Autisme en lichaamsgevoel

Je loopt door een drukke supermarkt, pakt een pak melk uit het schap en ontwijkt ondertussen iemand met een winkelwagen. Het lijkt vanzelf te gaan. Toch moeten je hersenen razendsnel samenwerken met je ogen, oren, spieren en evenwichtsorgaan. Bij mensen met autisme verloopt die samenwerking soms anders.

Nieuw onderzoek laat zien dat dit niet alleen invloed kan hebben op hoe je de wereld ervaart, maar ook op hoe je je eigen lichaam waarneemt.

Je hoeft niet naar je voeten te kijken om te weten waar ze staan. Je voelt meestal vanzelf hoeveel ruimte je inneemt en hoe je een beweging moet uitvoeren. Ondertussen combineren je hersenen voortdurend informatie uit verschillende zintuigen. Zo ontstaat het vertrouwde gevoel dat je lichaam van jou is en dat jij bepaalt wat het doet. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het is een behoorlijk ingewikkeld proces. Je hersenen moeten voortdurend beslissen welke informatie betrouwbaar is, welke signalen bij elkaar horen en wanneer je je beweging moet aanpassen.

Een overzichtsstudie uit 2026, waarin wetenschappers 37 eerdere onderzoeken analyseerden, laat zien dat deze processen bij mensen met autisme soms anders verlopen. Niet noodzakelijk slechter, maar met andere accenten. Vooral de manier waarop de hersenen informatie uit verschillende zintuigen combineren en bestaande verwachtingen aanpassen, blijkt interessant.

Hoe weet je waar je handen zijn?

Sluit je ogen en raak met je wijsvinger je neus aan. Waarschijnlijk lukt dat zonder veel moeite. Dat komt door een zintuig waarvan je misschien nog nooit hebt gehoord: proprioceptie. Dit zintuig vertelt je hersenen waar je lichaamsdelen zich bevinden. Kleine sensoren in je spieren, pezen en gewrichten geven voortdurend informatie door. Daardoor kun je lopen zonder naar je voeten te kijken en een kopje optillen zonder steeds te controleren waar je hand is.

Opvallend genoeg blijken sommige mensen met autisme in experimenten juist nauwkeuriger te kunnen aangeven waar hun hand zich bevindt wanneer ze die niet kunnen zien. Dat heeft mogelijk te maken met de manier waarop hun hersenen verschillende signalen tegen elkaar afwegen. Waar de een vooral vertrouwt op wat de ogen vertellen, kan de ander meer waarde hechten aan informatie uit spieren en gewrichten. Dat is trouwens niet per definitie een voordeel of nadeel. Het kan wel helpen bij het nauwkeurig inschatten van de positie van een lichaamsdeel, maar in andere situaties is het juist handig wanneer je hersenen snel nieuwe visuele informatie gebruiken.

Wanneer je zintuigen niet gelijk lopen

Stel je voor dat je iemand ziet praten terwijl het geluid nét niet gelijkloopt met de beweging van de mond. Dat valt op want je hersenen hebben namelijk een soort tijdvenster waarbinnen ze gebeurtenissen als gelijktijdig beschouwen. Bij sommige mensen met autisme lijkt dat tijdvenster groter te zijn. Geluiden, beelden of aanrakingen die kort na elkaar plaatsvinden, kunnen daardoor toch als één gebeurtenis worden verwerkt. Dat betekent overigens niet dat alle zintuigen trager werken.

Ook de omstandigheden spelen een rol. In een experiment konden jongeren met autisme de richting van een gesimuleerde beweging even goed of zelfs beter inschatten dan leeftijdgenoten zonder autisme. Maar zodra onderzoekers storende visuele informatie toevoegden, veranderde het beeld.

Interessant is dus niet alleen hoeveel informatie iemand verwerkt, maar ook onder welke omstandigheden dat gebeurt. Een rustige omgeving kan dan bijvoorbeeld heel andere prestaties opleveren dan een omgeving vol afleiding. Dat biedt een mogelijke invalshoek om bepaalde ervaringen met prikkelverwerking beter te begrijpen. Toch weten we nog niet precies hoe deze laboratoriumresultaten samenhangen met overprikkeling in het dagelijks leven.

