Je kent het misschien wel. Je scrollt op een doodgewone dinsdag over je tijdlijn en ziet dat een oude studiegenoot een boekcontract heeft binnengehaald, je ex-collega ineens ‘senior specialist’ heet, of je directe collega een Porsche heeft gekocht. En ergens voel je een kleine steek. Niet omdat je hen iets slechts gunt, maar… nou ja, een béétje misschien toch wel?
Welkom bij de club. Afgunst is niet alleen menselijk, het is zelfs universeel. De Amerikaanse antropoloog Donald E. Brown noemde jaloezie, sociale vergelijking en het verlangen naar een positief zelfbeeld als eigenschappen die in alle culturen voorkomen. Het had korter gekund: “krabben in een emmer” – een metafoor die verwijst naar het gedrag van krabben die elkaar naar beneden trekken als er eentje probeert te ontsnappen.
Maar waarom voelt het eigenlijk zo vervelend als iemand anders slaagt? En vooral: waarom raakt het ons zo als die persoon op ons lijkt – zelfde leeftijd, zelfde buurt, zelfde functie, zelfde interesses? We gaan op onderzoek uit.
Sociale vergelijking als overlevingsstrategie
In 1954 stelde psycholoog Leon Festinger dat mensen zichzelf niet objectief beoordelen, maar zichzelf vooral vergelijken met anderen. Dat is de kern van de social comparison theory. We kijken niet naar hoe we er op zich voorstaan, maar naar hoe we het doen ten opzichte van mensen in onze omgeving. En dan vooral mensen die we als “gelijke” zien: collega’s, studiegenoten, buren, leeftijdsgenoten. Als zij iets bereiken wat wij (nog) niet hebben, voelt dat als achterstand.

In een wereld van acht miljard mensen zou het logisch zijn als we onszelf met een bredere groep vergeleken. Maar nee, we meten ons niet met multimiljonairs in Dubai, voetballers van Real Madrid, Nobelprijswinnaars in Japan of topatleten in de VS. Hun succes doet ons meestal weinig. Het raakt ons pas echt als iemand dichtbij ineens boven ons uit stijgt. Al is het maar een beetje…
En dat vergelijken is niet zomaar een slechte gewoonte. Het is evolutionair slim gedrag. In de oertijd hing je overlevingskans af van je plek in de groep. Wie hoger op de sociale ladder stond, had meer toegang tot voedsel, bescherming en – jawel – voortplantingskansen. Weten wie boven je stond en hoe je zelf kon stijgen, was letterlijk van levensbelang.
Krabben in een emmer
Sociale vergelijking voelt dus niet alleen ongemakkelijk, het doet soms letterlijk pijn. Onderzoek van Takahashi et al. (2009) liet zien dat afgunst dezelfde hersengebieden activeert als fysieke pijn – met name de anterieure cingulate cortex en de insula. Die Porsche van je collega is dus niet alleen irritant, je hersenen beleven het alsof je een stomp in je maag krijgt.
De uitdrukking “krabben in een emmer” komt van een opmerkelijk (en nogal sneu) fenomeen: als je een paar levende krabben in een emmer stopt, kunnen ze er in principe gewoon uit klimmen. Maar zodra één krab probeert omhoog te klauteren, trekken de andere krabben hem omlaag. Niet uit opzet – ze proberen zelf ook te klimmen – maar het gevolg is dat geen enkele krab eruit komt. Ze houden elkaar onbewust gevangen.
Deze metafoor wordt vaak gebruikt om menselijk gedrag te beschrijven: wanneer iemand in een groep vooruitgang boekt, krijgt diegene soms meer tegenwerking dan steun. Denk aan opmerkingen als:
- “Wie denk jij wel dat je bent?”
- “Je bent wel erg ambitieus ineens.”
- “Zo speciaal ben je nou ook weer niet.”
Vaak komt die houding niet voort uit kwaadaardigheid, maar uit een mengeling van onzekerheid, jaloezie en de angst om zelf achter te blijven. In plaats van de ander toe te juichen, proberen we onbewust het speelveld gelijk te houden – desnoods door iemand omlaag te halen.
De ‘krabbenmentaliteit’ zie je terug op schoolpleinen, werkvloeren en zelfs binnen families. En op social media is het helemaal makkelijk geworden: daar is elke misstap van een succesvolle ander een uitnodiging tot collectieve correctie.
Vooral mensen met een competitieve of perfectionistische aard – het klassieke ‘type A’ – blijken hier gevoelig voor. Uit onderzoek van Uzum et al. (2022) blijkt dat zij meer last hebben van de successen van anderen dan gemiddeld. Als je zelf druk bezig bent om hogerop te komen, is het extra zuur als iemand anders je vóór is.

En we zijn niet alleen passief jaloers. Soms wensen we de ander ook een misstap toe. Niet dat we dat hardop zeggen, natuurlijk. Maar als die populaire collega op werk ineens kritiek krijgt, of de succesvolle influencer negatief in het nieuws komt, is er een venijnig stemmetje in ons hoofd dat denkt: “Ha. Zie je wel.” Ook dat is evolutionair te verklaren: als succes van de ander een bedreiging vormt voor jouw status, dan voelt het als opluchting als die ander struikelt.
