Neurofeedback bij autisme: Breintraining of mooi verhaal?

Geen pillen, geen zware gesprekken, maar simpelweg leren je hersenactiviteit bij te sturen met hulp van piepjes, balkjes of een spelletje op een scherm. Klinkt aantrekkelijk. Zeker als je al jaren het gevoel hebt dat je lichaam voortdurend “aan” staat: prikkels komen hard binnen, emoties lopen sneller over, focus schiet alle kanten op of je zit juist vast. Maar hier komt de kritische vraag: traint neurofeedback vooral je brein, of vooral je hoop?

In dit artikel nemen we je mee langs wat neurofeedback is, wat het bij autisme belooft, wat de wetenschap tot nu toe laat zien (en wat nog niet), en hoe je in Nederland en Vlaanderen het kaf van het koren kunt scheiden als je het overweegt.

Wat is neurofeedback?

Neurofeedback is biofeedback, maar dan specifiek met hersensignalen. Meestal gaat het om EEG: plakkers op je hoofd meten elektrische activiteit, en een computer vertaalt die activiteit in directe feedback. Dat kan een bewegende balk zijn, een toon die hoger of lager wordt, of een game die alleen “goed loopt” als je hersenactiviteit binnen een bepaald patroon blijft.

Het idee is simpel: je leert door oefening (en beloning) om je hersenactiviteit te beïnvloeden. Net zoals je leert fietsen door vallen, bijsturen en opnieuw proberen, leer je hier “hersenen bijsturen” door zien wat werkt en wat niet.

neurofeedback is geen één soort training. Verschillende aanbieders trainen verschillende hersengolven (theta, beta, gamma), op verschillende plekken op het hoofd, met verschillende doelen, met verschillende sessie-aantallen. “Neurofeedback” is dus een verzamelnaam, geen standaardrecept.

Waarom neurofeedback bij autisme?

Autisme gaat vaak samen met dingen die je heel goed kunt voelen, maar lastig kunt uitleggen: overprikkeling, stressreacties, moeite met schakelen, slaapproblemen, emotie-overloop, concentratieproblemen. En veel behandelingen richten zich vooral op gedrag: wat je doet, hoe je reageert, hoe je communiceert.

Neurofeedback belooft iets anders: niet alleen aan gedrag sleutelen, maar aan de “basisinstellingen” in het brein. Dat voelt logisch voor veel mensen met autisme. Want als je zenuwstelsel altijd op scherp staat, waarom zou je dan niet trainen op dat niveau?

Bij AuDHD komt daar nog iets bij: als aandacht en beloningssystemen anders afgesteld staan, klinkt “aandachts-training” meteen aantrekkelijk. Zeker als je ervaringen met medicatie wisselend zijn of als je vooral last hebt van bijwerkingen.

Wat belooft neurofeedback bij autisme?

Aanbieders noemen vaak een brede lijst. In onderzoek zie je vooral deze domeinen terug:

  • Sociale communicatie: Bijvoorbeeld: beter aanvoelen wat er speelt, makkelijker sociaal contact aangaan, minder “misverstanden” in interacties.
  • Emotieregulatie en stress: Bijvoorbeeld: minder ontploffen, minder shutdowns, sneller herstellen na spanning.
  • Cognitie en executieve functies: Bijvoorbeeld: betere aandacht, beter remmen van impulsen, sneller schakelen.
  • Prikkelverwerking en slaap: Dit wordt vaak beloofd in de praktijk, maar in onderzoek is dit lastiger hard te maken.

En dan is er nog een belangrijk verschil dat in reclame zelden wordt uitgelegd: beter scoren op een vragenlijst is niet automatisch hetzelfde als beter leven. Je kunt op papier vooruitgaan en je in het dagelijks leven alsnog uitgeput voelen, mogelijk omdat je harder bent gaan compenseren.

Wat laat onderzoek tot nu toe zien?

Er zijn aanwijzingen dat neurofeedback bij autisme kan helpen, maar het bewijs is nog te wankel om het als vaste behandeling aan te bevelen.

In studies zie je regelmatig verbeteringen op vragenlijsten die autisme-gerelateerd gedrag meten, zoals sociale responsiviteit en probleemgedrag. Ook zie je soms verbeteringen op taken die executieve functies meten, zoals aandacht en remming. Daarnaast melden sommige onderzoeken veranderingen in hersenmetingen, bijvoorbeeld sneller verwerken van prikkels (zoals een kortere P300-latentie in ERP-metingen).