De truc met een rubberen hand

Een van de merkwaardigste experimenten uit het onderzoek draait om een rubberen hand. De proefpersoon legt een echte hand uit het zicht. Op tafel ligt een namaakhand die er behoorlijk echt uitziet. Vervolgens strijkt de onderzoeker met twee kwastjes tegelijk over de verborgen echte hand en de zichtbare rubberen hand. Na enige tijd gebeurt er bij veel mensen dan iets vreemds: ze krijgen het gevoel dat de rubberen hand bij hun lichaam hoort. Hun ogen zien immers een aanraking op de kunsthand, terwijl hun huid precies op hetzelfde moment iets voelt. De hersenen combineren beide signalen en trekken de opmerkelijke conclusie.

Bij sommige deelnemers met autisme ontstaat deze illusie minder gemakkelijk of pas na langere tijd. Mogelijk vertrouwen hun hersenen sterker op de werkelijke positie van de hand dan op wat de ogen suggereren. Maar niet alle experimenten laten hetzelfde zien. Soms ervaren mensen met en zonder autisme de illusie ongeveer even sterk. Dat maakt duidelijk hoe afhankelijk lichaamsbeleving is van de precieze omstandigheden. De rubberen hand laat vooral iets fascinerends zien: zelfs het gevoel dat je lichaam van jou is, ontstaat door voortdurend overleg tussen je zintuigen.

Hoe dichtbij is te dichtbij?

Iedereen heeft een persoonlijke ruimte. Die merk je bijvoorbeeld wanneer iemand tijdens een gesprek steeds dichterbij komt staan. Vanaf een bepaalde afstand voelt dat ongemakkelijk. Wetenschappers onderscheiden daarbij twee soorten ruimte. De eerste is de ruimte direct rondom je lichaam, waarin je iets kunt aanraken of vastpakken. De tweede is de sociale afstand die je prettig vindt tussen jezelf en andere mensen. Deze grenzen kunnen veranderen door de situatie, de mensen om je heen en wat je op dat moment doet.

Onderzoek wijst erop dat die aanpassing bij sommige mensen met autisme minder sterk plaatsvindt. In een experiment leerden kinderen met en zonder autisme een lange stok gebruiken. Daardoor veranderde hun inschatting van de ruimte die ze konden bereiken. Maar na een gezamenlijke activiteit met een ander persoon veranderde de gewenste sociale afstand bij kinderen met autisme minder sterk.

Opmerkelijk is dat sommige onderzoeken bij mensen met autisme juist een kleinere gewenste afstand tot anderen vonden. De populaire veronderstelling dat mensen met autisme altijd méér persoonlijke ruimte nodig hebben, klopt dus niet. Wat iemand prettig vindt, verschilt per persoon.

Wie heeft de controle?

Druk op een knop en er gaat een lampje branden. Je weet dat jij het lampje hebt aangezet. Maar hoe weten je hersenen eigenlijk dat jij de oorzaak bent? Bij iedere vrijwillige beweging voorspellen je hersenen wat er gaat gebeuren. Vervolgens vergelijken ze die verwachting met het werkelijke resultaat. Onderzoekers maken onderscheid tussen het bewust weten dat je iets hebt gedaan en het automatische gevoel dat je de veroorzaker van een handeling bent.

Sommige experimenten laten bij mensen met autisme verschillen zien in die automatische verwerking. Bijvoorbeeld in de manier waarop ze het tijdsverloop tussen een handeling en het gevolg daarvan ervaren. Tegelijkertijd blijkt het bewuste oordeel over wie een handeling uitvoerde soms gewoon intact.

Dat is een belangrijk onderscheid. Deze resultaten betekenen niet dat mensen met autisme minder controle ervaren. Ze laten vooral zien dat de onbewuste processen achter het gevoel van controle op verschillende manieren kunnen werken.

Bewegen

Een glas oppakken, een sleutel in het slot steken of een klein voorwerp precies op de juiste plek leggen: zulke handelingen vragen om een goede samenwerking tussen waarneming, planning en beweging.

