ADHD wordt vaak gezien als iets van kinderen: drukke jongetjes in de klas die niet stil kunnen zitten. Toch blijft bij zo’n 60% van de mensen met een jeugddiagnose ADHD ook op volwassen leeftijd aanwezig. Alleen ziet het er dan anders uit. De drukke motoriek maakt vaak plaats voor innerlijke onrust, concentratieproblemen en moeite om overzicht te houden.
Dat maakt de diagnose lastiger. Veel klachten overlappen met andere problemen zoals depressie, angststoornissen of burn-out. Bovendien is er bij volwassenen geen standaardtest of duidelijke lichamelijke marker die ‘objectief’ ADHD aantoont. Artsen en psychologen zijn daardoor afhankelijk van vragenlijsten, gesprekken en observaties – en die zijn per definitie subjectief.
Onderzoekers proberen daarom al jaren biologische aanknopingspunten te vinden. Een veelbelovende route is het meten van hersenactiviteit met een EEG (elektro-encefalogram). Daarbij worden elektrische signalen op de hoofdhuid geregistreerd. Zo’n meting is veilig, niet-invasief en relatief goedkoop. Als er patronen zijn die consequent samenhangen met ADHD, zou dat een extra hulpmiddel kunnen zijn bij de diagnose.
Een groep onderzoekers analyseerde 68 studies over EEG bij volwassenen met ADHD. Ze keken zowel naar hersengolven in rust als naar reacties op specifieke taken. Het doel: ontdekken of er vaste ‘vingerafdrukken’ zijn die ADHD in beeld brengen.
Wat hersengolven ons vertellen
Onze hersenen zijn nooit stil. Zelfs in complete rust produceren ze een soort elektrisch achtergrondgeruis. Dat bestaat uit verschillende soorten golven, ingedeeld naar snelheid:
- Delta (0,5–4 Hz) – de traagste golven, vooral actief in diepe slaap.
- Theta (4–8 Hz) – langzame golven, vaak gekoppeld aan dromerigheid, ontspanning of dagdromen.
- Alpha (8–13 Hz) – middelsnelle golven, actief als we ontspannen maar alert zijn.
- Beta (13–30 Hz) – snellere golven, verbonden met actieve aandacht, denken en probleemoplossing.
- Gamma (>30 Hz) – de snelste golven, mogelijk betrokken bij geheugen en het koppelen van informatie.
EEG-onderzoekers kijken niet alleen naar deze golven in rust, maar ook naar event-related potentials (ERP’s). Dat zijn pieken en dalen in de hersenactiviteit die optreden vlak na een prikkel, bijvoorbeeld het zien van een letter of het horen van een piepje. ERP’s hebben vaak namen als P3 (een positieve piek na ongeveer 300 milliseconden) of N2 (een negatieve piek rond 200 ms). De grootte en timing van zulke pieken vertellen iets over hoe goed het brein informatie verwerkt, aandacht verdeelt en fouten opmerkt.
De opvallendste bevinding: Te veel theta in rust
De meest consistente uitkomst uit alle onderzoeken: volwassenen met ADHD laten in rust vaak meer theta-activiteit zien dan mensen zonder ADHD.
Er zijn twee hoofdverklaringen:
- Maturational lag – Bij iedereen neemt trage hersenactiviteit (theta, delta) af met de leeftijd, terwijl snelle activiteit (alpha, beta) toeneemt. Bij ADHD lijkt die verschuiving trager te verlopen. Volwassenen houden dan een ‘jeugdiger’ hersenpatroon.
- Low arousal – De hersenen verkeren in een toestand van lage activering, waardoor het moeilijk is om alert te blijven. Het brein ‘draait stationair’, wat kan leiden tot dagdromen, snel afgeleid zijn en prikkelzoekend gedrag om het systeem wakker te schudden.
Interessant is dat verhoogde theta vaker werd gevonden bij jongere volwassenen (rond de 20–25 jaar) dan bij oudere (40+). Mogelijk verdwijnen sommige afwijkingen met de jaren, of leren mensen strategieën om hun hersenactiviteit te compenseren.
Andere factoren spelen ook mee. Mannen met ADHD laten bijvoorbeeld vaker verhoogde theta zien dan vrouwen. Bij hoogbegaafde volwassenen met ADHD bleek de theta ook verhoogd – wat suggereert dat IQ de afwijking niet maskeert.
Testen van rem- en focusvermogen: ERP’s onder de loep
Bij taken waarin deelnemers soms moesten reageren en soms juist niet (Go/No-Go), lieten volwassenen met ADHD vaak lagere P3-, N2- en Pe-amplitudes zien.
- P3 – geeft aan hoeveel aandacht en mentale middelen je brein inzet om een relevante prikkel te verwerken. Een lagere P3 kan betekenen dat er minder ‘aandachtsbudget’ beschikbaar is om een impuls te onderdrukken.
- N2 – hangt samen met het signaleren van conflicten en het voorbereiden van een remreactie. Een lagere N2 wijst op minder efficiënte conflictdetectie.
- Pe – treedt op nadat je een fout hebt gemaakt en is een teken dat je die fout bewust opmerkt. Een kleinere Pe suggereert dat fouten minder goed worden geregistreerd, waardoor je er minder van leert.
Praktisch voorbeeld: stel dat je op een druk kruispunt fietst en plots ziet dat het verkeerslicht op rood springt. Een gezonde P3 en N2 helpen je snel te remmen; een goede Pe zorgt dat je onthoudt dat je de volgende keer alerter moet zijn. Bij ADHD lijken deze schakels minder sterk te werken, wat kan leiden tot impulsieve acties of herhaalde fouten.
Sustained attention: Waarom vasthouden van focus zo moeilijk is
Bij langdurige aandachtstaken – denk aan minutenlang op een computerscherm turen om af en toe op een zeldzaam symbool te reageren – zakken de P3- en N2-waarden bij ADHD sneller weg dan bij controles.
Dit kan betekenen dat het brein moeite heeft om aandacht over langere tijd te verdelen, of om irrelevante prikkels te onderdrukken. In het dagelijks leven kan dat zich uiten in bijvoorbeeld tijdens een vergadering ineens volledig de draad kwijt zijn, of bij het lezen van een tekst halverwege niet meer weten wat de eerste alinea ook alweer zei.
Geen eenduidig beeld bij alpha en beta
Niet alle resultaten zijn zo duidelijk. Bij alpha-activiteit vinden sommige studies hogere, andere juist lagere waarden bij ADHD. Een hogere alpha kan wijzen op minder prikkelverwerking (meer afsluiting), een lagere alpha op te weinig remming in de hersenen, waardoor prikkels ongefilterd binnenkomen.
Hetzelfde geldt voor beta-golven. Een deel van het onderzoek vindt verhoogde beta bij ADHD, mogelijk gekoppeld aan emotionele onrust of hyperalertheid. Andere studies vinden juist lagere beta, wat kan samenhangen met afname van symptomen op latere leeftijd. Subtype (inattentief vs. gecombineerd), medicatiegebruik en stemming kunnen hier allemaal invloed op hebben.
Wat betekent dit voor diagnose en behandeling?
EEG is geen wondermiddel dat met één meting zegt: “u heeft ADHD”. Daarvoor zijn de resultaten te afhankelijk van leeftijd, subtype, medicatie, comorbiditeit en zelfs de gebruikte meetopstelling.
Wel geven de consistente bevindingen – zoals verhoogde theta in rust en lagere P3/N2/Pe bij specifieke taken – aanknopingspunten voor een ‘biologisch profiel’ van ADHD. In de toekomst zou EEG bijvoorbeeld als extra check kunnen dienen bij twijfelgevallen, of om het effect van behandelingen te volgen.
Maar voor het zover is, moeten studies beter gestandaardiseerd worden, met duidelijke afspraken over welke taken, filters en analyses gebruikt worden. Pas dan kan EEG een betrouwbare plek krijgen naast gesprekken en vragenlijsten.
Su Z, Wang Y, Wang B, Han C, Zhang H, Gu Y, Chen Y, Zhao X, Shi Y. Executive function and neural oscillations in adults with attention-deficit/hyperactivity disorder: a systematic review. Front Neurosci. 2025 Jul 15;19:1617307. doi: 10.3389/fnins.2025.1617307. PMID: 40735291; PMCID: PMC12303959.



