Stel je voor: je zit in een werkoverleg. Iemand zegt: “Nou, dat was echt briljant…” en glimlacht erbij. Iedereen lacht. Jij denkt: oké, compliment. Maar vijf minuten later blijkt het sarcasme. Of andersom: jij bedoelt iets letterlijk, de ander hoort een ondertoon die je zelf niet eens wist…
Dat soort momenten vormen al jaren de achtergrond van een hardnekkig verhaal: bij autisme zou “Theory of Mind” minder goed werken. Theory of Mind, vaak afgekort tot ToM, is een chique term voor iets heel menselijks: kunnen inschatten wat een ander denkt, voelt, bedoelt of weet. In de volksmond heet het soms “mindreading”, maar het gaat niet om telepathie. Het gaat om voorspellen. En vooral: om voorspellen op basis van vaak onvolledige informatie.
De laatste jaren wordt dat verhaal gelukkig minder zwart-wit. Want zelfs als twee mensen dezelfde sociale vraag beantwoorden (“Waarom deed die persoon dat?”), kunnen ze dat via verschillende routes doen. De uitkomst kan hetzelfde zijn, maar de weg ernaartoe kan meer moeite kosten, meer tijd, of juist meer bewuste denkstappen vragen.
In een recente open-access meta-analyse werden 18 fMRI-studies naar Theory of Mind bij autisme samengevoegd. De onderzoekers keken niet alleen naar “welk hersengebied licht op”, maar vooral naar welke netwerken samenwerken tijdens ToM-taken. En dat levert een interessant, genuanceerd beeld op.
Theory of Mind in normale taal
Als mensen over Theory of Mind praten, klinkt het vaak alsof het één knop is: aan of uit. In het echte leven werkt het meer als een ketting van stappen.
Je begint met waarnemen: wat gebeurt er precies? Wat zie ik, hoor ik, lees ik? Daarna komt interpretatie: wat betekent dit in deze context? Dan volgt de stap waar ToM echt zichtbaar wordt: je maakt een aanname over de ander. Die ander kan iets niet weten wat jij wel weet. Die ander kan iets bedoelen wat niet letterlijk gezegd wordt. Die ander kan zich anders voelen dan jij zou verwachten.
En dan komt nog iets belangrijks: je controleert je aanname. Klopt dit wel? Moet ik doorvragen? Is dit sarcasme, grap, irritatie, of gewoon… een rare zin?
ToM is dus niet alleen “de ander begrijpen”. Het is ook prikkels filteren, details wegen, context meenemen, tempo kiezen, en onzekerheid verdragen. En precies daar kan autisme het verschil maken: niet per se in de eindconclusie, maar in hoeveel werk het kost om daar te komen.
De mythe van “geen Theory of Mind”
Er bestaat een oud idee dat autisme bijna automatisch betekent: minder Theory of Mind. Dat idee heeft lang invloed gehad op hoe hulpverleners, scholen en gezinnen naar autisme keken. Het werkte soms zelfs als een soort “verklaring voor alles”: als iemand met autisme zich terugtrok, letterlijk reageerde, of sociale fouten maakte, dan was de conclusie snel: “ToM-probleem.” Alleen: dat is veel te grof.
Veel mensen met autisme kunnen prima perspectief nemen. Ze kunnen heel scherp aanvoelen wat iemand bedoelt. Ze kunnen zelfs extra gevoelig zijn voor spanning of oneerlijkheid. Maar ze doen dat soms op een andere manier: bewuster, analytischer, en met meer behoefte aan duidelijke informatie. Of ze merken juist heel veel tegelijk op, waardoor de ruis toeneemt.
Daar komt bij: veel ToM-taken in onderzoek lijken op puzzels. In het dagelijks leven krijg je zelden een nette multiplechoicevraag met één goed antwoord. In het dagelijks leven krijg je een halve zin, drie gezichtsuitdrukkingen, een groepsdynamiek, appjes zonder leestekens, en iemand die “maakt niet uit” zegt terwijl het wél uitmaakt.

Als autisme je ergens in kan raken, dan zit het vaak in die rommelige laag: onduidelijke signalen, te veel variabelen, te weinig context, te hoog tempo.
Wat onderzoekers hebben gedaan
Wetenschappers verzamelden 18 fMRI-studies waarin mensen met autisme en neurotypische deelnemers ToM-taken deden in een scanner. Samen ging het om 328 deelnemers met autisme en 314 neurotypische deelnemers. In zulke studies krijgen deelnemers bijvoorbeeld korte verhaaltjes of plaatjes en moeten ze inschatten wat iemand denkt, voelt of gaat doen. Denk aan “false belief”-taken (iemand gelooft iets wat niet klopt), sociale cartoons, of scenario’s waarin je intenties moet afleiden.