Bij sommige mensen met autisme verloopt vooral het voorbereiden en bijsturen van bewegingen anders. In experimenten maakten kinderen met autisme bijvoorbeeld meer kleine correcties tijdens het uitvoeren van een beweging. Dat betekent niet dat ze de handeling niet kunnen uitvoeren. Soms gebruiken ze eenvoudigweg een andere strategie om hetzelfde doel te bereiken.

Ook blijkt het soort beweging veel uit te maken. In een experiment met een virtuele omgeving zagen onderzoekers vooral verschillen bij een nauwkeurige plukbeweging. Bij andere activiteiten, zoals tegen een bal schoppen, waren die verschillen veel minder duidelijk. Dat kan herkenbaar zijn voor mensen die bepaalde handelingen opvallend veel concentratie vinden kosten, terwijl andere bewegingen moeiteloos verlopen.

Belangrijk is dat motorische verschillen niet bij iedereen met autisme voorkomen. Bovendien zijn ze niet uniek voor autisme.

Dagelijks leven

De onderzoeksresultaten bieden nog geen kant-en-klare behandelingen of oplossingen. Wel geven ze aanleiding om anders naar bepaalde dagelijkse situaties te kijken. Denk bijvoorbeeld aan iemand die nauwkeurig werkt, maar moeite heeft met een taak waarbij voortdurend onverwachte bewegingen nodig zijn. Of aan een leerling die een handeling prima begrijpt, maar meer tijd nodig heeft om deze uit te voeren. Een paar praktische aandachtspunten:

  • Beperk onnodige prikkels wanneer een taak veel nauwkeurigheid vraagt. Een rustige werkplek kan helpen om aandacht te richten op de relevante informatie.
  • Geef iemand de gelegenheid om nieuwe bewegingen in eigen tempo te oefenen. Herhaling en voorspelbaarheid kunnen prettiger zijn dan steeds wisselende instructies.
  • Vraag hoe iemand lichamelijke aanwijzingen het liefst ontvangt. Voordoen, mondeling uitleggen of een beweging stap voor stap oefenen kan per persoon verschillend werken.
  • Respecteer persoonlijke ruimte en vraag toestemming voordat je iemand aanraakt. Wat voor de een prettig of behulpzaam voelt, kan voor een ander onaangenaam zijn.

Ook kunnen ervaringen met lichaamsgevoel aanleiding zijn voor een gesprek met een fysiotherapeut, ergotherapeut of andere deskundige, wanneer iemand daadwerkelijk problemen ervaart bij bewegen of dagelijkse activiteiten.

Anders betekent niet automatisch minder

De grote vraag is natuurlijk wat dit onderzoek ons werkelijk leert over autisme. Allereerst dat het te simpel is om te spreken van een algemeen verminderd lichaamsbesef. Sommige deelnemers met autisme bleken in bepaalde omstandigheden juist nauwkeuriger waar te nemen. Bij andere taken kostte het combineren of aanpassen van informatie meer moeite. Bovendien kent het onderzoek belangrijke beperkingen. Veel studies hadden kleine groepen deelnemers, vaak vooral mannen zonder verstandelijke beperking. Mensen met autisme die weinig of niet spreken, kwamen nauwelijks aan bod. De uitkomsten zeggen daardoor lang niet alles over de enorme verscheidenheid binnen autisme.

Ook weten wetenschappers nog onvoldoende wat oorzaak en gevolg is. Dat iemand anders beweegt, betekent niet automatisch dat een verschil in zintuiglijke verwerking daarvan de oorzaak is. En een opvallend resultaat in een laboratorium vertelt niet vanzelf hoe iemand het dagelijks leven ervaart.

Wat je ziet, voelt en doet, moet voortdurend tot één geheel samensmelten. Er bestaat kennelijk meer dan één manier waarop de hersenen dat kunnen organiseren.

Voor mensen met autisme kan dat soms voordelen opleveren, soms beperkingen en soms allebei tegelijk. Niet ieder verschil hoeft te verdwijnen. Maar wanneer het dagelijks leven problemen oplevert, helpt het om te begrijpen waar die verschillen mogelijk vandaan komen.

Jahanian Najafabadi, A. & Rastegari, A. (2026). The active self in autism: multisensory and sensorimotor foundations of bodily self-representation. BMC Psychiatry, 26, artikel 801. https://doi.org/10.1186/s12888-026-08756-w

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *