke literatuur over eetstoornissen en verstoord eetgedrag bij autistische TGD-mensen. Ze kozen daarbij nadrukkelijk voor een neurodiversiteitsvriendelijke en genderbevestigende bril. Het gaat dus niet om “wat er allemaal mis zou zijn met deze mensen”, maar om wat hen kwetsbaar maakt in een wereld die niet op hen is ingericht.
Wat opvalt: eetproblemen komen in deze groep extreem vaak voor, maar ze zien er lang niet altijd uit als de “klassieke” anorexia of boulimia uit de tv-series. En de redenen achter het eetgedrag zijn vaak anders dan hulpverleners gewend zijn.
Hoe is dit onderzocht?
De brontekst is een zogeheten scoping review. Dat is een soort onderzoeksverkenning: geen één grote nieuwe studie, maar een overzicht van wat er tot nu toe al bekend is. De onderzoekers zochten in meerdere grote databanken (zoals Medline, PsycINFO en Scopus) naar artikelen over eetstoornissen of verstoord eetgedrag bij autistische TGD-mensen.
Alleen studies telden mee als:
- deelnemers trans of genderdivers waren
- er sprake was van autisme (diagnose of gemeten autistische trekken)
- én er iets bekend was over eetstoornissen of verstoord eetgedrag
Uiteindelijk bleven er maar vijf studies over, gepubliceerd tussen 2021 en 2025. Vier waren vragenlijst- of dossierstudies (cross-sectioneel) en één was een kleine casusreeks met drie jongeren in behandeling. De onderzoeken kwamen uit de VS, het Verenigd Koninkrijk en Australië. De meeste deelnemers waren jongeren of jongvolwassenen; de totale groep autistische TGD-deelnemers liep in de honderden.
De onderzoekers gebruikten verschillende manieren om eetproblemen in kaart te brengen:
- zelf gerapporteerde diagnoses (bijvoorbeeld: “ik heb ooit anorexia gehad”)
- diagnoses uit medische dossiers
- vragenlijsten zoals de Eating Disorder Examination Questionnaire (EDE-Q)
- een specifieke vragenlijst voor ARFID (de Nine-Item ARFID Screen, NIAS)
Belangrijk detail: de auteurs zijn zelf allemaal genderdivers en sommigen zijn ook autistisch en/of hebben een eetstoornis (gehad). Zij kozen bewust voor niet-stigmatiserende taal en een neurodiversiteitsvriendelijk kader. Dat zie je terug in hoe ze schrijven: niet over “stoornissen”, maar over kenmerken, stress en omgeving.
De kwaliteit van de vijf studies was volgens een standaardchecklist redelijk tot goed. Tegelijk zijn het kleine, vaak eenmalige metingen, vooral in westerse landen en meestal bij witte deelnemers zonder verstandelijke beperking. Daarmee krijg je een scherp maar beperkt plaatje: wat we zien is waarschijnlijk echt, maar niet volledig.
Hoe vaak komen eetstoornissen hier voor?
De cijfers zijn schrikbarend hoog, maar hangen sterk af van hoe je telt. In één studie keken onderzoekers naar medische dossiers van autistische TGD-mensen. Daar vonden ze bij ongeveer 10 procent een eetstoornisdiagnose. Dat is al veel hoger dan in de algemene bevolking. Maar in een andere studie, waarin mensen zelf aangaven of ze ooit een eetstoornisdiagnose kregen, kwam dat uit op ruim de helft van de autistische TGD-deelnemers, zo’n 52 procent.
Dat enorme verschil vertelt iets belangrijks, namelijk dossiers laten zien wat er officieel gediagnosticeerd is en zelfrapportage laat zien wat mensen zelf herkennen en benoemen. Met andere woorden: een groot deel van de eetstoornissen komt waarschijnlijk nooit (of heel laat) in het dossier terecht.
Als je niet naar officiële labels kijkt, maar naar vragenlijstscores, zie je ook een patroon. In één studie scoorden autistische TGD-mensen hoger op eetstoornissymptomen dan TGD-mensen zonder autisme, en duidelijk hoger dan cisgender, niet-autistische mensen. Hun gemiddelde score bleef net onder de “klinische” grens, maar dat betekent vooral dat er veel subklinische klachten zijn: genoeg om het dagelijks leven te verstoren, te weinig om altijd een label te krijgen.