Dat klinkt mooi, maar bijna elk positief punt krijgt meteen een “ja, maar”:

  • De meeste studies hebben kleine groepen (soms minder dan 50 deelnemers). Dan kan toeval harder meespelen.
  • Protocolen verschillen enorm. De ene studie traint gamma, de andere theta/beta, de volgende slow cortical potentials. Dan vergelijk je appels, peren en bananen en noem je het “fruit”.
  • Veel onderzoek focust op kinderen en adolescenten, en vaak op mensen met autisme zonder ernstige bijkomende beperkingen. Voor volwassenen met autisme weten we dus minder.
  • De follow-up is vaak kort. Als je na drie maanden verbetering ziet, is dat fijn. Maar blijft het na een jaar? Of heb je “onderhoudssessies” nodig? Dat is nog onduidelijk.
  • Blinding (deelnemers en onderzoekers die niet weten wie de echte training krijgt) is lastig. En als verwachtingen serieus gaan meedoen (placebo-effect) dan kunnen uitkomsten stevig gekleurd worden.

De placebo-olifant

Bij medicijnonderzoek kun je een pil geven en dan vergelijken met een nep-pil. Bij neurofeedback is dat lastiger. Want de training is een ervaring: je zit aan apparatuur, je krijgt aandacht, je ziet feedback, je voelt dat je iets “doet”. Dat activeert motivatie, hoop en vaak ook het gevoel van regie.

Een goede sham-conditie zou dan een nep-feedback moeten geven die er geloofwaardig uitziet, maar niet gekoppeld is aan jouw hersenactiviteit. Dat is technisch te doen, maar in de praktijk ingewikkeld. En als de sham niet geloofwaardig is, raden deelnemers het en valt de vergelijking uit elkaar.

Waarom dit zo belangrijk is: verbeteringen kunnen ook komen door niet-specifieke effecten. Denk aan vaste structuur (2x per week training), één-op-één aandacht, coaching in ontspanning, betere slaap door routine, en simpelweg het effect van “ik ben ermee bezig”. Dat zijn allemaal waardevolle effecten, maar dan betaal je geen breintraining; dan betaal je een intensief begeleidingstraject.

Hoe zou het in het brein kunnen werken?

Breinverhalen klinken snel overtuigend, zelfs als het bewijs nog dun is.

  • Prefrontale gebieden en ‘top-down’ sturing: Veel neurofeedback-protocollen richten zich op prefrontale hersengebieden. Dat past bij problemen die vaak bij autisme spelen: planning, remming, emotieregulatie, schakelen. Het idee is dat je de “regiegebieden” sterker traint, waardoor je beter kunt bijsturen als emoties of prikkels oplopen.
  • Gamma-activiteit en prikkelverwerking: Sommige protocollen richten zich op gamma (grofweg 30–80 Hz). Bij autisme wordt in de literatuur vaker gesproken over een mogelijke disbalans tussen prikkelende en remmende signalen in het brein. Gamma wordt dan gezien als een soort “netwerk-ritme” dat informatie bundelt. Normaliseren daarvan zou prikkelverwerking en integratie kunnen verbeteren. Kán, maar: dit is precies het soort verhaal dat snel harder klinkt dan het bewijs.
  • Netwerken zoals het default mode network: Onderzoekers noemen ook netwerken die te maken hebben met zelfreflectie en sociale cognitie, zoals het default mode network. Neurofeedback zou connectiviteit in zulke netwerken kunnen beïnvloeden. Dat klinkt logisch als je denkt aan sociale informatieverwerking, maar de stap van “netwerk verandert” naar “sociale situaties worden makkelijker” blijft groot.
  • ERP’s zoals de P300: Sommige studies meten event-related potentials. Een kortere P300-latentie kan betekenen dat het brein sneller prikkels evalueert. Dat is interessant, maar het is nog geen garantie dat je daarmee ook beter omgaat met een drukke verjaardag of een rommelig kantoor.

Kort gezegd: er zijn plausibele mechanismen, maar plausibel is niet hetzelfde als bewezen.

Protocol-chaos: Iedereen traint iets anders

Als je één probleem hebt met “neurofeedback als veld”, is het dit: de term doet alsof het één behandeling is, terwijl het een categorie is.