Belangrijk detail: op gedragsniveau leek het verschil vaak kleiner dan je zou denken. In 16 studies waarin gedrag werd gerapporteerd, vond een minderheid (6 studies) een hogere foutkans bij autisme. De meeste studies zagen geen significant verschil in foutpercentage. En opvallend: geen van de studies vond een significant verschil in reactietijd tussen de groepen. Met andere woorden: veel mensen met autisme deden de taak net zo snel en net zo goed als de neurotypische deelnemers.
Dus als de uitkomst vaak gelijk is, waarom kijken onderzoekers dan naar hersenactiviteit? Omdat “gelijk antwoord” niet betekent “zelfde route”. Je kunt dezelfde bestemming bereiken via de snelweg, via binnenwegen of via een omleiding. Je komt aan, maar je motor draait anders.
De methode achter de schermen
Bij fMRI krijg je vaak plaatjes waarop enkele gebieden “oplichten”. Dat maakt het verleidelijk om te zeggen: dit gebied is het ToM-gebied. Alleen: het brein werkt bijna nooit met één gebied. Het werkt met netwerken.
Daarom gebruikten de onderzoekers een aanpak die sterk focust op samenwerking tussen gebieden. Ze keken welke regio’s in veel studies samen actief zijn en welke verbindingen je dan steeds terugziet. Dat helpt vooral omdat losse fMRI-studies klein kunnen zijn en elkaar soms tegenspreken. Een meta-analyse kan dan een robuuster patroon laten zien.
Het gedeelde ToM-netwerk
Dit is misschien wel de belangrijkste geruststelling uit het onderzoek: mensen met autisme gebruiken tijdens ToM-taken grotendeels dezelfde basisnetwerken als neurotypische mensen.
In beide groepen zagen de onderzoekers consistente betrokkenheid van gebieden die je in ToM-onderzoek vaak tegenkomt: de temporopariëtale junctie (TPJ), delen van de superior temporal sulcus (STS), frontale gebieden zoals (mediale) frontale cortex, en ook de precuneus (een gebied dat vaak meedoet in het zogeheten default mode netwerk). Daarnaast zagen ze in beide groepen betrokkenheid van gebieden die te maken hebben met visuele verwerking en het integreren van informatie.
Als je dit vertaalt naar normale taal: het brein van mensen met autisme doet mee met “de standaard ToM-apparatuur”. Het verhaal “bij autisme ontbreekt ToM” past daar niet goed bij.
STS staat voor superior temporal sulcus. Dat is een groeve aan de zijkant van je hersenen (in de slaapkwab) die vaak meedoet bij het oppikken en interpreteren van sociale signalen. Denk aan:
- gezichtsuitdrukkingen en blikrichting
- toon van iemands stem (intonatie)
- biologische beweging (hoe iemand loopt of gebaart)
- het koppelen van wat je ziet en hoort aan “wat bedoelt die ander?”
TPJ staat voor temporopariëtale junctie (Engels: temporo-parietal junction) en is een “kruispunt” van hersengebieden aan de zijkant van je brein. In onderzoek duikt TPJ vaak op bij dingen zoals:
- perspectief nemen: “wat ziet of weet die ander?”
- het inschatten van intenties: “bedoelt iemand dit expres of per ongeluk?”
- onderscheid maken tussen jouw kennis en die van een ander (heel belangrijk bij misverstanden)
Wat bij autisme extra meespeelt
De meta-analyse laat zien dat bij autisme een aantal gebieden heel robuust in het netwerk zit, met name de thalamus en de precuneus.
De thalamus kun je zien als een soort schakelstation. Veel zintuiglijke en interne signalen passeren daar. Als je brein moet bepalen: wat is belangrijk en wat is ruis, dan speelt die schakelaar een grote rol. Bij autisme krijgt die filtervraag in het dagelijks leven vaak extra gewicht: je kunt meer details binnenkrijgen, of juist meer last hebben van onverwachte prikkels, of sneller overbelast raken. Dan is het logisch dat een netwerk tijdens sociale puzzels sterker leunt op schakelen en selecteren.
De precuneus is een gebied dat vaak betrokken is bij het koppelen van informatie aan jezelf: perspectief nemen, mentale scènes maken, jezelf in een situatie plaatsen, context vasthouden. In normale taal: het helpt je om een innerlijk “situatieplaatje” te bouwen. Als ToM-taken vragen om “wat denkt die ander, gezien wat die ander wel en niet weet?”, dan helpt zo’n intern plaatje enorm.
