Wat Plato ons leert over het loslaten van ongezonde relaties

Als je de naam Plato hoort, denk je misschien aan stoffige boeken, filosofen met baarden en vage ideeën over “de waarheid”. Niet direct aan jouw relatie, je familie of die ene vriendschap waar je al veel te lang energie in steekt.

Toch lijkt het levensverhaal van Plato verdacht veel op iets waar veel mensen mee worstelen: blijven proberen om iemand te veranderen die daar zelf nog helemaal niet klaar voor is. In zijn geval ging het om een jonge machthebber, Dionysius II. In jouw geval gaat het misschien om een partner met verslavingsproblemen, een ouder die steeds dezelfde pijnlijke patronen herhaalt, een vriend(in) die altijd belooft reking met je te houden – en het dan toch weer niet doet.

Plato reisde drie keer naar Sicilië om die jonge heerser, Dionysius II, op het rechte pad te krijgen. Drie keer hoop, teleurstelling en bijna-rampscenario’s. Dat klinkt niet alleen als een oud verhaal, maar ook als een patroon dat je misschien maar al te goed kent:

  • Je ziet iemands potentieel.
  • Je gelooft in groei, ontwikkeling, “als hij/zij nou maar…”.
  • Je gaat nóg een keer het gesprek aan.
  • Je geeft nóg een kans.

Voor veel neurodivergente mensen – met autisme, ADHD, dyslexie, hoogbegaafdheid – is dit extra herkenbaar. Je rechtvaardigheidsgevoel is sterk, je voelt je snel verantwoordelijk, je kunt heel loyaal zijn. En dus blijf je investeren, lang nadat je batterij eigenlijk leeg is.

Plato’s verhaal kan dan een soort waarschuwingsbord zijn: misschien is het tijd om te kijken of jij ook steeds weer naar “Sicilië” zeilt.

Drie reizen, één patroon: Plato’s Sicilië-drama

Op zijn eerste bezoek (387 v.Chr.) gaat Plato naar Syracuse, een machtige stadstaat op Sicilië. Daar ontmoet hij Dionysius I, een tiran met veel macht en weinig zelfreflectie. Plato praat over rechtvaardigheid, matigheid, een eerlijk bestuur. De tiran voelt zich aangevallen. Het loopt niet goed af. De positieve uitzondering: Dion, de zwager van de tiran, raakt juist diep geraakt door Plato’s ideeën.

Dan, jaren later, komt de zoon van de tiran aan de macht: Dionysius II. Dion denkt: dit is onze kans. Een jonge heerser, beïnvloedbaar, misschien wel de perfecte kandidaat om een “filosoof-koning” te worden – precies het soort leider waar Plato over schrijft. Dion haalt Plato over om terug te komen. Dat is de tweede reis (367 v.Chr.).

In het begin lijkt het veelbelovend. Dionysius II luistert, stelt vragen, toont interesse. Maar als de filosofie niet alleen leuke gesprekken blijkt te zijn, maar ook discipline, zelfkritiek en ongemak, haakt hij af. Hij is gewend aan luxe, vleierij en directe beloning. Serieuze innerlijke groei? Liever niet. Na veel gedoe vertrekt Plato opnieuw, zonder het gewenste resultaat.

Dan gebeurt er iets wat voor veel lezers pijnlijk herkenbaar kan zijn: ondanks alle signalen gaat Plato nog één keer terug. De derde reis (361 v.Chr.). Dionysius II heeft beloofd dat hij nu écht de filosofie wil omarmen. Plato hoopt dat het deze keer anders zal zijn.

Maar in een van zijn brieven (Brief 7) schrijft Plato later dat Dionysius II eigenlijk nooit de echte motivatie had. Misschien een kortstondige nieuwsgierigheid, misschien een showtje voor de buitenwereld – maar geen diep verlangen om zichzelf te veranderen. De tiran wil een filosofische uitstraling, niet het zware innerlijke werk dat daarbij hoort. Het loopt opnieuw mis, Plato ontsnapt ternauwernood.