  • De ene aanbieder traint aandacht (theta/beta).
  • De andere traint arousal en stress.
  • Weer een ander traint gamma, of slow cortical potentials.
  • De ene doet 20 sessies, de andere 60.
  • De ene combineert het met coaching, de andere niet.

En dan krijg je discussies die lijken op: “Het werkt niet.” “Jawel, het werkt wel.” Terwijl ze feitelijk twee totaal verschillende trajecten bedoelen. Voor autisme is dit extra relevant omdat autisme niet één profiel is. Iemand met autisme die vooral prikkeloverload en stress heeft, is niet dezelfde als iemand met autisme die vooral sociale onzekerheid heeft, en weer niet dezelfde als iemand met autisme en AuDHD die vooral worstelt met focus en impulscontrole.

Als neurofeedback werkt, dan werkt het waarschijnlijk niet “voor autisme”, maar voor specifieke klachtenprofielen binnen autisme.

Wat merk je ervan in het dagelijks leven?

Als neurofeedback iets doet, dan merk je dat meestal niet als een magische klik, maar als kleine verschuivingen. Mensen beschrijven bijvoorbeeld:

  • sneller herstel na stress
  • iets meer ruimte tussen prikkel en reactie
  • minder piekeren of minder “aan blijven staan”
  • makkelijker starten of afronden van taken
  • iets stabielere aandacht

Maar er is ook een schaduwkant die je serieus moet nemen: meer controle kan tijdelijk meer energie kosten. Je kunt je lichaam trainen om langer “vol te houden”, maar als je daarna harder instort, heb je geen winst. Dan heb je je compensatievaardigheid verbeterd, niet je belastbaarheid.

Dat is waarom een goede aanbieder niet alleen vraagt “gaat het beter?”, maar ook “wat kost het je?”.

Bijwerkingen en grenzen: Niet gevaarlijk, wel belastend

Neurofeedback wordt meestal beschreven als veilig en niet-invasief. Bijwerkingen die in studies en in de praktijk regelmatig genoemd worden, zijn doorgaans mild en tijdelijk: hoofdpijn, vermoeidheid, prikkelbaarheid, frustratie, soms slechter slapen in het begin.

Toch is “mild” niet hetzelfde als “onbelangrijk”. Voor iemand met autisme kan een paar weken extra prikkelbaarheid of slechter slapen flink ontregelen. En als een protocol verkeerd afgesteld is, kun je je juist onrustiger of vlakker gaan voelen.

Een serieuze aanbieder neemt dit mee, monitort het, en past aan of stopt als het niet goed gaat. Een minder serieuze aanbieder noemt het “detox” of “je brein moet wennen” en duwt door.

Neurofeedback 2.0: Combinaties, AI en thuisapparaten

De onderzoekswereld kijkt steeds vaker naar combinaties, bijvoorbeeld neurofeedback samen met rTMS of tDCS. Het idee: eerst het netwerk “primen” met neuromodulatie, daarna training om het effect te consolideren. Interessant, maar dit zit nog vooral in experimentele hoek.

AI en machine learning worden ook genoemd als toekomst: systemen die realtime het protocol aanpassen op basis van jouw signalen. Dat kan in theorie helpen bij personalisatie, maar het kan ook marketing worden: “AI” als sticker op hetzelfde product.

En dan zijn er thuisapparaten. Die kunnen toegankelijkheid vergroten, maar roepen ook vragen op: signaalkwaliteit, juiste afstelling, begeleiding op afstand, en privacy (want hersensignalen zijn ook gegevens).

Nederland en Vlaanderen

In Nederland is er een duidelijke boodschap in de richtlijn voor volwassenen met autisme: er zijn vooralsnog onvoldoende aanwijzingen om EEG-neurofeedback als behandeling aan te bevelen. Dat is geen “verbod”, maar wel een belangrijk signaal: de bewijslast is nog niet stevig genoeg om het als standaardzorg neer te zetten.

Internationaal zie je ook terughoudendheid. In de NICE-richtlijn voor autisme bij kinderen en jongeren staat bijvoorbeeld expliciet dat neurofeedback niet gebruikt moet worden om spraak-, taal- en communicatieproblemen te managen. Dat gaat over een specifiek doelgebied (spraak/taal/communicatie) en betekent niet automatisch dat neurofeedback nooit zin heeft, maar het laat wel zien hoe kritisch grote richtlijnmakers zijn, of nog zijn.