Dit alles bewijst niet dat autisme één vaste “ToM-route” heeft. Maar het suggereert wel dat mensen met autisme bij ToM-taken relatief sterk steunen op schakelen, integreren en context bouwen.
Wat relatief minder consistent meedoet
Waar zit dan het verschil? In de contrastanalyses zagen de onderzoekers dat sommige gebieden in neurotypische hersenen vaker of sterker gekoppeld waren dan bij autistische. Het ging onder andere om delen van het limbische systeem (waaronder de rechter thalamus en gebieden die vaak meedoen in emotie- en motivatieprocessen), en om temporale gebieden zoals de inferieure temporale cortex. Ook de STS kwam in de conclusies terug als een gebied dat bij autisme minder waarschijnlijk betrokken was.
De STS wordt vaak genoemd in verband met het lezen van sociale signalen: biologische beweging, gezichten, blikrichting, stemintonatie. Als die “sociale signaalverwerker” minder consistent meedoet, dan kan dat betekenen dat iemand meer moeite moet doen om dezelfde info uit de omgeving te trekken. Niet omdat autisme geen empathie kent, maar omdat de input minder vanzelfsprekend binnenkomt of sneller verdrinkt in ruis.
Dit soort bevindingen gaan over gemiddelden over groepen. Je kunt dus niet zeggen: “bij autisme werkt gebied X minder.” Het gaat eerder om: als je veel studies samenneemt, dan zie je dat sommige routes minder vaak boven komen drijven in de autismegroep.
De grote take-away
Je kunt Theory of Mind zien als drie stappen: waarnemen, verwerken, en vervolgens een inschatting vormen over de ander.
Autisme vraagt vaak om betere input, niet om harder oefenen met “de juiste reactie”.
Veel mensen met autisme komen prima tot een correcte inschatting. Het verschil lijkt vaker te zitten in de manier waarop het brein de informatie verzamelt en integreert. Dat klinkt abstract, maar het past bij alledaagse ervaringen:
- Als de sociale signalen duidelijk zijn, loopt het vaak prima.
- Als de situatie complex wordt, met meerdere mensen, indirecte taal, snel tempo en veel prikkels, dan wordt het lastiger.
- Als de context ontbreekt, moet je brein gaan gokken. En gokken voelt voor veel mensen met autisme als een slechte deal.

In die zin gaat het minder over “snappen wat iemand voelt” en meer over: voldoende betrouwbare data hebben om er iets zinnigs mee te doen.
Dagelijks leven
Oké, leuk verhaal over hersennetwerken, maar wat heb je daaraan als je morgen weer een verjaardag of werkoverleg hebt? Je kunt er vooral dit uit halen: autisme vraagt vaak om betere input, niet om harder oefenen met “de juiste reactie”.
Op het werk zie je vaak vergadercultuur: veel impliciete regels, grapjes, onderbrekingen, en besluiten die “tussen de regels door” vallen. Als je brein sociale signalen minder automatisch oppikt, dan kun je alsnog prima functioneren, maar je hebt meer baat bij explicietheid. Niet omdat je minder slim bent, maar omdat je brein liever werkt met heldere informatie dan met hints.
In relaties zie je hetzelfde. Veel ruzies beginnen met: “Je had toch wel kunnen weten dat ik dat bedoelde?” Nee dus… Dat is dan ook geen eerlijk startpunt als iemand vooral sterk is in letterlijkheid en context nodig heeft.
Voor mensen met AuDHD komt daar soms nog iets bij: energie en focus kunnen in pieken en dalen komen. Dan gaat het soms niet alleen om sociale signalen, maar ook om timing. Je kunt iemand prima begrijpen, maar je brein kan nét op dat moment te druk zijn, te snel, of juist te leeg. Dat maakt het extra belangrijk om misverstanden niet te zien als “onwil”, maar als een combinatie van context, prikkels en belastbaarheid.
Praktisch betekent dit: als je merkt dat ToM-achtige situaties misgaan, kijk dan eerst naar de omstandigheden. Hoeveel prikkels? Hoeveel tijd? Hoe duidelijk was de boodschap? Hoeveel stress zat er al in je systeem?
Diagnose en hulp
Een fMRI-scan wordt in de praktijk geen snelle “autisme-test”. Wat wel interessant is: recente studies dwingen onderzoekers (en hopelijk ook behandelaren) om ToM niet als één vaardigheid te zien, maar als meerdere onderdelen. Als iemand vastloopt, kun je gerichter kijken: gaat het mis bij het herkennen van signalen? Bij het filteren van ruis? Bij het vasthouden van context? Bij stress en overprikkeling?
