Stel je voor: je staat bij de kassa van de supermarkt. Een onbekende voor je komt een euro tekort. Veel mensen zouden even aarzelen, wegkijken of toch maar niet helpen. Maar sommige mensen trekken zonder nadenken een muntje uit hun zak. Niet omdat ze de persoon kennen, maar omdat ze vinden dat het zo hoort.
Nieuw onderzoek laat zien dat autistische volwassenen precies dát vaker doen: gul zijn naar mensen die verder van hen af staan. Niet naar iedereen, en niet altijd, maar wel op een opvallende en consistente manier. Daarmee verschuift het beeld van autisme als iets waarbij sociale interactie vooral moeilijk verloopt. Ja, sociale situaties vragen vaak veel energie en kunnen ingewikkeld zijn. Maar het betekent niet dat autistische mensen minder geven om anderen. Soms lijken ze juist op plekken te bloeien waar de meeste mensen een stapje terug doen.
Een internationaal team onderzoekers wilde weten waar dat gedrag vandaan komt. Ligt het aan een andere manier van kijken naar relaties? Een andere norm van eerlijkheid? Of komt het simpelweg doordat autistische deelnemers vaker hetzelfde antwoord kiezen in taken, zoals wel eens wordt gedacht? Een studie van Forbes en collega’s uit 2025 geeft verrassend duidelijke antwoorden — én zet een paar hardnekkige aannames op z’n kop.
Wat is sociale afstand en waarom doet het ertoe?
We geven niet aan iedereen hetzelfde. Dat is geen schokkend inzicht, maar wel één dat belangrijk is om te begrijpen wat de onderzoekers precies wilden meten. Denk aan deze drie situaties:
- Je beste vriend heeft z’n pinpas vergeten. Je schiet hem zonder nadenken 20 euro voor.
- Een collega die je niet heel goed kent vraagt of jij zijn koffie wilt meebetalen. Je twijfelt even.
- Een vreemde op straat vraagt om geld. De meeste mensen geven niets of iets kleins.
Dat verschil noemen onderzoekers sociale afstand: hoe dichter iemand emotioneel bij je staat, hoe makkelijker het voelt om te delen. Normaal gesproken daalt onze gulheid dus naarmate iemand verder weg staat in onze sociale kring.
Maar eerdere studies lieten iets opvallends zien. Autistische volwassenen geven zéker net zoveel aan mensen die dichtbij staan, maar aan mensen die verder weg staan — collega’s, vage bekenden, onbekenden — geven ze juist meer dan niet-autistische volwassenen. De daling in gulheid is bij hen minder steil. Alsof de regels van nabijheid minder zwaar wegen, en er een andere logica meespeelt.
Het onderzoek onder de loep
Hoe test je of iemand écht prosociaal — dus gericht op het welzijn van anderen — handelt, zonder dat andere factoren het beeld vertroebelen? De onderzoekers gebruikten een slimme methode: de Social Value Orientation-vragenlijst (SVO).
In deze taak zie je steeds twee bedragen: één voor jezelf, één voor een ander. Via een schuifbalk kies je hoe je het geld verdeelt. Soms levert dat jou meer op, soms de ander, en soms beiden ongeveer evenveel. Door zes van dit soort keuzes te maken per persoon, konden de onderzoekers een soort “prosociale hoek” berekenen: een getal dat laat zien hoe gul of juist hoe individualistisch iemand is.
Belangrijk: elke vraag is anders. Je kunt dus niet steeds blind dezelfde schuifpositie kiezen, zoals in eerdere onderzoeken mogelijk kon gebeuren. Zo voorkwamen de onderzoekers dat een voorkeur voor herhaling het resultaat zou vertekenen.
De deelnemers deden deze taak voor zes verschillende ‘personen’:
een zeer naaste, iemand op een kleine afstand, een kennis, iemand die ze vaag kennen, en uiteindelijk een compleet onbekende. Ze moesten ook daadwerkelijk een naam of initialen invullen voor de personen die ze kenden, zodat het geen abstracte oefening werd.
Met 37 autistische en 38 niet-autistische volwassenen vergeleken de onderzoekers hoeveel geld de deelnemers aan zichzelf en aan die verschillende personen gunden.
Autistische volwassenen delen anders — maar niet minder
De uitkomst was helder: autistische volwassenen waren net zo gul naar mensen die dichtbij stonden, maar aanzienlijk guller naar degenen die op grotere sociale afstand stonden. Je kunt het je als volgt voorstellen:
Sanne (niet-autistisch) en Job (autistisch) krijgen beiden de keuze om tien euro te verdelen met een onbekende. Sanne denkt: ik ken die persoon niet, dus vijf euro voor die ander vind ik eigenlijk al flink. Job denkt: eerlijk is eerlijk, ik zou ook vijf willen krijgen als de rollen waren omgedraaid. Hij geeft dus zes of zeven euro weg.
Niet omdat hij de onbekende mag. Niet omdat hij emotioneel overloopt van warmte. Maar omdat hij vanuit een intern kompas handelt dat zegt: eerlijkheid moet consistent zijn, ongeacht wie er tegenover je staat.
De onderzoekers zagen dat autistische deelnemers vooral verschillen lieten zien op de grotere afstanden: bij personen die ze vaag kenden, bijna niet kenden, of helemaal niet kenden. Daar namen ze gemiddeld meer prosociale beslissingen dan de niet-autistische deelnemers.
Dat betekent niet dat alle autistische mensen guller zijn. Het betekent óók niet dat guller hetzelfde is als ‘socialer’. Maar het laat wel zien dat sommige vormen van sociaal gedrag in autisme anders verlopen dan vaak wordt aangenomen.
