Wat de ogen onthullen over autisme

“De ogen zijn de spiegels van de ziel,” zeggen mensen weleens. Maar volgens sommige wetenschappers zouden ze beter kunnen zeggen: de ogen zijn de spiegels van het brein.
Ons netvlies – de dunne laag aan de achterkant van het oog waarmee we zien – is namelijk letterlijk een uitloper van het centrale zenuwstelsel. Tijdens de embryonale ontwikkeling ontstaan de hersenen en het netvlies uit hetzelfde stukje weefsel. Wat er in het brein gebeurt, zou dus weerspiegeld kunnen worden in de ogen.

Dat idee is precies wat onderzoekers over de hele wereld motiveert om de ogen te gebruiken als een soort ‘venster’ op het brein. Een van de populairste technieken hiervoor is optical coherence tomography (OCT). Dat is een soort supergedetailleerde scan met lichtgolven waarmee je tot op micrometerniveau kunt meten hoe dik de verschillende lagen van het netvlies zijn.

Bij ziekten als multiple sclerose, Parkinson en Alzheimer heeft deze techniek al laten zien dat er meetbare veranderingen in het netvlies optreden. Daardoor ontstond de vraag:
zou je via de ogen ook iets kunnen zien van autisme?

Waarom juist de retina interessant is

Autisme is een neurobiologische ontwikkelingsvorm – het zit dus diep in de structuur en werking van het zenuwstelsel. En omdat het netvlies rechtstreeks is verbonden met de hersenen, ligt het voor de hand dat ook daar subtiele verschillen te vinden zijn.

Eerdere studies hebben al laten zien dat sommige mensen met autisme visuele prikkels anders verwerken. Ze zijn bijvoorbeeld gevoeliger voor licht, zien details scherper of hebben moeite met bewegende beelden. Dat zou iets kunnen zeggen over hoe de visuele informatie in hun hersenen wordt gefilterd en verwerkt.

De retina – en met name de retinale zenuwvezellaag (RNFL) – is opgebouwd uit de uitlopers van zenuwcellen die rechtstreeks in verbinding staan met de hersenen. Als er dus iets verandert in de hersenstructuur of zenuwbanen, kan dat zichtbaar worden als een dunner of juist dikker laagje in het oog. OCT is dan een elegant hulpmiddel om dat te meten zonder dat je iemand in een MRI-scanner hoeft te leggen.

Wat onderzoekers precies hebben onderzocht

Het nieuwe onderzoek waar dit artikel op is gebaseerd, is een systematische review en meta-analyse – oftewel een grote samenvatting van alle beschikbare studies over dit onderwerp tot nu toe. De onderzoekers, afkomstig van onder meer de Teheran University of Medical Sciences en de Johns Hopkins University, verzamelden gegevens uit tien eerdere studies waarin OCT-metingen bij mensen met autisme werden vergeleken met neurotypische controles.

In totaal ging het om 373 mensen met autisme (640 ogen) en 443 controlegevallen (760 ogen). Sommige deelnemers waren kinderen, anderen volwassenen. De meeste studies gebruikten moderne apparaten van merken als Heidelberg Spectralis of Optovue RTVue, waarmee de dikte van verschillende netvlieslagen – van de binnenste zenuwvezellaag tot de diepere choroïd (het vaatvlies) – werd gemeten.

Bij oogonderzoeken klinkt het logisch dat je twee ogen per persoon meet, maar in de praktijk verschilt de aanpak per studie. Sommige onderzoeken kiezen bewust maar één oog (willekeurig links of rechts) om dubbele telling te voorkomen, andere nemen juist beide ogen mee voor extra data, en soms valt één oog weg door een mislukte meting of een medische reden.

Omdat in deze meta-analyse studies met verschillende keuzes zijn samengevoegd, is er meer oogdata dan er unieke personen zijn, maar minder dan twee ogen per persoon gemiddeld. Concreet: 640 ogen bij 373 mensen met autisme en 760 ogen bij 443 controles.

Het team keek vervolgens naar verschillen in:

  • Maculaleer (het centrale deel van het netvlies dat verantwoordelijk is voor scherp zien),
  • Peripapillaire zenuwvezellaag (pRNFL) rond de oogzenuw,
  • En, in één studie, de choroïd – de laag die het netvlies van zuurstof en voedingsstoffen voorziet.

Met behulp van statistische modellen vergeleken ze de resultaten van de verschillende onderzoeken. Zo konden ze bepalen of er patronen waren die in meerdere studies terugkeerden.

Wat zagen ze wél – en wat niet?

De uitkomst was verrassend nuchter. In bijna alle onderzochte netvlieslagen – waaronder de zenuwvezellaag (RNFL), de ganglioncellaag (GCL), de binnenste plexiforme laag (IPL) en de binnenste nucleaire laag (INL) – werden geen significante verschillen gevonden tussen mensen met en zonder autisme.

