Er zijn van die dagen waarop alles tegelijk tegen lijkt te werken. Het geluid op kantoor is te hard. Een gesprek loopt stroef. Een simpele taak kost onverwacht veel energie. Aan het eind van de dag blijft niet alleen vermoeidheid over, maar ook een naar gevoel: alsof de wereld net niet voor jou is gemaakt.
Voor veel mensen met autisme, ADHD en andere vormen van neurodivergentie is dat geen uitzondering, maar een terugkerend patroon. Dat betekent niet dat neurodivergentie per definitie ongelukkig maakt. Wel laat nieuw onderzoek zien dat neurodivergente mensen gemiddeld vaker last hebben van stress, minder tevreden zijn met hun leven en zich psychisch minder goed aangepast voelen dan neurotypische mensen. Tegelijk laat datzelfde onderzoek ook iets hoopgevends zien: de verklaring ligt waarschijnlijk niet alleen in de diagnose zelf, maar ook in drie menselijke basisbehoeften die onder druk kunnen komen te staan.
Die drie basisbehoeften zijn verrassend eenvoudig. Iedereen heeft behoefte aan autonomie, aan competentie en aan verbondenheid. Oftewel: zelf kunnen sturen, zich bekwaam voelen en erbij horen. Juist daar lijkt het voor veel neurodivergente mensen vaak mis te gaan.
Dat maakt deze studie interessant. Niet omdat die bewijst dat neurodivergentie per definitie leidt tot minder welzijn. Wel omdat ze laat zien waar de pijn vermoedelijk zit: niet alleen in het brein, maar ook in de botsing tussen dat brein en de omgeving.
Wat bedoelen we eigenlijk met welzijn?
Welzijn klinkt als een vaag, bijna zweverig woord. In de psychologie bedoelen onderzoekers er meestal iets heel concreets mee. Voel je je vaak gespannen? Ben je een beetje tevreden met je leven? Lukt het om mentaal in balans te blijven? Heb je het idee dat je je redelijk staande houdt?
In deze studie keken de onderzoekers vooral naar drie dingen: levenstevredenheid, stress en psychische ontregeling. Dat laatste klinkt zwaarder dan het is bedoeld. Het gaat niet om een psychiatrisch etiket, maar om de vraag of iemand zich emotioneel en gedragsmatig goed weet aan te passen aan het dagelijks leven.

Dat zijn geen kleine thema’s. Iemand kan immers best slim, creatief of gemotiveerd zijn en zich toch structureel overvraagd, afgewezen of stuurloos voelen. En precies daar wordt het relevant voor neurodiversiteit. Want als de omgeving voortdurend wringt, krijgt welzijn al snel deuken.
Drie basisbehoeften
De onderzoekers gebruikten een bekende psychologische theorie die ervan uitgaat dat mensen drie fundamentele behoeften hebben.
- Autonomie betekent dat je invloed ervaart op je eigen leven. Niet dat je alles alleen moet doen, maar wel dat je keuzes kunt maken en niet voortdurend wordt geduwd in een vorm die niet past.
- Competentie betekent dat je het gevoel hebt dat je iets kunt. Dat je grip hebt, vooruitkomt, problemen kunt oplossen en iets waardevols kunt bijdragen.
- Verbondenheid betekent dat je je gezien en geaccepteerd voelt. Dat je relaties hebt waarin je niet steeds hoeft uit te leggen waarom je bent zoals je bent.
Bij neurodivergente mensen staan die drie behoeften vaak onder druk. Denk aan iemand met autisme die zich dagelijks moet aanpassen aan onduidelijke sociale regels. Of aan iemand met ADHD die wéér hoort dat hij slordig, chaotisch of ongemotiveerd is, terwijl hij juist zijn uiterste best doet. Of aan iemand met dyslexie die op school jarenlang de ervaring opdoet dat intelligentie en foutloos lezen ten onrechte met elkaar worden verward.
Dat soort ervaringen tasten niet alleen het humeur aan. Ze kunnen ook langzaam aan iemands basisgevoel knagen: heb ik regie, kan ik dit, hoor ik erbij?
Wat het onderzoek precies deed
De publicatie bestond uit twee delen. Eerst keken de onderzoekers naar gegevens van ruim tweeduizend mensen uit Nederlandse huishoudens met werkervaring. Daarmee vergeleken ze neurodivergente en neurotypische deelnemers op stress, levenstevredenheid en psychische ontregeling.
Daarna deden ze iets opvallends. Ze analyseerden meer dan tweeduizend persoonlijke levensverhalen van neurodivergente mensen op Reddit. Met behulp van taalmodellen onderzochten ze in die verhalen hoe vaak autonomie, competentie en verbondenheid naar voren kwamen, en hoe dat samenhing met stress en levenstevredenheid.
Dat tweede deel klinkt futuristisch, maar het idee erachter is logisch. Mensen vertellen in hun levensverhalen vaak heel direct waar het wringt: dat ze zich buitengesloten voelen, voortdurend vastlopen of juist opleven zodra ze ruimte krijgen om zichzelf te zijn.
De combinatie van beide delen maakt het onderzoek sterker. Het eerste deel zegt iets over een grote Nederlandse steekproef. Het tweede deel voegt rijke, menselijke ervaringen toe. Tegelijk moet er een waarschuwing bij: dit soort onderzoek laat verbanden zien, maar bewijst geen harde oorzaak en gevolg.
Autisme en ADHD springen er negatief uit
De duidelijkste uitkomst van het onderzoek is dat autisme en ADHD relatief ongunstig naar voren komen. Mensen met autisme en mensen met ADHD rapporteerden gemiddeld meer stress en minder levenstevredenheid dan neurotypische deelnemers. Ook zagen de onderzoekers vaker signalen van psychische ontregeling.
Dat past bij wat veel neurodivergente mensen al lang uit ervaring weten. Niet omdat autisme of ADHD alleen maar negatief zijn, maar omdat deze vormen van neurodivergentie in het dagelijks leven veel frictie kunnen opleveren.
Bij autisme kan die frictie ontstaan door prikkelverwerking, sociale misverstanden, moeite met impliciete verwachtingen en de voortdurende druk om zich aan te passen aan een neurotypische norm. Veel mensen met autisme maskeren bovendien: ze proberen bewust of onbewust hun natuurlijke manier van reageren te verbergen om minder op te vallen. Dat kan op de korte termijn sociaal handig lijken, maar het kost vaak enorm veel energie. Wie de hele dag bezig is met aanpassen, levert ongemerkt in op autonomie én verbondenheid.
Bij ADHD zit de belasting vaak anders. Daar spelen impulsiviteit, concentratieproblemen, tijdsblindheid, moeite met plannen en een hoofd dat niet altijd meewerkt wanneer dat het hardst nodig is. De buitenwereld leest dat al snel als luiheid, slordigheid of gebrek aan discipline. Maar wie vaak negatieve feedback krijgt op iets wat niet simpelweg een kwestie van wilskracht is, kan zich chronisch onbekwaam gaan voelen. Dat tast het gevoel van competentie aan.
Interessant is dat het onderzoek ook een onderscheid maakte met ADD. Daar waren de patronen zwakker en minder consistent. Dat kan betekenen dat context hier een grotere rol speelt, of dat de groep in deze studie minder eenduidig in beeld kwam.
Niet elke vorm van neurodivergentie laat hetzelfde patroon zien
Dyslexie en hoogbegaafdheid kwamen opvallend minder negatief uit de bus. In sommige analyses hingen ze zelfs samen met méér vervulling van psychologische basisbehoeften. Mensen met dyslexie rapporteerden gemiddeld minder stress en meer levenstevredenheid dan je op basis van stereotype verhalen misschien zou verwachten. Ook hoogbegaafdheid liet in dit onderzoek geen breed negatief patroon zien en hing in de analyse van levensverhalen zelfs positief samen met autonomie en competentie.
Dat betekent natuurlijk niet dat dyslexie of hoogbegaafdheid nooit problemen geven. Integendeel. Ook daar kunnen schoolervaringen, sociale mismatch, perfectionisme, overprikkeling of een gevoel van anders-zijn zwaar wegen. Maar het onderstreept wel dat neurodivergentie geen uniforme ervaring is.
De onderzoekers vonden ook negatieve patronen bij dyscalculie. Daar lijken welzijnsproblemen dus eveneens serieus aandacht te verdienen, al krijgt deze groep in het publieke debat vaak veel minder aandacht dan autisme of ADHD.
De omgeving doet mee
Een belangrijke boodschap van de studie is dat welzijn niet alleen van binnenuit ontstaat. De omgeving doet volop mee. Dat sluit aan bij het sociale model van beperking: mensen lopen niet alleen vast door hun eigenschappen, maar ook door een wereld die slecht op verschillen inspeelt.
Dat zie je vooral op het werk. Veel werkomgevingen belonen snelheid, flexibiliteit, sociaal instinct, multitasking en onuitgesproken regels. Voor een deel van de mensen met autisme of ADHD is dat ongeveer alsof je een vis beoordeelt op boomklimmen.
Wie dagelijks werkt in een omgeving met onduidelijke verwachtingen, felle prikkels, wisselende prioriteiten en weinig begrip voor een andere communicatiestijl, loopt meer kans dat autonomie, competentie en verbondenheid afbrokkelen. Niet omdat die persoon tekortschiet, maar omdat de context voortdurend zand in de machine gooit.
Dat maakt ook begrijpelijk waarom neurodivergente mensen vaak zeggen dat ze niet per se minder aankunnen, maar wel sneller uitgeput raken door de manier waarop dingen georganiseerd zijn. Een taak zelf kan prima lukken. De omweg eromheen vreet de energie op.
Waarom autonomie zo belangrijk is
Autonomie klinkt soms als luxe, maar dat is het niet. Voor veel mensen met autisme is autonomie juist een voorwaarde om goed te functioneren. Weten wat er komt, ruimte hebben om taken op een eigen manier aan te pakken, invloed hebben op planning of prikkelbelasting: dat zijn geen extraatjes, maar randvoorwaarden.
Ook bij ADHD speelt autonomie een grote rol. Mensen met ADHD functioneren vaak beter wanneer er keuzevrijheid, afwisseling en intrinsieke motivatie is. Juist in starre systemen met veel opgelegde structuur maar weinig eigenaarschap kunnen ze vastlopen.
Als autonomie ontbreekt, ontstaat al snel een gevoel van klem zitten. En dat is precies het gevoel dat veel neurodivergente mensen herkennen: niet zichzelf kunnen inzetten op een manier die past bij hun brein.
Waarom competentie zo kwetsbaar is
Van de drie basisbehoeften is competentie misschien wel de meest onderschatte. Veel neurodivergente mensen groeien op met een ingewikkeld mengsel van talent en mislukking. Ze kunnen op het ene terrein uitblinken en op het andere terrein telkens tegen dezelfde muur knallen.
Dat verwart niet alleen de omgeving, maar ook henzelf. Hoe kan iemand zo slim zijn en toch het huishouden niet overzien? Hoe kan iemand zo creatief zijn en toch vastlopen op administratie? Hoe kan iemand zoveel weten en zich toch hopeloos onbekwaam voelen?
Als successen voortdurend worden overschaduwd door kritiek op wat niet lukt, raakt het gevoel van competentie beschadigd. Dan maakt het weinig uit hoeveel potentieel iemand objectief gezien heeft. Subjectief blijft het gevoel over: blijkbaar kan ik het niet goed genoeg.
Verbondenheid: Erbij horen zonder masker
Verbondenheid gaat verder dan mensen om je heen hebben. Het gaat om het gevoel dat je erbij hoort zonder voortdurend op je tenen te lopen.
Voor veel mensen met autisme is juist dat lastig. Niet omdat ze geen behoefte aan contact zouden hebben, maar omdat contact vaak ingewikkeld, vermoeiend of teleurstellend verloopt. Misverstanden stapelen zich op. Grapjes worden gemist. Directheid wordt verkeerd geïnterpreteerd. De sociale prijs van anders zijn is soms hoog.
Ook mensen met ADHD kunnen op dit vlak veel oplopen. Ze horen geregeld dat ze te druk zijn, te aanwezig, te chaotisch of juist niet goed luisteren. Zulke reacties laten sporen na.

Wie zich alleen geaccepteerd voelt zolang hij toneelspeelt, ervaart wel contact maar weinig echte verbondenheid.
Wat helpt wél?
Het goede nieuws is dat de uitkomsten van dit onderzoek ook praktische aanknopingspunten geven. Als welzijn samenhangt met autonomie, competentie en verbondenheid, dan kun je daar in het dagelijks leven ook gericht iets mee doen.
Op het werk betekent dat bijvoorbeeld: duidelijke verwachtingen, voorspelbare communicatie, ruimte voor verschillende werkstijlen, minder overbodige prikkels, realistische deadlines en regelmatig overleg over wat iemand nodig heeft om goed te functioneren.
Voor leidinggevenden en collega’s zit winst vaak niet in grootse programma’s, maar in eenvoudige dingen. Zeg duidelijk wat je bedoelt. Maak impliciete regels expliciet. Geef feedback die bruikbaar is in plaats van beschamend. Bied keuze waar dat kan. Kijk niet alleen naar waar iemand op vastloopt, maar ook naar de omstandigheden waarin die persoon juist opbloeit.
Ook in onderwijs en hulpverlening ligt daar een belangrijke taak. Niet alles moet draaien om ‘aanleren hoe je normaler doet’. Veel effectiever is de vraag: wat heeft deze persoon nodig om zich veilig, bekwaam en verbonden te voelen?
van Rijswijk, J., & Curșeu, P. L. (2026). Neurodivergence and well-being: The fulfilment of fundamental psychological needs, work-related stress and life satisfaction. British Journal of Psychology. Advance online publication. https://doi.org/10.1111/bjop.70057