In een andere studie bij TGD-volwassenen met veel autistische trekken bleek bijna een derde zó kieskeurig, angstig of beperkt te eten dat ze boven de afkappunten van een ARFID-vragenlijst scoorden. Dat betekent niet dat ze allemaal de diagnose ARFID hebben, maar het laat wel zien dat dit soort eetpatronen veel voorkomt.
Kort samengevat: autistische TGD-mensen hebben vaker een eetstoornisdiagnose, vaker ernstige eetproblemen zonder diagnose, en vaker “atypische” eetpatronen dan cis en/of niet-autistische groepen.
Gender, lichaam en veiligheid
Voor TGD-mensen speelt het lichaam een rol die verder gaat dan “tevreden zijn met je gewicht”. Je lichaam bepaalt ook hoe anderen je zien: als man, als vrouw, als “anders” – of als doelwit.
De review beschrijft verschillende gendergebonden redenen waarom eten ontspoort. Denk aan voorbeelden als:
- een trans jongen die zoveel mogelijk afvalt, zodat zijn borst minder opvalt en zijn menstruatie stopt
- een transfeminien persoon die dun probeert te blijven, omdat “vrouwelijk” in onze cultuur vaak gelijkstaat aan slank
- een non-binair persoon die het lijf probeert “onleesbaar” te maken, bijvoorbeeld door extreme schommelingen in gewicht
Eten wordt dan een soort gereedschap om het lichaam dichter bij je gender te brengen, of om gevaar te verminderen. Minder rondingen kan betekenen: minder lastiggevallen worden op straat. Spiermassa kweken kan betekenen: serieuzer genomen worden als “man”.
Daar komt gender minority stress bovenop: het voortdurende extra stressniveau doordat je anders bent dan de norm. Denk aan misgendering, discriminatie, angst voor geweld, of families die je identiteit afwijzen. Die chronische stress werkt eetproblemen in de hand.
In de review zijn ook aanwijzingen dat interne transnegativiteit – jezelf diep van binnen “fout” of minder waard vinden vanwege je gender – eetproblemen kan vasthouden. Wie het zichzelf eigenlijk niet gunt om ruimte in te nemen, kan dat letterlijk gaan doen door zo min mogelijk te eten.
Voor iemand in Nederland of België kan dat er zo uitzien: je staat in de kleedkamer met collega’s, hoort opmerkingen over “mannelijk” of “vrouwelijk” lichaam, en besluit die dag minder te eten. Eerst af en toe. Later elke dag.
Autisme en eten: Prikkels, patronen en coping
Autisme voegt daar nog een hele laag aan toe. Veel autistische mensen kennen het wel: eten dat “te veel geluid maakt” in je mond, een geur waar je misselijk van wordt, of structuren (papperig, draadjesvlees, velletjes) die gewoon ondraaglijk voelen.
De review laat zien dat typische autistische kenmerken nauw samenhangen met eetproblemen. Bijvoorbeeld:
- sensorische overgevoeligheid: geluid, geur, structuur, temperatuur
- behoefte aan voorspelbaarheid en vaste routines
- moeite om lichamelijke signalen (honger, verzadiging) te herkennen
- zwart-witdenken en perfectionisme
In een van de studies was sensorische overgevoeligheid zelfs de sterkste voorspeller van ARFID-achtige klachten bij TGD-volwassenen met veel autistische trekken. ADHD-trekken hingen ook samen met eetproblemen, maar minder sterk dan sensorische issues.
Daarbij speelt eten vaak ook een rol als coping. Voor sommige autistische mensen geeft streng diëten een gevoel van controle in een wereld die chaotisch en onvoorspelbaar voelt. Voor anderen is eten juist een vorm van zelfkalmering: snacken om de overprikkeling te dempen.