Alleen op één heel specifieke plek viel iets op: de inferonasale sector van de pRNFL, oftewel het stukje netvlies aan de onder-binnenkant van de oogzenuw. Daar bleek de laag gemiddeld iets dikker bij mensen met autisme. Het verschil was klein – ongeveer 4,5 micrometer – maar wel statistisch significant.

Of dat echt iets zegt, is nog onzeker. De onderzoekers benadrukken dat de meeste studies klein waren, elkaar methodologisch verschilden (soms werd één oog gemeten, soms beide, soms andere apparaten), en dat de verschillen in meetresultaten daardoor moeilijk te vergelijken zijn.

Toch is het een interessant signaal. Want als zelfs een klein gebiedje in de retina systematisch dikker is, dan zou dat kunnen wijzen op subtiele neurobiologische verschillen die samenhangen met autisme. Of, zoals de auteurs het voorzichtig formuleerden: “OCT kan mogelijk kleine neuro-ontwikkelingsverschillen weerspiegelen, maar het bewijs is voorlopig beperkt.”

Hoe kunnen zulke verschillen ontstaan?

Waarom zouden de ogen van iemand met autisme er op microscopisch niveau anders uitzien? Daarover zijn verschillende hypotheses.

De eerste is de neuro-inflammatiehypothese: bij autisme zou er in de vroege hersenontwikkeling sprake kunnen zijn van een milde, chronische ontstekingsreactie. Cellen in de hersenen (microglia) die normaal gesproken opruimwerk doen, zouden overactief kunnen zijn. Diezelfde cellen komen ook in de retina voor en kunnen daar de dikte van zenuwlagen beïnvloeden.

Een tweede verklaring is een verstoring in geprogrammeerde celdood (apoptose). In de eerste levensjaren groeien de hersenen van kinderen met autisme vaak sneller dan gemiddeld. Later lijkt die groei juist af te remmen. Dit proces van ‘te veel cellen aanmaken en daarna weer snoeien’ kan ook invloed hebben op het netvlies, dat immers uit hetzelfde weefsel is ontstaan.

Een derde mogelijkheid heeft te maken met doorbloeding en dopamine. In één van de studies werd een dunnere choroïdlaag gevonden, wat zou kunnen wijzen op minder bloedtoevoer of zuurstof. En dopamine – een signaalstof die ook in de retina actief is – speelt zowel bij autisme als bij de ontwikkeling van de choroïd een rol. Een ontregeling in het dopaminesysteem zou dus zowel hersen- als netvliesveranderingen kunnen verklaren.

Wat zegt dit over autisme?

Het is verleidelijk om te denken: aha, dus we kunnen autisme binnenkort in de ogen zien!
Maar zo ver is het nog lang niet.

De gevonden verschillen zijn klein en beperkt tot één gebiedje van de retina. Bovendien zijn de resultaten niet consistent: sommige studies vonden juist dunnere lagen, anderen dikkere. Ook leeftijd lijkt mee te spelen – bij kinderen met autisme waren de maculalagen soms dikker, bij volwassenen juist dunner. Dat past bij wat we weten over hersenontwikkeling bij autisme: eerst overgroei, daarna stabilisatie of afname.

De onderzoekers benadrukken dat OCT op dit moment geen diagnostisch instrument is voor autisme. Daarvoor zijn de verschillen te subtiel en de data te wisselend. Maar het onderzoek levert wel iets belangrijks op: het laat zien dat er ook buiten het brein – in een toegankelijk stukje zenuwweefsel zoals het oog – meetbare biologische sporen van neurodiversiteit kunnen bestaan.

Toekomstmuziek?

Stel dat toekomstige studies deze bevindingen bevestigen, wat dan?
OCT is een snel, pijnloos en goedkoop onderzoek dat al veel wordt gebruikt door oogartsen. Als er ooit betrouwbare patronen worden gevonden die samenhangen met autisme, zou dat in theorie kunnen helpen bij het beter begrijpen van de onderliggende biologie of zelfs bij vroegdetectie.

Maar zover is het nog niet. De huidige studies zijn klein, vaak met tientallen in plaats van honderden deelnemers, en gebruiken verschillende meetmethodes. Ook medicijnen, leeftijd, geslacht en intelligentie beïnvloeden mogelijk de resultaten. Het is dus nog te vroeg om van biomarkers te spreken.

Toch opent het onderzoek een fascinerende nieuwe richting: niet langer kijken in het brein met dure scanners, maar naar het brein via de ogen.

Hosseinzadeh N, Mahalleh M, KamaliZonouzi S, Alikarami S, Gouravani M, Arevalo JF. Optical coherence tomography measurements of retina and choroid in autism spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. Ophthalmic Res. 2025 Nov 4:1-25. doi: 10.1159/000549417. Epub ahead of print. PMID: 41194571.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.