Als je het zo leest, zie je een patroon:

  • Iemand zegt dat hij wil veranderen.
  • Er komt een nieuwe poging.
  • Het wordt even beter.
  • De oude patronen keren terug.

Klinkt dat een beetje herkenbaar?

Herken jij een “Dionysius II” in je leven?

Misschien heb jij geen tiran in je telefoonlijst staan – maar mogelijk wél iemand die je aan Dionysius II doet denken.

Denk aan:

  • Een partner die na elk conflict zegt: “Ik ga echt in therapie, ik beloof het”, maar telkens “geen tijd” heeft.
  • Een familielid dat steeds geld leent, alles verbrast en vervolgens vol spijt zegt dat het nooit meer gebeurt.
  • Een vriend(in) die keer op keer over je grenzen gaat, huilt, belooft te veranderen… en dan weer in hetzelfde gedrag terugvalt.
  • Een collega die afspraken saboteert, excuses stapelt en toch telkens jouw steun verwacht.

Typische signalen:

  • Ze zeggen dat ze willen veranderen, maar haken af als het lastig wordt.
  • Hun omgeving versterkt hun gedrag: mensen dekken ze in of draaien om hun buien heen.
  • Ze laten soms even een lichtstraaltje zien – een gesprek, een inzicht – maar pakken vervolgens niet door.
  • Er zijn wel woorden, maar geen daden.

Jij denkt mee, jij zoekt oplossingen, jij leest artikelen, jij stuurt links naar hulpverlening, jij blijft geduldig uitleggen. Je speelt de rol van Plato: de persoon die probeert iemand naar gezondheid, eerlijkheid of volwassenheid te begeleiden.

Voor veel neurodivergente mensen is dat extra ingewikkeld:

  • Je kunt extreem loyaal zijn: “Je laat mensen niet vallen.”
  • Je denkt analytisch: “Als ik het nog één keer beter uitleg, snapt hij/zij het misschien wél.”
  • Je hebt misschien zelf vaak gehoord dat jij je moest aanpassen, dus je voelt je bijna verplicht om ook anderen eindeloze kansen te geven.

En voor je het weet, ben je alweer onderweg naar Sicilië.

Waarom jij iemand niet kunt “fixen” – ook al zie je zijn of haar potentieel

Een harde waarheid, maar wel een belangrijke: je kunt een ander mens niet veranderen als die persoon dat zelf niet wil. Hoe groot het potentieel ook is dat jij in die persoon ziet.

Echte verandering vraagt een paar dingen:

  • Interne motivatie: Niet: “Ik verander omdat jij dreigt weg te gaan”, maar: “Ik wil dit zélf niet meer.”
  • Bereidheid tot ongemak: Veranderen is zelden leuk. Therapie, schuld erkennen, excuses maken, grenzen accepteren – het schuurt.
  • Consistentie: Niet één week goed gedrag en daarna terugvallen, maar maanden en jaren oefenen, vallen, opstaan, weer verder.
  • Een omgeving die niet alles gladstrijkt: Als er altijd iemand klaarstaat om de rotzooi op te ruimen, is er weinig reden om het anders te doen.

Dionysius II had dit allemaal niet. Hij zat in een hof vol vleiers, hij voelde de gevolgen van zijn gedrag nauwelijks, en hij koos keer op keer voor gemak boven groei.

Dat zie je ook nu nog. Iemand die:

  • pas “gemotiveerd” lijkt als jij dreigt weg te gaan;
  • de schuld bij omstandigheden legt (“Ik had stress”, “mijn jeugd was zo zwaar”, “de GGZ helpt me niet”);
  • vooral bezig is met er goed uitzien naar de buitenwereld, maar niet met het echt veranderen van gedrag.

Dat betekent niet dat mensen nooit veranderen. Dat doen ze wél – maar alleen als:

  1. ze zelf voelen dat het zo niet langer kan,
  2. ze zelf verantwoordelijkheid nemen,
  3. ze zelf de eerste stappen zetten, ook als niemand meekijkt.