In Vlaanderen hangt het wat meer af van aanbod en terugbetaling via mutualiteiten, en dat verschilt per situatie en organisatie. Er bestaan praktijken die een beperkte tegemoetkoming noemen, maar dat is geen garantie dat jouw traject (bij jouw aanbieder) ook onder zo’n regeling valt.

Kosten en vergoeding

In Nederland wordt neurofeedback vaak niet vanuit de basisverzekering vergoed. Soms is er (deels) vergoeding via aanvullende pakketten, afhankelijk van polis en registratie van de behandelaar. In de praktijk betekent dit vaak: je betaalt een flink deel zelf, en het traject bestaat regelmatig uit tientallen sessies.

In Vlaanderen zie je soms een beperkte tegemoetkoming per sessie via bepaalde mutualiteiten of via bredere regelingen rond psychologische zorg, maar neurofeedback valt niet automatisch onder “psychologische sessies”. Vraag dit dus zwart-op-wit na bij je mutualiteit en laat je niet sussen met “meestal lukt dat wel”.

Voor wie kan neurofeedback bij autisme interessant zijn?

Als je het kritisch bekijkt, lijkt neurofeedback vooral kansrijk bij autisme als je doel concreet en meetbaar is. Bijvoorbeeld stressregulatie, prikkelverwerking, slaapritme, of aandacht/sturing bij AuDHD.

Wat minder realistisch is: neurofeedback als directe “sociale oplossing”. Sociale interactie draait niet alleen om signaalverwerking, maar ook om ervaring, context, veiligheid, en vaak ook om trauma of afwijzing uit het verleden. Dan kan neurofeedback hooguit een steuntje zijn, geen vervanging.

Het helpt ook om eerlijk te zijn over je verwachting: wil je een verbetering van 10–20% die je dagelijkse leven nét wat makkelijker maakt? Of hoop je op “eindelijk normaal”? Dat tweede maakt de kans op teleurstelling groot, ongeacht de methode.

Twee tabellen die je helpen kiezen

Tabel 1. Wat meten de bekende uitkomsten eigenlijk?

UitkomstmaatWat het ongeveer meetWaarom het bij neurofeedback vaak gebruikt wordtWaar je kritisch op moet zijn
SRS (Social Responsiveness Scale)Sociale responsiviteit en sociale moeiteVeranderingen in “sociaal gedrag” lijken hiermee zichtbaarVaak ouder/zelfrapportage; gevoelig voor verwachtingen
ABC (Aberrant Behavior Checklist)Probleemgedrag (prikkelbaarheid, hyperactiviteit, etc.)Kan verandering in onrust of emotionele uitbarstingen tonenVerbetering kan ook komen door structuur/aandacht
Flanker/andere executieve takenAandacht, remming, cognitieve controlePast bij “regie in het brein”Testwinst kan ook oefeneffect zijn
ERP/P300Snelheid van prikkel-evaluatie in het breinObjectieve maat die minder “praat” nodig heeftBetere ERP is niet automatisch beter functioneren

Tabel 2. Checklist voor een serieuze aanbieder (en rode vlaggen)

Groene vlagWaarom dit belangrijk isRode vlag
Intake met duidelijke doelen en klachtenprofielAutisme is divers; training moet passen“Neurofeedback helpt bij alles”
Uitleg welk protocol en waaromNeurofeedback is geen één dingVaag taalgebruik, veel buzzwords
Meten vóór, tijdens en na (ook belasting/energie)Winst mag niet ten koste gaan van uitputtingAlleen “het gaat vast beter”
Plan bij bijwerkingen (aanpassen/stoppen)Overprikkeling en slaap zijn kwetsbaar bij autismeBijwerkingen wegwuiven (“detox”)
Eerlijke communicatie over bewijs en beperkingenVoorkomt oversellingClaims als “wetenschappelijk bewezen genezing”
Transparantie over kosten en aantal sessiesTrajecten lopen snel opOpen eind zonder evaluatiemomenten

Een nuchtere beslisregel

Als je neurofeedback overweegt bij autisme, helpt deze simpele regel: Kies het alleen als je (1) een concreet doel hebt, (2) je financieel en qua energie een traject aankunt, (3) je aanbieder transparant is over de mogelijkheden én beperkingen en (4) er vaste evaluatiemomenten zijn waarop je kunt stoppen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.