En dan kom je vanzelf bij hulp die niet probeert “autisme weg te trainen”, maar hulp die omstandigheden verbetert en strategieën slimmer maakt. Denk aan psycho-educatie, begeleiding op werk, communicatie-afspraken in relaties, of therapie die niet alleen focust op gedrag, maar ook, en vooral, op stressregulatie en prikkelmanagement.
Als iemand CGT krijgt, helpt het vaak als de therapeut rekening houdt met letterlijkheid, behoefte aan structuur en het tempo van sociale verwerking.
De onderzoekers noemen ook dat er ToM-gebaseerde trainingen bestaan, maar dat bewijs voor langetermijneffect beperkt blijft. Dat past bij wat veel mensen met autisme herkennen: een trucje leren lukt nog wel, maar het generaliseren naar het rommelige echte leven blijft het moeilijke deel.
Wat betekent “ander netwerk” ongeveer?
| Onderdeel in het brein | Wat doet het grofweg? | Wat zagen de onderzoekers? |
|---|---|---|
| TPJ en (mediale) frontale gebieden | Perspectief nemen, mentale toestanden toeschrijven | In beide groepen duidelijk betrokken |
| STS (sociale signaalverwerking) | Sociale cues zoals blik, beweging, toon | Bij autisme minder consistent betrokken in contrasten |
| Thalamus (schakelstation) | Filteren, doorgeven, selecteren van signalen | Bij autisme robuust onderdeel van het netwerk, maar in contrasten was betrokkenheid bij neurotypische deelnemers vaker/sterker voor rechter thalamus |
| Precuneus | Context, intern “situatieplaatje”, koppeling aan zelf/perspectief | In beide groepen betrokken, bij autisme opvallend robuust |
| Temporale gebieden (o.a. inferieure temporale cortex, fusiform) | Visuele herkenning en betekenis geven aan complexe stimuli (zoals gezichten/scene) | In contrasten vaker/sterker gekoppeld bij neurotypische deelnemers |
| Limbische gebieden (o.a. caudatus/cingulum in netwerken) | Motivatie, affect, leren, integratie | Verschillen in betrokkenheid/verbindingen tussen groepen |
Kanttekeningen
Dit op onderzoeken gebaseerde artikel is informatief, maar niet magisch:
- fMRI-onderzoek bij autisme kent een praktische drempel. Veel mensen met autisme vinden de scanervaring onaangenaam, en beweging verpest de data. Onderzoekers sluiten dan deelnemers uit. Dat betekent dat dit soort studies vaak een selecte groep meet: mensen die de scanner aankunnen en die lang genoeg stil kunnen liggen. Dat zegt niet alles over mensen met autisme die sneller overprikkeld raken of meer ondersteuning nodig hebben.
- Veel studies rapporteren medicatie en comorbiditeit slecht. Terwijl juist die factoren bij autisme vaak meespelen: ADHD, angst, depressie, slaaptekort, migraine, noem maar op. Als je die variabelen niet goed meeneemt, blijft een deel van het verhaal onzichtbaar.
- Autisme is een spectrum. De meta-analyse behandelde autisme als één brede categorie en kon subgroepen niet goed onderscheiden. Dat is begrijpelijk, maar het betekent ook dat je geen persoonlijke conclusie uit de groepspatronen kunt trekken.
Ten slotte
Theory of Mind bij autisme is geen verhaal van “wel of niet”. Het is vaker een verhaal van route, input en energie.
Onderzoek laat zien dat mensen met autisme tijdens ToM-taken veel overlap tonen met neurotypische hersennetwerken. Tegelijk ziet het onderzoek verschillen in welke knooppunten en verbindingen het netwerk het meest lijken te dragen. Dat wijst eerder op een andere manier van informatie verwerken en integreren dan op het ontbreken van sociale cognitie.
Als een sociale situatie misloopt, kijk dan niet meteen naar “gebrek aan inzicht”. Kijk naar duidelijkheid, context, prikkels, tempo en stress. Vaak zit dáár de echte winst.
Li, H., Wang, Y., Chang, L., Yi, L., Siu, L. N., & Zhang, J. (2026). Specific brain activity during theory of mind tasks in autistic individuals: A meta-analysis of fMRI studies. PsyCh Journal, 15, e70060. https://doi.org/10.1002/pchj.70060