Stel: je bent een autistische non-binaire student, je zit in een drukke kantine vol geluid, geuren en mensen die staren. Het eten is zacht, glibberig en ruikt sterk. Je besluit maar niets te nemen. De volgende dag sla je de kantine helemaal over. Na een tijdje eet je alleen nog een paar “veilige” producten. Fysiek red je het nog net, maar je zit voortdurend tegen de grens aan. Is dat een “eetstoornis”? Misschien nog niet volgens de checklist, maar wel een serieus probleem.
Meer dan één label: ADHD, minderheidsstress en andere kruispunten
De review laat zien dat het niet ophoudt bij de combinatie autisme + TGD + eetproblemen. Veel deelnemers hadden ook andere neurodivergente kenmerken, zoals ADHD. In één studie bleken ADHD-trekken samen te hangen met ARFID-symptomen bij TGD-volwassenen met veel autistische kenmerken. Dat is logisch: impulsiviteit, problemen met plannen en chaotische eetpatronen komen bij ADHD veel voor.
Daarnaast speelt minderheidsstress op meerdere fronten tegelijk. Autistisch én TGD zijn betekent al twee “afwijkingen van de norm” in een vaak weinig begripvolle samenleving. Daarbovenop komen soms nog een niet-heteroseksuele oriëntatie, een migratieachtergrond, armoede of racisme.
De review benadrukt dat we nog weinig weten over hoe die verschillende vormen van marginalisatie samenklonteren. De meeste deelnemers waren wit en leefden in rijke landen. Maar uit andere onderzoeken weten we dat hoe meer minderheidsidentiteiten iemand heeft, hoe groter de kans op psychische klachten en eetproblemen.
Voor Nederland en België kun je je bijvoorbeeld voorstellen:
- een autistische, TGD tiener van kleur die racisme én transfobie én onbegrip rond autisme meemaakt
- een non-binaire volwassene met autisme die in een streng religieuze omgeving leeft
- iemand met een laag inkomen die weinig toegang heeft tot passende zorg en gezonde voeding
De huidige cijfers zeggen dus waarschijnlijk vooral iets over de mensen die wél de weg naar onderzoek en zorg vinden. De groep die buiten beeld blijft, kan nog kwetsbaarder zijn.
Zorg met drie brillen tegelijk: Autisme, gender en eten in de behandelkamer
Wat betekent dit alles in de behandelkamer? De korte versie: autistische TGD-mensen passen vaak slecht in de standaard “eetstoornisprogramma’s”. In de casusreeks uit de review volgden drie autistische TGD-jongeren behandeling voor hun eetstoornis. Ze kregen:
- genderbevestigende zorg (zoals hormonen)
- een autismediagnose en uitleg
- dieetadvies
- therapie gericht op eetstoornissen en emotieregulatie
- soms medicatie
Hun lichamelijke gezondheid verbeterde: ze aten regelmatiger en kwamen aan waar dat nodig was. Maar bij twee van de drie bleven eetproblemen aanwezig, zoals binge-eten of opnieuw beperken. Dat suggereert dat “standaardbehandeling + hormonen” niet automatisch alles oplost.
Een andere studie liet zien dat autistische TGD-mensen vaker graag genderbevestigende hormonen of operaties wilden, maar die minder vaak ook echt kregen dan TGD-mensen zonder autisme. Ze zaten dus vaker vast tussen wens en werkelijkheid. Intussen bleven de eetproblemen doorlopen.
In Nederland en België is zorg bovendien sterk opgedeeld:
- aparte trajecten voor autisme
- aparte trajecten voor gender
- aparte trajecten voor eetstoornissen
Wie in alle drie de hokjes valt, loopt grote kans om tussen de mazen van het net te glippen. De ene instelling vindt de genderzorg “nog even te ingewikkeld”, de andere weet weinig van autisme, en de eetstoorniszorg voelt te prikkelrijk, te strak in de structuur of te weinig genderbevestigend.
De review pleit daarom voor zorg waarin minstens drie brillen tegelijk op tafel liggen: autisme, genderdiversiteit en eetgedrag. En bij voorkeur met ervaringsdeskundigen aan boord die weten hoe het is om met deze combinatie te leven.