Waarom we van underdogs houden (en hopen dat de winnaar struikelt)
Tegelijkertijd is er nog iets geks aan de hand. We juichen massaal voor de underdog. Denk aan sportwedstrijden: als een klein land tegen een topteam speelt, staat bijna iedereen aan de kant van de ‘zwakkere’. Bij IJsselmeervogels – PSV is iedereen buiten Eindhoven voor IJsselmeervogels. En dat gebeurt niet alleen in sport: ook in films, politiek en zelfs bij sollicitaties blijken mensen vaker sympathie te voelen voor de kandidaat met het moeilijkste pad.
Waarom? Volgens sommige psychologen komt dit voort uit een diep gevoel voor rechtvaardigheid. We vinden het fijn als iemand met minder middelen tóch wint. Dat herstelt onze innerlijke balans: “Succes moet verdiend zijn, niet geërfd of gekocht.”
Een andere verklaring komt uit de evolutiehoek. In de oertijd was het slim om niet tegen de leider in te gaan, maar óók om alvast een beetje te investeren in de kanshebber die zijn plek zou kunnen overnemen. Je steun aan de underdog was eigenlijk een soort statusverzekering. Als de nieuwe leider wint, weet hij nog wie er vroeg bij was.
Het verklaart ook waarom mensen die jaloers zijn, niet per se irrationeel of onaardig zijn. In een samenleving waarin succes voelt als een zero-sum game – wat de ander wint, verlies jij – is het logisch dat we voorzichtig zijn met wie we omhoog helpen.
Is dit typisch menselijk of ook typisch neurodivergent?
Nu rijst natuurlijk de vraag: geldt dit mechanisme ook voor mensen met autisme, ADHD, dyslexie of andere vormen van neurodivergentie? Of voelen zij dit juist anders?
Er is nog weinig specifiek onderzoek naar dit onderwerp, maar uit ervaring en klinische observaties weten we wel een paar dingen:
- Mensen met autisme kunnen sociale vergelijking minder vanzelfsprekend gebruiken. Ze zijn vaak gericht op hun eigen interne maatstaven in plaats van op statuswedstrijden met anderen. Maar dat betekent niet dat ze immuun zijn voor afgunst – het kan juist extra verwarrend zijn als je niet goed begrijpt waarom je een naar gevoel krijgt bij iemands succes.
- Mensen met ADHD hebben vaak last van impulsiviteit en emotionele labiliteit. Afgunst kan dan heel heftig binnenkomen en snel overslaan in zelfkritiek of frustratie: “Waarom lukt het mij nooit?”
- Hoogbegaafde mensen vergelijken zichzelf vaak met een hoger ideaalbeeld – en hebben daardoor sneller het gevoel te falen, zelfs als ze objectief goed presteren. De ‘krab in de emmer’ zit dan niet buiten je, maar in je hoofd.
Bij al deze groepen kan sociale vergelijking dus een rol spelen, maar op heel verschillende manieren. Herkenning, context en zelfkennis zijn belangrijk om ermee om te gaan.
Van afgunst naar actie: Jaloezie als persoonlijke GPS
Dus… moeten we maar leren leven met die jaloerse gevoelens? Niet per se. Je hoeft afgunst niet weg te stoppen, te ontkennen of jezelf erom te schamen. Je kunt het ook anders bekijken: als een signaal. Een soort innerlijk kompas.
Voel je een steek als iemand iets bereikt wat jij óók had willen bereiken? Dan zegt dat vooral iets over jouw verlangens. Afgunst is informatie. Het vertelt je waar je behoefte aan hebt, wat je mist of wat je graag zou willen doen.
Een paar ideeën:
- Maak het concreet. Wat precies triggert jou in het succes van de ander? Is het erkenning, vrijheid, status, betekenisvol werk? Schrijf het op.
- Gebruik het als brandstof. In plaats van blijven hangen in frustratie, zet je het om in een doel. Wat kun jij nú doen om dichterbij te komen?
- Vergelijk met mildheid. Iedereen loopt een ander pad. Misschien kreeg de ander meer hulp, had minder tegenslag of een compleet ander startpunt. Jij hoeft niet sneller te zijn – alleen trouw aan jouw route.
- Wees nieuwsgierig. Vraag door bij succesvolle mensen in je omgeving. Vaak blijkt dat er veel werk en onzekerheid achter zat. Dat maakt hun succes menselijker – en haalbaarder voor jou.
Wat betekent dit voor neurodiversiteit en samenleven?
In een samenleving die steeds competitiever wordt, en waarin succes steeds zichtbaarder is via social media, wordt het risico op onderlinge jaloezie groter. Maar als we die gevoelens leren herkennen, erkennen en gebruiken, kunnen we er iets mee.
Voor mensen met een neurodivergent brein is dit extra belangrijk. De samenleving legt al genoeg druk op je om “normaal” te zijn, je aan te passen, mee te komen. Dan doet het extra pijn als iemand die op jou lijkt, wél succesvol is volgens die normen.
Toch ligt daar ook een kans: als we afgunst gaan zien als richtingaanwijzer in plaats van als zwakte, ontstaat er ruimte voor groei. Voor jezelf én voor een samenleving waarin niet alles om de snelste of luidste draait.
Fiske, S. T. (2011). Envy Up, Scorn Down: How Comparison Divides Us. Russell Sage Foundation.
Takahashi, H., Kato, M., Matsuura, M., Mobbs, D., Suhara, T., & Okubo, Y. (2009). When your gain is my pain and your pain is my gain: Neural correlates of envy and schadenfreude. Science, 323(5916), 937–939. https://doi.org/10.1126/science.1165604
Festinger, L. (1954). A theory of social comparison processes. Human Relations, 7(2), 117–140.



