Wat gebeurt er met autisme als je 50, 60 of 70 wordt? Gaan geheugen en denkvermogen sneller achteruit? Verouderen de hersenen anders? En krijgen mensen met autisme vaker ouderdomsziekten? Het merkwaardige antwoord is: dat weten we nog maar gedeeltelijk.
Decennialang draaide autismeonderzoek vooral om kinderen en jongeren. Inmiddels bereikt een steeds grotere groep mensen met een autismediagnose de middelbare en hogere leeftijd. Tegelijk krijgen veel volwassenen pas op latere leeftijd hun diagnose.
Een nieuwe systematische review brengt daarom 56 onderzoeken naar ouder worden met autisme bij elkaar. De onderzoekers bekeken drie gebieden: denkvermogen, veranderingen in de hersenen en lichamelijke gezondheid. Het belangrijkste resultaat is geruststellender én ingewikkelder dan de populaire gedachte dat mensen met autisme simpelweg ‘sneller oud worden’. Daar is geen overtuigend bewijs voor. Er zijn wel specifieke kwetsbaarheden die serieus genomen moeten worden.
Het simpele antwoord bestaat niet
Veroudering is bij niemand één proces. Je kunt op je zestigste nog uitstekend nieuwe kennis opnemen en tegelijkertijd merken dat namen minder snel boven komen drijven. Je hart, botten, gehoor en hersenen volgen bovendien niet allemaal hetzelfde tempo. Dat geldt ook voor autisme.
Wanneer onderzoekers mensen met en zonder autisme vergelijken, zien ze geen algemeen patroon waarbij alles sneller achteruitgaat. Op veel gebieden lijkt veroudering juist behoorlijk vergelijkbaar te verlopen. Dat is belangrijk. Het voorkomt dat iedere verandering bij een ouder wordende persoon met autisme automatisch wordt uitgelegd als bewijs voor ‘versnelde veroudering door autisme’.
Maar het omgekeerde is eveneens onverstandig. Op enkele gebieden duiken namelijk wél signalen op die extra aandacht verdienen. Vooral cognitieve klachten die mensen zelf ervaren, bepaalde lichamelijke aandoeningen en mogelijk enkele veranderingen in de hersenen vallen op.
Als je hoofd minder meewerkt
Veel mensen herkennen het gevoel. Je loopt naar de keuken en weet halverwege niet meer waarom. Je leest dezelfde alinea drie keer. Tijdens een gesprek raak je sneller de draad kwijt. Een werkdag die vroeger stevig maar haalbaar was, laat je tegenwoordig uitgeput achter.
Bij mensen met autisme worden zulke cognitieve klachten opvallend vaak gemeld. Het gaat bijvoorbeeld om problemen met concentratie, geheugen, plannen, overzicht houden en het schakelen tussen taken. Het bijzondere is dat standaardtests dat verschil meestal veel minder duidelijk laten zien.
Wanneer onderzoekers geheugen, verwerkingssnelheid en executieve functies rechtstreeks testen, blijken mensen met autisme gemiddeld ongeveer hetzelfde patroon van leeftijdsgebonden verandering te vertonen als mensen zonder autisme. Dat betekent niet dat de ervaren klachten ‘dus tussen de oren zitten’. Integendeel.
De test zegt voldoende, het dagelijks leven niet
Een cognitieve test vindt meestal plaats in een rustige ruimte. Je krijgt duidelijke instructies. Er belt geen collega tussendoor. Niemand verwacht dat je tegelijkertijd een vergadering volgt of bijvoorbeeld je gezicht in de juiste stand houdt. Het dagelijks leven is immers een minder vriendelijk laboratorium. Daarom is het goed mogelijk dat iemand tijdens een neuropsychologische test prima presteert en thuis of op het werk toch steeds vaker vastloopt.
De onderzoekers benadrukken dat subjectieve cognitieve klachten serieus genomen moeten worden. Bij mensen zonder autisme kunnen zulke klachten soms een vroeg signaal zijn van latere cognitieve achteruitgang. Of dat bij autisme eveneens zo werkt, weten we nog niet. Er is namelijk een belangrijk alternatief.
Mensen met autisme kunnen al hun hele leven meer cognitieve inspanning nodig hebben voor alledaagse zaken. Sensorische belasting, voortdurend aanpassen aan anderen, sociale onzekerheid, slaaptekort, angst of depressieve klachten kunnen allemaal invloed hebben op ervaren geheugen en concentratie. Wat op je zestigste als ‘achteruitgang’ voelt, kan dus verschillende oorzaken hebben. Juist daarom verdient die ervaring onderzoek in plaats van een geruststellend: “Uw test is goed, dus er is niets aan de hand.”