Een andere kijk op geld?
Omdat geld vaak beladen is wilden de onderzoekers weten of autistische mensen misschien anders denken over geld. Ze gebruikten daarvoor een vragenlijst over geldattitudes. Denk aan uitspraken als:
- Geld geeft vrijheid.
- Geld laat zien hoe succesvol je bent.
- Ik geef graag aan mensen van wie ik houd.
- Ik spaar liever dan dat ik geld uitgeef.
Maar hier vonden ze geen verschillen. Beide groepen scoorden ongeveer hetzelfde op alle onderdelen. Dat betekent dat de gevonden verschillen in gulheid niet kunnen worden verklaard door andere meningen over geld. Kortom: het gaat niet om geld. Het gaat om sociale logica.
Waar komt die gulheid dan vandaan? Het fairness-spoor
De onderzoekers vermoeden dat het antwoord ligt in hoe sommige autistische volwassenen met regels omgaan — vooral met regels rond eerlijkheid.
Veel autistische mensen houden ervan als regels duidelijk zijn. Niet omdat ze “star” zouden zijn, maar omdat voorspelbaarheid rust geeft en willekeur stress oplevert. Bij eerlijkheid liggen zulke regels vaak voor het oprapen: wat jij krijgt, zou een ander ook moeten krijgen. Of iedereen krijgt evenveel. Of je geeft wat je redelijk vindt, ongeacht wie de ontvanger is.
In studies naar moraliteit en autisme scoort fairness al langer hoog. Autistische volwassenen blijken:
- consequenter in morele beslissingen,
- minder gevoelig voor sociale druk of status,
- meer geneigd regels strikt toe te passen,
- en minder geneigd uitzonderingen te maken op basis van wie iemand is.
Dat kan in sociale situaties lastig zijn (“Hoezo mag híj wel te laat komen en ik niet?”), maar in andere situaties juist heel waardevol. Denk aan werkplekken waar rechtvaardigheid, duidelijkheid en transparantie belangrijk zijn.
Het fairness-idee verklaart dus mogelijk waarom autistische deelnemers ook naar vreemden gul blijven: als het eerlijk is, is het eerlijk, punt.
Toch is dit nog geen bewezen verklaring. De onderzoekers geven zelf aan dat vervolgonderzoek nodig is om dit verder uit te pluizen. Is het een kwestie van fairness? Van consequent handelen? Of van minder gevoeligheid voor sociale hiërarchieën? Mogelijk is het een mix van factoren.
Wat betekent dit voor het dagelijks leven?
De bevindingen zetten een bekend stereotype op zijn kop: dat autistische mensen moeite met sociale relaties zouden hebben en minder betrokken of minder empathisch zouden zijn.
Maar in praktijk zien we iets anders. Op veel werkvloeren in Nederland en België vallen autistische collega’s juist op door hun betrouwbaarheid, redelijkheid en consequentie. In vriendschappen kunnen ze uiterst loyaal zijn. In vrijwilligerswerk of buurtinitiatieven blijken ze vaak de mensen die “gewoon doen wat gedaan moet worden”, zonder bijbedoelingen.
De studie laat zien dat sociaal gedrag niet draait om charme, smalltalk of emoties kunnen lezen. Soms draait het juist om principes, eerlijkheid en consistentie. En laten dat nu net domeinen zijn waarin veel neurodivergente mensen uitblinken.
Beperkingen van het onderzoek en waarom dat niks afdoet aan de boodschap
Zoals altijd is er nuance nodig. De deelnemers waren volwassenen met een officiële diagnose, hadden relatief weinig dagelijkse ondersteuning nodig, verbaal sterk en vaak hoogopgeleid.
De resultaten zeggen dus nog niet alles over autistische mensen met hogere ondersteuningsbehoeften, niet-sprekende autistische volwassenen of mensen met bijkomende psychische klachten.
Ook blijft de rol van cultuur onderbelicht. Wat geldt voor deelnemers in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland of Japan, hoeft niet precies zo te werken in de Lage Landen, waar de cultuur rond geld, gulheid en sociale omgang anders is. We staan hier niet zo bekend om overdreven vrijgevigheid, maar eerder om nuchtere redelijkheid. Precies dat zou kunnen verklaren waarom Nederlandse en Belgische autistische volwassenen misschien nóg consequenter handelen in geldverdelingsvragen.
Toch blijft de kern overeind: autistische volwassenen tonen in meerdere landen en studies een opvallend consistente prosociale tendens naar vreemden.
Wat nemen we hiervan mee?
Autisme betekent niet minder sociaal zijn. Het betekent soms anders sociaal zijn.
Autistische volwassenen blijken — verrassend voor wie het stereotype van “geen empathie” nog niet heeft losgelaten — vaak gul naar mensen met wie ze weinig binding hebben. Niet omdat ze sociaal moeten of willen scoren. Niet omdat ze impulsief geven. Maar omdat hun interne kompas zegt dat eerlijkheid niet selectief hoort te zijn.
In een samenleving waarin veel sociale regels onuitgesproken en inconsistent zijn, biedt die vorm van rechtlijnigheid misschien een frisse wind. Een wind die zegt: als je geeft, geef dan eerlijk. Niet alleen aan wie dichtbij staat, maar ook aan wie verder weg staat. Dat is geen tekort. Dat is een kwaliteit.
Forbes, P. A., Hughes, G., Schilbach, L., White, S., & Kalenscher, T. (2025). Increased prosocial value orientation in autistic adults. Autism, 0(0). https://doi.org/10.1177/13623613251385029