Wat betekent dit voor Nederland en België? Kansen én blinde vlekken
In Nederland en België bestaan goede initiatieven voor autisme, genderzorg en eetstoornissen – maar vaak los van elkaar. Wachtlijsten zijn lang, doorverwijzingen ingewikkeld en systemen niet op elkaar afgestemd. Voor iemand die autistisch én TGD is én eetproblemen heeft, kan de route ongeveer zo voelen als een speurtocht zonder kaart.
De bevindingen uit de review zijn niet één-op-één te vertalen naar onze situatie, maar ze geven wel duidelijke waarschuwingen:
- reken er niet op dat eetproblemen vanzelf worden gezien bij autistische TGD-mensen
- verwacht atypische eetpatronen (zoals ARFID) en niet alleen “klassieke” anorexia
- ga niet uit van één oorzaak: het gaat bijna altijd om een mix van prikkels, genderdysforie, stress en omgeving
In Nederland en België ligt hier een taak voor huisartsen, GGZ-instellingen, genderteams en eetstoorniscentra om beter samen te werken. Denk aan gezamenlijke intake, afgestemde begeleiding en ruimte voor aanpassingen: prikkelarme omgeving, heldere communicatie, respect voor naam, voornaamwoorden en identiteit.
Voor organisaties die met autistische en/of TGD-mensen werken (scholen, werkgevers, hulpverlening) betekent het ook: let op signalen van eetproblemen, ook als iemand niet “mager genoeg” lijkt om in het stereotype plaatje te passen.
Wat kun je zelf doen – als je zelf TGD en autistisch bent, of als naaste
Geen enkel artikel lost eetproblemen op. Maar je kunt wel beter gewapend het gesprek met jezelf en met hulpverleners ingaan. En als naaste kun je veel betekenen zonder politieagent van het bord te worden.
Ben je zelf autistisch en TGD en herken je eetproblemen?
- Neem je klachten serieus, ook als je gewicht “normaal” is. De studies laten zien dat veel problemen onzichtbaar blijven omdat mensen niet in het stereotype plaatje passen.
- Probeer voor jezelf te scheiden: wat is puur sensorisch (structuur, geur, geluid), wat gaat over genderdysforie, en wat over stress of emoties? Dat kan je helpen om gerichter hulp te vragen.
- Vertel een hulpverlener expliciet dat je autistisch én TGD bent, en dat je eetgedrag daar mee te maken heeft. Je mag vragen om aanpassingen: duidelijke uitleg, weinig prikkels, extra tijd, respect voor je naam en voornaamwoorden.
- Zoek waar mogelijk steun bij lotgenoten, online of offline. Anderen met dezelfde combinatie van ervaringen kunnen soms beter meedenken dan een netjes opgezet protocol.
Ben je ouder, partner, vriend of hulpverlener?
- Let niet alleen op “hoeveel iemand weegt”, maar op hoe obsessief iemand met eten, lichaamsvorm of veiligheid bezig is.
- Maak het gesprek veilig: geen opmerkingen over “dik” of “slank”, wel nieuwsgierigheid naar wat het lichaam en eten voor iemand betekenen.
- Bied steun in de zoektocht naar passende zorg. Het systeem is ingewikkeld; samen bellen, mailen en formulieren invullen kan al een groot verschil maken.
En heel belangrijk: jij als naaste hoeft het probleem niet op te lossen. Je aanwezigheid, geduld en bereidheid om te luisteren zonder te oordelen, zijn al een vorm van tegenkracht tegen de minderheidsstress waar deze groep dagelijks mee te maken heeft.
Dit artikel wil vooral zicht geven op waarom de combinatie van autisme, genderdiversiteit en eten zo kwetsbaar is. Het vervangt geen professionele hulp. Als je jezelf of iemand in je omgeving in deze beschrijving herkent en je maakt je zorgen, neem dan contact op met je huisarts of een vertrouwde hulpverlener. Je mag om zorg vragen die bij jóu past – zelfs als je niet in één netjes omlijnd hokje past.
White LCJ, Schweizer K, Thomas KS. Disordered eating in autistic trans and gender diverse people: a lived experience-led scoping review. J Eat Disord. 2025 Nov 19;13(1):266. doi: 10.1186/s40337-025-01447-z. PMID: 41258180; PMCID: PMC12628929.