Het geheugen lijkt meestal normaal mee te verouderen
De onderzoekers bekeken verschillende soorten geheugen. Daaruit komt geen duidelijk beeld naar voren van versnelde achteruitgang bij autisme. De meeste studies naar langetermijngeheugen en werkgeheugen vonden ongeveer dezelfde leeftijdspatronen als bij mensen zonder autisme.
Bij kortetermijngeheugen zijn de resultaten rommeliger. Sommige studies zagen sterkere achteruitgang bij autisme. Andere vonden juist minder achteruitgang. Soms leverden verschillende onderzoeksmethoden binnen dezelfde groep zelfs tegengestelde conclusies op.
Dat klinkt onbevredigend, maar het vertelt ons ook iets belangrijks. Het geheugen bestaat niet als één knop die langzaam omlaag wordt gedraaid. Iemand kan moeite krijgen met snel aangeboden gesproken informatie en tegelijkertijd uitstekend feiten of gebeurtenissen onthouden. Een ander merkt vooral problemen wanneer informatie onder tijdsdruk moet worden verwerkt.
Ook executieve functies zoals plannen, remmen, schakelen en probleemoplossen lijken volgens het grootste deel van het onderzoek niet duidelijk sneller achteruit te gaan bij autisme.
Ook het brein heeft geen snelverouderingsstand
Onderzoekers bekeken via een hersenscan onder meer hersenvolume, dikte van de hersenschors, verbindingen tussen hersengebieden en hersenactiviteit. Ook daar overheerst hetzelfde beeld: de meeste verschillen in veroudering tussen mensen met en zonder autisme zijn klein of helemaal niet aantoonbaar.
Sommige onderzoeken vinden sterkere veranderingen in bepaalde hersengebieden bij autisme. Andere onderzoeken vinden daar juist minder verandering. En weer andere zien helemaal geen verschil. Er bestaat dus geen overtuigend beeld van een ‘autistisch brein’ dat als geheel sneller veroudert. Wel springt één onderzoeksgebied voorzichtig in het oog: de witte stof.
Witte stof verdient aandacht
Witte stof kun je enigszins vergelijken met de bekabeling tussen verschillende delen van de hersenen. Via deze verbindingen wordt informatie doorgegeven. Bij iedereen verandert die structuur tijdens het ouder worden. In enkele onderzoeken lijken bepaalde witte-stofbanen bij mensen met autisme sterker te veranderen.
Dat zou kunnen betekenen dat sommige verbindingen kwetsbaarder zijn. Maar daarvoor is het bewijs nog te beperkt. Hetzelfde geldt voor enkele andere gevonden hersenveranderingen, bijvoorbeeld in gebieden die betrokken zijn bij geheugen. Ze zijn interessant genoeg om verder te onderzoeken, maar niet stevig genoeg om individuele voorspellingen te doen.
Een hersenscan kan dus momenteel niet vertellen: “Uw autisme zorgt ervoor dat uw brein sneller veroudert.”
Dementie en Parkinson vallen wél op
Verschillende onderzoeken wijzen op een verhoogde aanwezigheid van neurodegeneratieve aandoeningen bij oudere volwassenen met autisme. Vooral Parkinson en dementie komen in meerdere onderzoeken naar voren. Bij dementie is bovendien onderzoek beschikbaar waarin rekening werd gehouden met bekende risicofactoren, zoals psychische en hart- en vaatproblemen. Ook daarna bleef het risico bij mensen met autisme verhoogd.
We weten nog niet waarom deze samenhang bestaat. Mogelijk spelen biologische factoren een rol. Maar ook langdurige stress, mentale gezondheid, medicatie, lichamelijke gezondheid en verschillen in toegang tot goede zorg kunnen bijdragen. Waarschijnlijk bestaat er ook hier niet één verklaring.
Horen, zien en bewegen
Een minder spectaculair maar praktisch minstens zo belangrijk resultaat gaat over gehoor, zicht, botten en gewrichten. In meerdere onderzoeken komen gehoor- en gezichtsproblemen vaker voor bij volwassenen met autisme. Ook botontkalking en botbreuken vallen op. Dat klinkt misschien als gewone ouderdom, maar een beperkte achteruitgang kan bij iemand met autisme een veel groter effect hebben dan je op het eerste gezicht verwacht.

Stel dat je gesprekken nu al vooral kunt volgen door woorden heel precies te horen. Een lichte gehoorvermindering kan sociale communicatie dan ineens veel vermoeiender maken. Of neem evenwicht en beweging. Wie door sensorische onzekerheid, motorische problemen of angst toch al minder beweegt, kan sneller in een neerwaartse spiraal terechtkomen wanneer lichamelijke klachten ontstaan.
Het raadsel van hart en bloedvaten
De resultaten over hart- en vaatziekten zijn tegenstrijdig. Sommige onderzoeken vinden geen verhoogd risico op hoge bloeddruk. Andere rapporteren zelfs lagere percentages. Tegelijkertijd worden ernstigere problemen zoals hartfalen en beroertes in verschillende studies juist vaker gezien.