Jij kunt iemand inspireren, ondersteunen, meedenken. Maar je kunt nooit het “innerlijke werk” voor een ander doen. Hoe slim, empathisch of zorgzaam je ook bent.

Waarom je tóch blijft teruggaan

Als het zo duidelijk is, waarom blijven we dan vaak tóch in zulke relaties hangen? Waarom bleef Plato zelfs na twee mislukte reizen nóg een keer gaan?

Een paar krachtige krachten spelen mee:

  • Hoop: “Als hij nu zó spijt heeft, dan moet het deze keer wel anders zijn.” Zeker als iemand ook mooie kanten heeft, blijft die hoop je trekken.
  • Schuldgevoel: Je denkt: “Misschien ben ik te streng… misschien vraag ik te veel… misschien ligt het ook aan mij.”
  • Loyaliteit: Je laat je partner, ouder, kind of vriend niet zomaar vallen. Zeker niet als die persoon kwetsbaar is, psychische problemen heeft of “niemand anders heeft”.
  • Angst voor verlies: Liever een slechte relatie dan helemaal alleen? Dat gevoel kan heel sterk zijn, zeker als je sociale kring klein is.
  • Bekend is veilig: Zelfs als iets ongezond is, voelt het vertrouwd. Onzekerheid over een leven zonder die persoon kan eng zijn.

Voor neurodivergente mensen komt daar nog iets bij:

  • Een sterk rechtvaardigheidsgevoel: “Iedereen verdient een kans.”
  • Neiging tot zwart-witdenken: óf volledig trouw blijven, óf het gevoel een “slecht mens” te zijn.
  • Moeite met verandering en verlies van structuur: zelfs een slechte relatie geeft structuur, voorspelbaarheid, een rol.

Zo ontstaat een cyclus:

  1. Crisis.
  2. Grote beloften van verandering.
  3. Korte verbetering.
  4. Terugval in oud gedrag.
  5. Jij twijfelt, maar blijft.
  6. Terug naar stap 1.

En elke keer is er een nieuw excuus om tóch weer aan boord te stappen naar Sicilië.

De prijs van blijven zeilen

Het probleem is dat dit patroon niet gratis is. Je betaalt er een prijs voor, vaak in je zenuwstelsel, je lichaam en je dagelijks leven.

Mogelijke gevolgen:

  • Constante stress: Je bent steeds “aan”: wachten op het volgende incident, de volgende ruzie, het volgende drama.
  • Slaapproblemen: Piekeren ’s nachts, gesprekken in je hoofd herhalen, spanning in je lijf.
  • Overprikkeling: Zeker als je autistisch bent of ADHD hebt: geluiden, emoties, berichten, onverwachte wendingen – alles stapelt zich op.
  • Concentratieproblemen: Op je werk of studie kun je je moeilijk focussen, omdat thuis alles brandt.
  • Depressieve gevoelens of angstklachten: Je voelt je machteloos, uitgeput, soms ook waardeloos: “Blijkbaar ben ik het niet waard dat iemand echt verandert.”

In ons land hoor je vaak: “Je moet er gewoon over praten.” Maar als je al járen praat, grenzen probeert, uitlegt, huilt, schikt… dan is praten soms niet meer de oplossing, maar onderdeel van de cirkel.

En let op: als jij steeds de gevolgen opvangt – bellen met hulpinstanties, financiële gaten dichten, smoesjes bedenken richting werk of familie – dan neem jij precies die pijn weg die iemand misschien nodig heeft om écht te gaan veranderen.

Dan ben jij niet alleen partner, vriend of kind, maar ook brandweerman, boekhouder, therapeut en PR-afdeling. En ondertussen raakt jouw eigen leven steeds meer op de achtergrond.

Grenzen stellen zonder kil te worden

“Grenzen stellen” klinkt vaak heel stoer in zelfhulpboeken, maar in het echte leven voelt het eerder als een emotionele openhartoperatie. Zeker als je veel empathie hebt en de ander ook oprecht kwetsbaar is.