Dat roept een interessante vraag op. Hebben mensen met autisme werkelijk minder vaak vroege risicofactoren? Of worden die simpelweg minder vaak ontdekt? De onderzoekers wijzen erop dat verschillen in preventieve zorg een mogelijke verklaring kunnen zijn.
Wanneer hoge bloeddruk pas wordt ontdekt nadat iemand al ernstige vaatproblemen heeft, lijkt het in registraties alsof de vroege risicofactor nauwelijks voorkwam. Het probleem was er misschien wel, maar bleef buiten beeld.
Soms veroudert niet alleen het lichaam, maar ook de belasting
Gezondheid ontstaat niet los van het leven dat eraan voorafging. Beweging, slaap, voeding, gewicht en stress beïnvloeden ouder worden bij iedereen. Bij autisme kunnen juist die dagelijkse gezondheidsgewoonten ingewikkelder zijn.
Sporten in een drukke sportschool kan sensorisch onhaalbaar zijn. Gezond koken vraagt planning en energie. Slaap kan worden verstoord door prikkelgevoeligheid. Medische afspraken kunnen zoveel stress opleveren dat iemand ze uitstelt. Dat maakt algemene uitspraken als “meer bewegen” of “gezonder eten” nogal goedkoop. Help dan liever om het gezonde gedrag uitvoer te maken.
Wie bewegen prettig vindt tijdens een rustige wandeling hoeft helemaal niet naar een hip en duur fitnesscentrum. Wie moeite heeft met dagelijks koken kan prima baat hebben bij een klein aantal voorspelbare, voedzame standaardmaaltijden. Het leven is niet zo moeilijk als sommigen het ons doen voorkomen. Gezond ouder worden hoeft geen nieuw ‘moeten’ te worden waar je vervolgens van moet herstellen.
Misschien zit een deel van het probleem in de zorg
De gezondheidszorg is grotendeels ingericht voor mensen die gemakkelijk bellen, wachtruimtes verdragen, klachten bondig kunnen beschrijven en tijdens een consult snel kunnen schakelen. Niet iedereen met autisme kan dat even gemakkelijk. Sensorische belasting, onduidelijke procedures, tijdsdruk en communicatieverschillen kunnen ervoor zorgen dat klachten later worden gemeld of minder goed worden begrepen.
Daar komt nog iets bij: lichamelijke klachten kunnen ten onrechte aan autisme, angst of gedrag worden toegeschreven. Dat maakt goede preventieve zorg extra belangrijk.
Een huisarts die weet hoe iemand communiceert, duidelijke afspraken maakt en veranderingen door de tijd heen kent, kan veel betekenen. Niet omdat autisme automatisch medische problemen veroorzaakt, maar omdat goede zorg toegankelijk moet zijn voordat een probleem ernstig wordt.
Oudere generaties zijn niet zomaar jongere mensen plus dertig jaar
Een persoon met autisme die vandaag 70 is, groeide op in een totaal andere wereld dan iemand die nu 30 is. Autisme werd veel minder herkend. Ondersteuning was beperkt. Stigma was groter. Sommige mensen kregen verkeerde diagnoses of helemaal geen verklaring voor hun andere manier van zijn. Dat kan een leven lang doorwerken.
Daardoor zijn verschillen tussen jongere en oudere deelnemers niet automatisch het gevolg van biologische veroudering. Ze kunnen ook iets vertellen over verschillen tussen generaties en in levenservaring. Pas wanneer onderzoekers dezelfde mensen jarenlang volgen, kunnen we dat beter uit elkaar halen.
Een grote groep ontbreekt bijna helemaal
Cognitieve en hersenstudies bestaan bijna uitsluitend uit mensen met autisme zonder verstandelijke beperking. De gemiddelde intelligentie ligt in verschillende onderzoeken zelfs boven het bevolkingsgemiddelde. Het beeld van de slimme en verbaal sterke autie dringt zich op.
Mensen met grotere communicatie- of ondersteuningsbehoeften ontbreken grotendeels. En ja, autisme was niet alleen dat. Het is het nog steeds.
Deze hiaat heeft praktische oorzaken. Een MRI-scanner is luidruchtig, krap en vereist dat iemand lang stil ligt. Veel cognitieve tests vragen taalvaardigheid en begrijpen van complexe instructies. Maar het gevolg blijft hetzelfde. We weten juist bijzonder weinig over het ouder worden van de mensen die mogelijk de meeste ondersteuning nodig hebben. Dit lijkt een van de belangrijkste tekortkomingen van het huidige onderzoek.
Dickinson A, Ryan D, Carroll JE, Lord C. Aging in autism: A systematic review of cognitive, neural, and physical health findings. Neuroscience & Biobehavioral Reviews. 2026;188:106820. DOI: 10.1016/j.neubiorev.2026.106820.