Toch zijn grenzen geen straf. Grenzen zijn een vorm van zelfzorg én eerlijkheid. Een paar ideeën:

  • Wees concreet in plaats van vaag: In plaats van: “Je moet echt veranderen”, kun je zeggen: “Als jij weer dronken thuiskomt, slaap ik niet meer bij jou in bed.”
    “Als jij geld van mij leent en niet terugbetaalt, leen ik je daarna niets meer.”
  • Verwar helpen niet met redden: Helpen: meegaan naar een eerste gesprek bij de huisarts, samen kijken naar opties voor therapie.
    Redden: zelf alle afspraken plannen, alles regelen, dossiers invullen, en ondertussen jouw eigen agenda leegvegen.
  • Leg de verantwoordelijkheid waar die hoort: “Ik ben bereid om er voor je te zijn, maar ik kan jouw therapie, jouw keuzes en jouw gedrag niet voor je doen.”
  • Stel grenzen in tijd en energie: Bijvoorbeeld: “Ik wil nu graag een half uur rustig praten. Daarna ga ik slapen.” Of: “Ik kan hier vanavond niet over appen. Morgen om 19.00 wil ik er wel even over bellen.”

In de praktijk in Nederland en België spelen ook dingen mee zoals:

  • lange wachtlijsten in de GGZ;
  • familie en vrienden die je onder druk zetten: “Je kunt hem toch niet laten vallen, hij heeft het al zo zwaar”;
  • een kleine sociale kring, waardoor de angst om iemand kwijt te raken extra groot is.

Grenzen stellen betekent niet dat je kil of hard wordt. Het betekent dat je erkent dat jouw leven ook telt. Dat jouw gezondheid, jouw rust en jouw waarden net zo belangrijk zijn als die van de ander.

En soms betekent het ook: afstand nemen. Niet om de ander te straffen, maar om jezelf te beschermen én de ander de kans te geven eindelijk de volle impact van zijn of haar gedrag te voelen.

Terug naar Athene: Kiezen voor je eigen leven

Na zijn avonturen in Sicilië gaat Plato terug naar Athene. Daar stort hij zich op zijn eigen werk: hij bouwt zijn Academie uit en schrijft dialogen, waaronder de Politeia (De Republiek). In dat werk schrijft hij dat je eerst jezelf goed moet leren besturen voor je anderen kunt leiden.

Je zou kunnen zeggen: Plato stopte met proberen Syracuse te redden, en ging zich richten op zijn eigen “Athene”.

Voor jou kan dat betekenen:

  • Tijd en energie steken in je eigen herstel: rust, hobby’s, therapie, medicatie als dat past, beweging.
  • Zoeken naar een omgeving waar jij niet de redder hoeft te zijn: vrienden, lotgenotengroepen, online communities zoals Autsider, misschien een neurodiversiteitsvriendelijke therapeut.
  • Werken aan je eigen “innerlijke grondwet”:
    • Wat zijn jouw waarden?
    • Welke relatievormen passen bij jou?
    • Hoe wil jij behandeld worden?
    • Wat zijn jouw “non-negotiables”?

Dat betekent niet dat je nooit meer mag hopen dat iemand verandert. Maar wel dat jouw leven niet langer volledig om die hoop draait.

Misschien ontdek je dan dat jouw mooiste bijdragen, relaties en projecten niet ontstaan in de strijd om één persoon te “redden”, maar juist daar waar je gezien wordt zoals je bent, waar wederkerigheid bestaat en waar je niet steeds bang hoeft te zijn voor de volgende explosie.

Plato’s nalatenschap kwam niet voort uit een hervormde tiran op Sicilië, maar uit zijn keuze om terug te keren naar zijn eigen basis, zijn eigen mensen, zijn eigen werk.

Misschien is dat ook voor jou een uitnodiging: je mag stoppen met zeilen naar Sicilië. Je mag koers zetten naar jouw Athene.

Plato. (1969). Politeia. In Plato in Twelve Volumes (Vols. 5 & 6, P. Shorey, Trans.). Harvard University Press.
Plato. (1966). Letter 7. In Plato in Twelve Volumes (Vol. 9, R. G. Bury, Trans.). Harvard University Press.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.